Part 18
Het geloof dat men kiespijn kan voorkomen, door slechts op Vrijdag de vingernagels te knippen, is zelfs in hoogeren stand niet vreemd. En een probaat middel tegen kiespijn, dat de Stadsheel- en Vroedmeester ten Houte de Lange in de kraamkamer hoorde aanbevelen, was, het vuil en voetzweet van tusschen de teenen, tot een plakje gekneed, achter de ooren te leggen. „Raad uit hoogen stand!” voegt hij hieraan toe. Behalve dat deze raad uitermate vies is, bewijst hij, dat in zijn tijd, dus omstreeks het jaar 1852, de patiënten niet al te zeer door reinheid geplaagd werden en met recht „vuil” genoemd kunnen worden.
De kiespijn staat ook al in verband met booze geesten, b.v. in Indië met den pontianak, een spook dat zich in boomen ophoudt en zeer gebeten is op vrouwen, vooral op zwangeren. In Multatuli’s Max Havelaar vinden wij, dat Saïdjah, zoekende naar den boom waar hij Adinda zou weerzien, vele stammen van het djati-bosch betastte en weldra eene bekende oneffenheid aan de zuidzijde van een boom vond. „Hij legde zijn vinger in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, om den pontianak te bezweren, die schuld had aan de tandpijn van Panteh’s moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje.”
Deze bezwering van een demon, door den ingeborene van Java, staat niet zoo ver af van een der oudste voorschriften, omtrent het insnijden van teekens in boomen, voor geneeskundige doeleinden. Zegt niet Brunhilde (Siegtraut of Sigrdrifa) in het eerste Lied van Brunhilde (Heldensagen in de Edda) tot Siegfried:
„Um Wunden warten und heilen zu wissen Durch ärztliche Kur, musst du Astrunen kennen. In die Borke der Bäume, in ostwärts gebogner Ruten Rinde lerne sie ritsen”,
wanneer zij hem, op zijn verzoek, in wijsheid onderricht?
De zoogenaamde lusten der vrouwen, de Pica, worden ook in de Yajur-Veda bedacht, en den geneesheer aangeraden daarmede rekening te houden, omdat anders de kinderen met lichaamsgebreken zouden geboren worden. Deze worden geweten aan de omstandigheid, dat de vrouw, met de ontwikkeling van het kind, twee harten in zich draagt. In een leerboek over verloskunde en vrouwenziekten van Aetius van Amida, uit het midden der 6e eeuw na Christus, vinden wij daaromtrent gezegd, dat ongeveer in de tweede maand bij zwangeren eene ziekte optreedt, die men Kissa of Pica noemt, zich uitende in ziekelijke lusten, want de zwangeren zijn begeerig naar verschillende wonderbaarlijke spijzen. Die ziekte zou ontstaan door overmaat van bloed, omdat de gewone maandelijksche uitscheiding van bloed, door de vaten der baarmoeder, door de vrucht onderdrukt wordt, naar boven stijgt en op de maag drukt, die zeer prikkelbaar is.
Volgens Halban (in de Real-Encyclopaedie der gesammten Heilkunde) berusten de lusten op veranderingen in den bloedsomloop, van de spijsvertering en voeding van het zenuwstelsel. Daardoor treedt zoowel weerzin tegen vele spijzen, als lust naar zure spijzen en allerlei vreemde zaken op, b.v. naar krijt, zand, stroo, hout, enz. Het sterkst uit zich dit wel in begeerte naar menschenvleesch, welke zeker eene ernstige verandering in den geestestoestand der zwangere bewijst. Doch ook het verlangen naar kostbare zaken, vooral naar versierselen, komt voor en heeft wel tot diefstal aanleiding gegeven. Maar hiermede zouden wij het gebied der gerechtelijke geneeskunde gaan betreden, wat onze bedoeling niet is.
In het Boeck van de Vroet-Wijfs worden eenige verhalen gegeven van den lust om menschenvleesch te eten of althans in het menschelijke lichaam te bijten. De schrijver voegt daarbij: „Het is een zeer gemeyne saecke, dat sommige lust hebben om t’ eten Colen, Crijt, Vlas, Sop van lijnen garen, Wage-smeer, ende diergelycke vuyle dingen, ende dat ook de vrucht, als sij dien lust niet en mogen volbrengen, daer deur hinder aen ’t lichaam krijget.”
Ik herinner mij uit mijne praktijk eene dame, die gedurende hare zwangerschap een zoo onweerstaanbaren lust in zout had, dat zij daarvan dagelijks handen vol gebruikte. Joh. van Beverwijck (1664), zou het haar ten strengste verboden hebben. Immers zegt hij in zijne Wercken der Genees-konste: „Geheele zoute dingen dienen (mede) van een swangere vrouw geschout te werden. Want, gelijk Aristoteles seydt in ’t sevende boeck van de Historye der Dieren op ’t vijfde Capittel, als de selvige te veel zout gebruyckt, soo wert het kind sonder nagelen geboren.”
Het geloof aan den invloed van spijzen en dranken vindt men ook elders. Zoo meent de zwangere in Hongarije, dat zij een wit en dik kind ter wereld brengt, als zij veel brandewijn drinkt en uien eet. Daar vindt men ook eene onbewuste aanwending van de Prochownick’sche dieet-kuur. Vele zwangeren eten weinig, opdat het kind zich niet te sterk ontwikkele, of zij voeden zich, om dezelfde reden, met ooft, of gebruiken slechts ongezouten magere spijzen.
Samenhangende met het verlangen om te weten welk geslacht het kind, waarvan de vrouw zwanger is, zal vertoonen, werden en worden nog allerlei mededeelingen gedaan, die meer het kenmerk dragen het gevolg van waarnemingen te zijn.
Bij de oude Indiërs was een frissche gelaatskleur der vrouw het teeken, dat zij een jongen zou baren. Hippocrates meende, dat de zwangeren, die vlekken in ’t gelaat hebben, een meisje, die eene goede gelaatskleur behouden meestal een jongen zouden ter wereld brengen. Andere kenteekenen van het geslacht waren de volgende. De jongen beweegt zich eerder dan het meisje, dus wordt ook eerder leven gevoeld. (Dit staat in verband met zijne leer omtrent den duur van het ontstaan van jongen of meisje, na het vast worden van het zaadmengsel). Bij de dracht van een jongen zijn de borsttepels naar boven gericht, bij die van een meisje juist andersom.
Onder de proeven om het geslacht van het kind te weten te komen, was o.a. de volgende. Het zog der zwangere vrouw werd op bladeren uitgegoten. Stolt het zog, dan zal een jongen geboren worden, als het wegvloeit een meisje.
Uit de Aphorismen van Hippocrates blijkt de meening, dat de jongens zich ontwikkelen in de rechterzijde van de baarmoeder, de meisjes (menigvuldiger) in de linkerzijde.
Galenus deelde die meening. Volgens hem ontwikkelden zich de knapen rechts in de baarmoeder, waar het warmer en droger is, zooals de geheele rechterhelft van het lichaam. Hiermede in verband staan de pogingen, om, reeds gedurende den bijslaap, invloed uit te oefenen op het geslacht van het kind. Uitgaande van de vooronderstelling, dat de rechterbal de weg is, waardoor het zaad van den man, dat uit het geheele lichaam komt, zijn uitweg vindt, moest de man, die een meisje wilde verwekken, bij den bijslaap de rechterbal zooveel mogelijk afsnoeren of in de hoogte houden.
In het algemeen werd aangenomen, dat, wanneer gedurende het intreden der manbaarheid de rechterbal dieper staat of sterker ontwikkeld is dan de linker, dit grooter kans gaf op het teelen van jongens, in het tegenovergestelde geval van meisjes.
Daarom legt in vele streken van Hongarije de vrouw, als zij een jongen verlangt, zich na den bijslaap op de rechterzijde (in andere streken op de linkerzijde) of wel ligt de vrouw, gedurende den bijslaap, op linker- of rechterzijde. Hieruit blijkt evenwel, dat de Hippocratische opvatting niet zuiver is overgebracht geworden. Immers in de eene streek wordt voor de jongens de rechterzijde-ligging, in de andere juist de linkerzijde-ligging genomen.
Aan Hippocrates wordt ten onrechte de meening toegeschreven, dat de jongens uit den rechter eierstok, de meisjes uit den linker ontstaan zouden. Dat kan niet zijn, omdat hem en zijnen volgelingen de eierstokken onbekend waren. Het eerst spreekt Herophilus (± 300 j. v. Chr.) van de Alexandrijnsche school, over de eierstokken als vrouwelijke testikels.
In een boekje getiteld Siphra en Pua of onderwijzing in de vroedkunde enz., uit het Duitsch vertaald door Gerard ten Haaff, heelmeester in Rotterdam mitsgaders Operateur van den Steen, te Delft, van het jaar 1753 lezen wij: „Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur, en roode vlakken in het aangezigt heeft, en ’er dus ontstoken uitziet, vroolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij van een’ zoon bezwangerd is; daarentegen als zij ’er bleek uitziet, vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger gaat.”
In het reeds genoemde Boeck van de Vroet-wijfs staat: „De Vrouwen die een Sone dragen, zijn veel dunder, ende aen de rechter kaecke wel geverwet, ende niet soo bleeck.” Nog wordt daar gemeld: „Als nu een Vrouwe een knechten draeght, soo is de rechterooge van snelder beweging, ende van levender ende beter verwe dan de slinckerooge. De rechter borst wordt ook harder ende grooter, en die verwe van de Tepel van dese verandert eer dan van de slincker borst.”
Dit is ontleend aan Hippocrates. Volgens hem is de borst aan de zijde waar het kind ligt grooter, het oog tusschen de oogleden grooter en helderder.
„De vrouwe krijget oock veel eer melck, ende als men dat in een glaesken stelt in de heete Sonne, soo looptet t’ samen gelijck een rondt Bolleken of Klootken, ende gelijck een schoon deurschijnigh Peerlken. Als men sulcken melck doet in de Pisse van deselfde Vrouwe, vallet terstont te gronde; als men sout daerbij doet soo en schey dat hem niet.”
Of deze en dergelijke proeven heden ten dage nog genomen worden, weet ik niet, maar als wij lezen van eene vrouw, die van een jongen zwanger is: „Den Buyck is voren spitsachtigh tegen de Navel” en „Maer sonderlinge staet te verwonderen, dat eene Vrouwe die een Sone draeget, altijdts in ’t gaen den rechtervoet voor settet, ende als sij wil opstaan soo stiert sij haar veel meer met de rechter, dan metter slincker handt,” dan moeten wij erkennen, dat ook nu nog dezelfde teekens worden genoemd, als zekere, ter bepaling van het geslacht der ongeboren vrucht. Niet alleen in Hongarije, doch ook hier te lande, wordt de volgende proef aangegeven, om uit te maken, welk geslacht het kind heeft. Men laat de vrouw op den grond zitten. Als zij zich, bij het opstaan, met de rechterhand steunt, krijgt zij een jongen, met de linkerhand een meisje.
In 1833 werd nog door Dr. Mac Donald, in Liverpool, beweerd, dat een puntbuik de geboorte van een jongen, een breede buik de geboorte van een meisje voorspelt.
Behalve dat de jongens gerekend worden zich eerder te bewegen (zie alweer Hippocrates), is ook de meening, dat de dracht van een jongen veertien dagen korter duurt dan die van een meisje, vrij algemeen.
In Hongarije heerscht, in sommige streken, de volgende gewoonte. Als de vrouw niet zeker weet of zij zwanger is, steekt zij een naainaald in een Mariabeeld en laat die 9 dagen daarin zitten. Is de naald na afloop van dien tijd nog zuiver, dan houdt zij zich voor niet zwanger; is de naald roestig, dan duidt het op zwangerschap. En aan de geboorte van een jongen wordt geloofd als de punt, aan de geboorte van een meisje als het oog van de naald roestig is. Daar heerscht ook dezelfde meening omtrent de gelaatskleur. Uit kiespijn wordt het besluit getrokken, dat zij een jongen zal baren, terwijl gezwollen beenen op een meisje wijzen. Zij zal ook een meisje het leven schenken, als zij bij den bijslaap luid gelachen heeft. Volbracht zij dien echtelijken plicht zonder lachen, dan wordt een jongen geboren, want „ernst is het sieraad van den man”. Zooals Plinius zegt, wees lichte zwelling van het onderbeen en van de liesstreek, bij Grieken en Romeinen, op een meisje, en de schrijver van het Boeck van de Vroet-wijfs is het met hem eens: „Sulke Vrouwen dragen swaerlijck, en met geswel van de beenen en de gemachte.”
Niet alleen in ouden, maar ook in den nieuweren tijd hebben de geleerden zich bezig gehouden met physiologische gronden te zoeken, waaruit de ontwikkeling van het geslacht eene redelijke verklaring zou vinden. Het zou ons te ver voeren, hier alles mede te deelen, wat daaromtrent geschreven is. Alleen stip ik aan, wat men meermalen hooren kan, dat uit de schijngestalten der maan kan uitgemaakt worden, welk geslacht het kind hebben zal. In 1873 deelde een Italiaan, Paolo Lioy, mede, dat iemand te Robia had gevonden, dat, wanneer eene vrouw bij volle maan een zoon of bij nieuwe maan een dochter baarde, men er zeker op rekenen kan, dat het geslacht van het volgende kind niet verandert. Deze regel zou zich telkens ook over den geheelen duur van dat kwartier uitstrekken.
De geleerde Berthon werkte deze opmerking uit, en verklaarde, dat de gestalten der maan geheel alleen op het ontstaan der geslachten invloed uitoefenen, en dat, evenals die schijngestalten voortdurend en gelijkmatig wisselen, ook de mannelijke en vrouwelijke individuen op aarde in steeds gelijkblijvende verhoudingsgetallen, als uitvloeisel eener kosmetische wet, afwisselend geschapen worden.
Dit laatste komt veel overeen met de oud-Duitsche overlevering, dat bij wassende maan, of wanneer gedurende den bijslaap droog weder heerscht, zich een jongens-conceptie ontwikkelen zou.
De bekende verloskundige Kilian zegt, met betrekking tot de kosmetische invloeden, in zijn boek: „Die Geburtslehre von Seiten der Wissenschaft und Kunst dargestellt” (1847), bl. 155: „Dat kosmetische verhoudingen op de ontvangenis een grooten invloed uitoefenen, is zeker, maar weinig bekend is het specieele. Intusschen kan toch het volgende gezegd worden:
1) In ’t algemeen worden meer jongens bij nieuwe en wassende maan, meer meisjes bij volle en afnemende maan geconcipieerd, en
2) de meeste concepties vallen in het einde van de lente en het begin van den zomer, minder aan het einde van den zomer en in het begin van den herfst.”
Hoe trouwens volksgeloof en wetenschappelijke opvattingen samengaan, blijkt uit menige mededeeling. Als voorbeeld noem ik alleen het volgende. Dr. Mattei zegt, in de Clinique Obstétricale, Gazette Obstétr. 5 Mai 1874, dat eene met kinderen rijk gezegende vrouw hem mededeelde, dat zij, telkens als zij van een jongen zwanger ging, veel braakte, wat nooit gebeurde als zij zwanger was van een meisje. Toevallig is in enkele streken van Hongarije de volksmeening juist tegenovergesteld.
En om hiermede te eindigen: De fransche onderzoeker Dupuy deelde in de Séances de la Société de Biologie de Paris, Octr. 1888 en Févr. 1889, het volgende mede: „Om het geslacht van de toekomstige kinderen te bepalen, moet men allereerst het geslacht van het eerste kind weten. Is dit een zoon en geeft men aan de tusschenruimte tusschen twee menstruaties, waarin de conceptie van het eerste kind plaats greep, het getal 1, dan zal het eerstvolgende kind hetzelfde geslacht hebben, als het in een even maand, dus in de 12e, 14e, 16e maand daarna geconcipieerd werd, en omgekeerd een meisje, als het in een oneven maand, dus 13e, 15e, 17e maand daarna ontvangen werd. Indien dus een man, die een zoon heeft, eene dochter hebben wil, moet hij de maand-perioden tellen, die verloopen zijn sedert de bevalling zijner vrouw, en moet daarna de vrouw in een oneven maand bevrucht worden. Wil hij weder eene dochter hebben, dan moet zij in een even maand bevrucht worden enz. Alleen tweelingen met twee moederkoeken, en de gevallen, waarin het kind van een anderen vader afstamt, maken eene uitzondering.”
De diagnose op tweelingzwangerschap werd bij de oude Indiërs gemaakt, als het lichaam in het midden diep is en op een ovaal watervat gelijkt. In Siphra en Pua lezen wij: „Wanneer het lichaam van eene bezwangerde vrouw in het midden plat-achtig, maar op de zijde verheven, en in het geheel zeer opgezet is, en een donkere streep over hetzelfde nederwaards gaat, zoo wil men hier uit besluiten, dat ’er tweelingen zijn. Doch deze kenteekens zijn bedriegelijk, en men kan ’r zich in ’t geheel niet op verlaten.”
Met de baring is het al niet anders dan met de zwangerschap. Ook hier zocht men hulp bij goden en godinnen, vreesde men de inwerking van booze geesten en trachtte men die voor zich te winnen, of wel ze door verschrikkingen te verjagen. Tevens werden—en ’t gebeurt nog—middelen inwendig en uitwendig toegediend, zoowel reeds gedurende de zwangerschap als tijdens de baring, om de krachten der vrouw te schragen en pijnen weg te nemen, sympathetische middelen aangewend, met de bedoeling om de baring gemakkelijker te doen plaats hebben, kortom van allerlei gedaan, om de vrouw in haar lijden te gemoet te komen.
Als middelaars tusschen goden en godinnen vinden wij priesters en priesteressen. Somtijds moet een oprechte biecht van alle zonden, welke betrekking hebben op de baring, afgelegd worden, zoowel door de vrouw als door den man. Helpt dan de godheid niet, d.w.z. eindigt de baring noodlottig, dan was de biecht onvolledig en onoprecht. In Zwaben roept de barende de heilige Margaretha met den draak aan. Men neemt daar een band of een zakdoek, bindt die der barende om de heupen, onder het noemen der drie Godsnamen, en laat haar, onder aanroepen der heilige Margaretha, persen.
In hoog aanzien staat de „Gewisse und wahrhafte Länge unseres lieben Herrn Jesu Christi”, welke men der barende om borst en hoofd legt. Dit is een gebed, op een 150 c.M. lange papierstrook gedrukt, welke—zooals men zegt—de ware lengte aangeeft van onzen Heer Jezus Christus, zooals hij op aarde en aan het heilige kruis geweest is. [10] Ook legt men nog andere gewijde zaken onder het hoofdkussen, laat de vrouw Johannis-water (dat op 27 December gewijd is) drinken, of plakt haar heilige beelden op het lichaam, geeft haar een gebedenboek in de hand, enz. Bij Inlandsche en Chineesche vrouwen zag ik op Java wel kruisen, met een witte kalksoort op handen en voeten geteekend.
Met booze geesten en andere vijandelijke wezens wordt anders omgesprongen. Wel is waar worden ook gebeden en offers opgedragen, doch werkzamer acht men tooverspreuken en amuletten. Somtijds wordt het huis gesloten om hun den toegang onmogelijk te maken, of wel worden zij geweerd door een gespannen touw of door een krijtstreep. Geschreeuw, gehuil en schieten dient tot afschrikking. Dit baantje wordt aan den echtgenoot en zijne vrienden opgedragen.
Als vrij algemeen in zwang zijnde middelen, om eene gemakkelijke en voorspoedige bevalling te erlangen, somde ten Houte de Lange op: het gebruik (’s avonds) van een paar koppen sterk aftreksel van roomsche kamillen met steranijs, van een paar vijgen op de nuchtere maag gedurende de laatste zes weken, eene aderlating op de helft van de dracht, een glaasje kraam-anijs bij het begin der pijnen, een kop sterke koffie met brandewijn, een paar lepels Genua-olie met suiker, drie, vier koppen thee met veel saffraan. Ook nu hoort men nog dergelijke middelen aanbevelen.
Bij tragen arbeid meent men, dat de verbeterende veranderingen juist invallen met de klok van 3, 6, 9 of 12 uur.
De roos van Jericho kwam ook al bij de baring te pas. Het drinken van wijn of water, waarin zij gelegd was, om af te trekken en zich te ontsluiten, had bij de barende hetzelfde gevolg. Indien zij zich namelijk spoedig ontsloot, volgde ook snel ontsluiting bij de barende. Ten Houte de Lange zegt: „Dit is mij eens voorgekomen bij eene Friesche turfschippersvrouw, die mij bij langdurigen arbeid vroeg of ik „die roos van Jericho” niet had om er gebruik van te maken, en bij eene boerin. Geen van beiden wist mij echter te zeggen, hoe die roos er uit zag, of waar die te bekomen was.” Ik was gelukkiger. Vroeger bezat ik zulk een roos van Jericho, maar.... aangewend heb ik haar nooit. In de Palz kent men het geloof aan deze roos, daar „Weinachtsrose” geheeten, eveneens. Zij verdrijft daar, in water gedoopt en aan de vrouw gegeven om er aan te ruiken, de pijnen.
Het toedienen van brandewijn is zeer sterk verbreid. Op de Kanarische eilanden ontvangt de vrouw, zoodra de baring begonnen is, een glas vol. Volgens Mac Gregor nemen de vroedvrouwen en vriendinnen daarvan tevens haar deel. Ook in Hongarije wordt meestal brandewijn toegediend, en dikwijls drinken de vrouwen zoolang, tot zij dronken zijn. Waarschijnlijk staan alcoholische dranken in zoo’n goed blaadje, omdat zij bedwelmend of opwekkend, z.g.n. versterkend, werken.
Wij weten allen hoe moederkoorn, als vlaagpoeders, werd aangewend. Men vindt ook van allerlei aftreksels gewag gemaakt, als peperdranken, kaneelwater, theeën van verschillende wortels en kruiden.
In Amerika is de medicijn bij de inboorlingen een afkooksel van den staart eener ratelslang, dat aan de barende gegeven wordt, omdat men gelooft dat het kind, wanneer dit het vreeselijke geluid van de slang hoort, zich haast om naar buiten te komen. In Griekenland wordt de baring bevorderd, door het gebruik van 2 onsen amandel-olie en het doen van eene aderlating aan de ader van den grooten teen, welke moederader genoemd wordt. In Denemarken heet Basilicum „Herba parturientium (kruid der barenden)”. Behalve dit worden ook lavendel, witte leliën, barnsteenolie en de gedroogde lever van alen gegeven. In Engeland, evenals bij ons, gedroogde vijgen. Dit laatste middel wordt hier te lande ook aangeraden om het vastgroeien van de nageboorte te voorkomen. Een middel in 1816 in Duitschland nog in gebruik, was het drinken van een kop urine van den man. Niet veel smakelijker lijkt mij het in Zwaben gebruikelijke middeltje, duivenmest in melk gekookt. Het heet daar, dat ook vrouwenmelk, indien slechts buiten haar weten aan de barende toegediend, de bevalling gemakkelijker maakt.
Middelen welke den mensch misselijk en draaierig maken of braken verwekken, spelen bij zeer vele volken eene groote rol. De bij het braken tot stand komende samentrekkingen van middenrif en buikspieren zouden de uitdrijving bevorderen. Daartoe werden ook niesmiddelen aangewend. In Nederlandsch Indië laat de doekoen, volgens v. d. Burg, de oudste bij de geboorte aanwezige vrouw hare voeten in koud water wasschen en geeft zij dit of nog andere vieze vloeistoffen, b.v. urine, aan de barende te drinken. In het „Boeck van de Vroet-wijfs” lezen wij: „Ende soo haest als deselfde (d.i. de vroedvrouw) siet, dat hem ’t Kint in de geboorte wil verachteren ende schorten (al is ’t dattet natuerlijck, ende metten hoofdeken hem vertoont) deur de nauwigheydt ende engte van ’t Voor-lijf oft Lidt van de geboorte, soo mach ’t Vroetwijf haer blasen in de Neusgaten een Niespoeyer, of Peper, ende de Vrouwe doen den aessem inhouden en niesende maken, daer deur dat den aessem met sijn gewelt geoorsaeckt nederwaerts te trecken, dewelcke geweldigh sterck drijvet, ende den arbeyt of geboorte voordert.”
Uitwendige middelen werden aangewend in den vorm van berookingen, inwrijvingen met zalven enz. Warme baden en inwrijvingen met warme olie behooren tot de oudste hulpmiddelen bij de baring.
Bijzondere middelen zijn wel de volgende. In Boven-Egypte steekt men bij weeënzwakte een klein stukje opium in het geslachtskanaal der vrouw. In Engeland legde men vroeger fijngestooten laurierbladen, met olie gemengd, op den navel der barende of stak men haar een stukje knoflook in de aarsopening.
Gunstigen invloed zou de barende ook ondervinden, door het drinken van water uit den Willebrordusput, en het leggen van een daarmede natgemaakte doek tegen de schaamdeelen. Hetzelfde bewerkt het teeken des kruises over den buik der zwangere gemaakt.
Uit dit alles blijkt alweder, hoe het bijgeloof aan vele dingen krachten toeschrijft, welke zij niet bezitten. Doch wat te denken van een bijgeloof als nog voor omstreeks 5 eeuwen onder geneesheeren bestond? In Zwitserland werd de eerste lijkopening (sectio cadaveris) in 1671, de tweede in 1676, door Dr. Muralt, in Zürich gedaan. Hij liet de huid van het lijk, welke afgepraepareerd was, looien, omdat hij bijzondere geneeskracht toeschreef aan het bedekken van aangedane deelen met menschenvel, nadat het eerst bij wassende maan met zalf ingewreven was. Voornamelijk hielp het echter bij zware bevalling, als het als gordel gedragen werd.