Chapter 1 of 24 · 4000 words · ~20 min read

Part 1

KONING HENDRIK DE ZESDE.

EERSTE DEEL.

PERSONEN:

Koning Hendrik de Zesde. Humfried, Hertog van Gloster, oom des Konings en Protector. John, Hertog van Bedford, oom des Konings en Regent van Frankrijk. Thomas Beaufort, Hertog van Exeter, oudoom des Konings. Hendrik Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings, naderhand Kardinaal Beaufort. John Beaufort, Graaf, later Hertog van Somerset. Richard Plantagenet, zoon van den terechtgestelden Graaf van Cambridge, naderhand Hertog van York. Richard Beauchamp, Graaf van Warwick. Thomas Montague, Graaf van Salisbury. William de la Pole, Graaf van Suffolk. Lord Talbot, later Graaf van Shrewsbury. John Talbot, zijn zoon. Edmund Mortimer, Graaf van March. Sir John Fastolfe, Sir William Lucy, Sir William Glansdale en Sir Thomas Gargrave. Woodville, Commandant van den Tower. De Mayor van Londen. Vernon, van de Witte Roos of York-partij. Basset, van de Roode Roos of Lancaster-partij.

Karel, Dauphijn, later Koning van Frankrijk. Reignier, Hertog van Anjou, naam-Koning van Napels. De Hertog van Bourgondië. De Hertog van Alençon. De Bastaard van Orleans. De Bevelhebber van Parijs. De Generaal der Fransche troepen in Bordeaux. De Tuigmeester van Orleans en zijn Zoon. Een Fransch Sergeant. Een Portier. Een oude Herder, vader van Jeanne d’Arc.

Margaretha, dochter van Reignier. De Gravin van Auvergne. Jeanne d’Arc, genaamd de Pucelle, of de Maagd van Orleans.

Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten. Boden. Dienaars, zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten, aan de Pucelle verschijnend.

Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Westminster-abdij.

Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning Hendrik de Vijfde wordt binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van Bedford, Gloster en Exeter, den Graaf van Warwick, den Bisschop van Westminster, Herauten enz.

BEDFORD. Behangt den hemel zwart, dag worde nacht! Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend, Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht, En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren, Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks, Die al te roemrijk was om lang te leven! England verloor geen koning ooit, zoo groot.

GLOSTER. England bezat, vóór hem, nog nooit een koning. Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag; Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind; Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht; Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette, En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht, Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat. Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof? Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde.

EXETER. Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed? Hendrik is dood om nimmer te herleven; Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst, Verheerlijken des doods oneed’le zege, Met statig begeleiden, als gevang’nen, Aan eens verwinnaars zegekar geboeid. Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken, Die de’ ondergang bewerkten onzes roems? Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders En toov’naars houden, die, uit angst voor hem, Door rijm en staf zijn dood te wege brachten?

WINCHESTER. Een koning was hij, dien der vorsten koning Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn, Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd Des Heeren der heerscharen. De gebeden Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen.

GLOSTER. Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf; Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon, Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt.

WINCHESTER. Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— 37 Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk. Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht, Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen.

GLOSTER. Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch, En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk, Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden.

BEDFORD. Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede! Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!— En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen, Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf. Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt, Dit land een voedster wordt van zilte tranen, Een tijd, die niemand in het leven laat Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!— Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre! Bestrijd daarboven dreigende planeten! En uwe ziel wordt een roemruchter ster Dan Julius Cæsar of de heldre—

(Een bode komt op.)

BODE. Doorluchte lords, u allen mijnen groet! Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk Van nederlagen, bloedbad en verlies: Guienne, Rheims, Champagne en Orleans, Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren.

BEDFORD. Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk? Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden Doet hem zijn lood verbreken en herleven.

GLOSTER. Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd! Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt, Die tijding deed nog eens den geest hem geven.

EXETER. Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan?

BODE. Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap, De krijgers fluist’ren dit elkander toe: Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij, In plaats dat gij te velde trekt en vecht, Om ’t kiezen van de legerhoofden twist. De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken, Een ander vliegen, maar is vleugelloos, Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend, Door list en fraaie woorden vreê te erlangen. Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap! Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen! De leliën uit uw wapen zijn geplukt, Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. 81

EXETER. Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken, Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt.

BEDFORD. Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk. Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten, Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad! Ik dring den Franschen wonden op voor oogen, Om hun hernieuwde ellende te beschreien.

(Een tweede Bode komt op.)

TWEEDE BODE. Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil. Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons, Op enk’le nietig kleine steden na. In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond, De bastaard Orleans met hem vereenigd, Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde, De hertog Alençon vlood heen, tot hem.

EXETER. Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem! O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad?

GLOSTER. Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!— Bedford, indien gij draalt, neem ik het op.

BEDFORD. Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust? ’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd, Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt.

(Een derde Bode komt op.)

DERDE BODE. Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren, Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt, Moet ik bericht doen van een feilen strijd Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen.

WINCHESTER. Waar Talbot toch in overwon, niet waar?

DERDE BODE. O neen, waar Talbot in geslagen werd; Uitvoerig wil ik heel den loop u melden. Toen op den tiende’ Augustus deze held Terugtrok van ’t beleg van Orleans, Te nauwernood zesduizend strijders sterk, Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen Geheel omsingeld en met kracht bestookt. Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen, Geen pieken om te planten voor zijn schutters; Zij staken daarom haastig scherpe palen, Die ze uit de heggen rukten, in den grond, Om de’ aanval van de ruiterij te keeren. Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht, En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht, Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans, Zond honderden ter helle, en niemand stond hem! Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed. De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”, Hun gansche leger staarde ontzet hem aan; Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend, En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich Vereend vooruit en in het hart des strijds. 129 En wis waar’ hun de zege vast bezegeld, Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken, Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot. Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad. Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend, Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug, Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien.

BEDFORD. Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf, Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl Een held als hij hulp dierf bij zulke daden En aan zijn lagen vijand werd verraden.

DERDE BODE. O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen, Met hem lord Scales en ook lord Hungerford; Zóó de andren meest gevangen of gevallen.

BEDFORD. Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders. ’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon, En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend; Vier hunner lords geef ik voor één der onze.— Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak; Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s feest met glans te vieren. Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet.

DERDE BODE. ’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd, Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak; De graaf van Salisbury smeekt om versterking En houdt het nauwelijks af van muiterij, Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet.

EXETER. Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert, Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken, Of wel, hem neer te buigen in uw juk.

BEDFORD. ’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid, Opdat ik mij terstond ten strijde rust.

(Bedford af.)

GLOSTER. Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut En krijgsbehoeften na te gaan, en dan Roep ik den jongen Hendrik uit als koning,

(Gloster af.)

EXETER. Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning, Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd; ’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert.

(Exeter af.)

WINCHESTER. Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd. Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven; De koning is in Eltham; van die plaats Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Orleans.

Trompetgeschal. Karel, Alençon en Reignier komen op met trommen en Soldaten.

KAREL. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend. Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger, Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe. Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons? Tot kortswijl liggen wij voor Orleans; De hongrige Engelschen, als bleeke geesten, Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand.

ALENÇON. Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen; Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij Er poover uit, zooals verdronken muizen.

REIGNIER. Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd? Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen; Nu is slechts hier die dolkop Salisbury, En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op; Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg.

KAREL. Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los. Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen! ’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood, Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood.

(Allen af.)

(Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot verlies afgeslagen. Karel, Alençon, Reignier en Anderen komen op.)

KAREL. Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!— Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden, Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan.

REIGNIER. Een razend moord’naar is die Salisbury; Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe. En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen, Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi.

ALENÇON. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, 29 Bracht England, in des derden Edwards tijd, Toen louter Oliviers en Roelands voort. En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid: Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het Ons hier als strijders toe. Één tegen tien! En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken, Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had?

KAREL. Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels, En honger drijft hen des te feller aan; Ik ken hen wel: zij reten met de tanden De muren liever neer dan dat zij weken.

REIGNIER. Met raderwerk of koord zijn wis hun armen Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan, Want anders hielden zij het nooit zoo vol. Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden.

ALENÇON. Zoo zij het.

(De Bastaard van Orleans komt op.)

BASTAARD. Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws.

KAREL. Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom!

BASTAARD. Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht; Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt? Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand; Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie De hemel door een droomgezicht gelastte, Een eind te maken aan dit lang beleg En de Engelschen te drijven uit dit rijk. Zij heeft den geest der echte profetie, Veel meer dan Rome’s negental Sybillen; Zij kan, wat was en komen zal, onthullen. Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden, Want onbedrieglijk zijn zij en gewis.

KAREL. Ga! roep haar.

(De Bastaard af.)

Doch, om eerst haar kunst te toetsen, Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn; Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte; Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag.

(De Dauphijn treedt op den achtergrond.)

(Jeanne d’Arc treedt op, de Bastaard van Orleans en Anderen.)

REIGNIER. Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd?

JEANNE D’ARC. Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt? Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren! Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.— Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen. ’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.— Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij.

REIGNIER. Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. 71

JEANNE D’ARC. Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter; Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap, ’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd, Op mij in lagen staat hun licht te stralen. Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde, Mijn wangen door de zon verschroeien liet, Verscheen genadig mij de moeder Gods En gaf, in een visioen vol majesteit, Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen, Mijn vaderland te redden uit den nood. Zij zeide hulp mij toe en wisse zege, En toonde zich in al haar hemelglans. Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd, Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot, Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet. Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt, Onvoorbereid zal ik u antwoord geven; Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed, Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw. Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard, Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt.

KAREL. Ik sta verbaasd van uwe fiere taal; En deze proef slechts wensch ik van uw moed; Gij zult in tweegevecht u met mij meten. Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar; Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen.

JEANNE D’ARC. Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard, Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof Uit veel oud ijzer uitgelezen heb.

KAREL. In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst.

JEANNE D’ARC. En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.

(Zij vechten, en Jeanne d’Arc heeft de overhand.)

KAREL. Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone, En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt.

JEANNE D’ARC. Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak.

KAREL. Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen. Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u; Gij overwont mij tevens hart en hand. Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt, Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer; Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt.

JEANNE D’ARC. Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn, Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn; Maar heb ik al uw vijanden verdreven, En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven.

KAREL. Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan.

REIGNIER. Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. 118

ALENÇON. Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten, Want anders liep ’t gesprek wel eerder af.

REIGNIER. Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen?

ALENÇON. Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten; In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong.

REIGNIER. Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag? Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet?

JEANNE D’ARC. Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk! Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen.

KAREL. ’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is.

JEANNE D’ARC. Ik ben tot Englands geesel uitverkoren. Nog deze nacht ontzet ik wis de stad; Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen. De roem is als een cirkel in het water, Die immer meer en verder zich verbreidt, Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit. Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet, Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot. Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Cæsar droeg en zijn geluk.

KAREL. Werd eens Mohammed door een duif bezield, Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest. Geen Helena, de moeder Constantijns, Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters. Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt, Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan?

ALENÇON. Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!

REIGNIER. Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer! Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk!

KAREL. Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw Niet één profeet, als zij mij leugens spelt!

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Londen. Voor den Tower.

De Hertog van Gloster, met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op.

GLOSTER. Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen; Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd. Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat? Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept.

(De Dienaars kloppen aan.)

EERSTE WACHTER (binnen). Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt?

DIENAAR. ’t Is de eed’le hertog Gloster.

TWEEDE WACHTER (binnen). Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten.

DIENAAR. Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer?

EERSTE WACHTER (binnen). Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn; Wij doen niets anders dan ons is gelast.

GLOSTER. Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne? Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning. Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart?

(Gloster’s Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant Woodville.)

WOODVILLE (binnen). Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders?

GLOSTER. Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor? Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht.

WOODVILLE (binnen). Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog; De kardinaal van Winchester verbiedt het; Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast, Nòch u, nòch één der uwen, in te laten.

GLOSTER. Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij? Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd, Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden? Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten.

DIENAREN. Ontsluit de poorten voor den lord protector! Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt.

(De Bisschop van Winchester komt op, met een gevolg van Dienaren in bruine kleedij).

WINCHESTER. Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog?

GLOSTER. Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last?

WINCHESTER. Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver, En geen beschermer van den troon of ’t rijk.

GLOSTER. Terug, gij welbekende samenzweerder, Die wijlen onzen koning wildet moorden, En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen! Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots, U in uw breeden kardinaalshoed wannen. 37

WINCHESTER. Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier. Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain; Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt.

GLOSTER. Niet dooden, slechts verjagen wil ik u; En uw scharlaken mantel zal mij dienen, Om u, als in een doopkleed, weg te dragen.

WINCHESTER. Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen.

GLOSTER. Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!— Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen, Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!— Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen;

(Gloster en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.)

En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe. Ik treed uw kardinaalshoed met den voet, Ja, sleur u bij den hals hier op en neer.

WINCHESTER. Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord!

GLOSTER. Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!— Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?— U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!— Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar!

(De Dienaars van Gloster drijven de Bisschoppelijken terug; te midden van het rumoer treedt de Mayor van Londen op met zijn Beambten.)

MAYOR. Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden, Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt!

GLOSTER. Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet, Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend, Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt.

WINCHESTER. Hier Gloster, die der burg’ren vijand is, Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit, Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten, En immer tracht den godsdienst om te keeren, Wijl hij protector is van ’t koninkrijk, En nu hier waap’nen vordert uit den Tower, Om zich te kronen, Hendrik te verdringen.

GLOSTER. Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier.

(Zij worden weder handgemeen.)

MAYOR. Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.— Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. 72

GERECHTSBODE. „Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des konings vrede in de wapenen zijn samengekomen, lasten en bevelen wij, in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn haardstee terug te keeren, en van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd te dragen, te voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.”

GLOSTER. Ik wil de wet niet breken, kardinaal, Maar wel uw trots; wij zien elkander weer.

WINCHESTER. Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen; Uw hartebloed betaalt mij dezen dag.

MAYOR. Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.— Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen.

GLOSTER. Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen.

WINCHESTER. Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster! Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn.

(Gloster en Winchester gaan, ieder met zijn Dienaars, naar verschillenden kant af.)

MAYOR. Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.— God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt! In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt.

(De Mayor met zijn Dienaren af.)

VIERDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Orleans.

De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op.

TUIGMEESTER. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt; De vijand heeft de voorstad reeds bezet.

ZOON. Ik weet het, vader, en ik richtte vaak Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs.

TUIGMEESTER. ’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden. Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen, Wat mij bij deze stad in aanzien brengt. Spionnen van den prins berichtten mij, Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand Door een getralied venster van dien toren Gewoon is uit te zien naar onze stad, En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet. Om van dit ongerief ons te bevrijden Heb ik een stuk geschut daarop gericht, En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd, Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht, Wijl ik niet blijven kan. Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden; Gij zult mij vinden bij den commandant. 20

(De Tuigmeester af.)

ZOON. Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust; Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig.

(De Zoon af.)

(In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord Salisbury, Lord Talbot, Sir William Glansdale, Sir Thomas Gargrave en Anderen.)