Chapter 4 of 24 · 4000 words · ~20 min read

Part 4

(Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven achter.)

(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen op.)

HOPMAN. Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!

FASTOLFE. Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht; Wij worden zeker weer teruggeslagen.

HOPMAN. Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?

FASTOLFE. Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.

(Sir John Fastolfe af.)

HOPMAN. Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.

(De Hopman af.)

(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en Anderen, die vluchtende heengaan.)

BEDFORD. Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil; Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd. Wat is de sterkte en trots des blinden menschen? Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon, Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.

(Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.)

(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.)

TALBOT. Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115 Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons; Doch Gode zij de roem van deze zege!

BOURGONDIË. Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië. Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.

TALBOT. Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle? Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist; Waar is des Bastaards pochen, Karels spot? Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd, Dat zulk een dapp’re bent gevloden is. Laat thans ons alles reeg’len in de stad, Er kundige officieren achterlaten, Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning, Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.

BOURGONDIË. Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.

TALBOT. Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden, Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht. Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd. Nooit heeft een braver held de speer gevoerd, Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht; Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood; Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Aldaar. De vlakte bij Rouaan.

Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met troepen.

PUCELLE. Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen, ’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren; Want smart om dingen, die onheelbaar zijn, Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif. De dolle Talbot triumfeere een poos, En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart, Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk, Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.

KAREL. Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden, En uw beleid werd niet door ons mistrouwd; Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.

BASTAARD. Vorsch in uw geest naar diep verholen listen, En heel de wereld melden wij uw roem.

ALENÇON. Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen, U eerend als een heil’ge patrones; Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.

PUCELLE. Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan: Door zachte toespraak en met honigwoorden Verlokken wij den hertog van Bourgondië, Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20

KAREL. Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer; Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten, Maar ras gerooid uit onze landen zijn.

ALENÇON. Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk, En leenden van geen graafschap hier den naam.

PUCELLE. De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk, De zaak in de gewenschte haven breng.

(Getrommel in de verte.)

Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren, Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.

(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt voorbij.)

Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,— En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.

(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne troepen.)

Bourgondië en zijn heer in de achterhoede! Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!— Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.

(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.)

KAREL. Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!

BOURGONDIË. Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër?

PUCELLE. Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.

BOURGONDIË. Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.

KAREL. Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.

PUCELLE. Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk, Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.

BOURGONDIË. Spreek op, maar wees niet overmatig lang.

PUCELLE. Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk, En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand. Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht, Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit, Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden, Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt. O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden. Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt; Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt, Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55 Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen, En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.

BOURGONDIË. Zij heeft mij met haar woorden daar behekst, Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.

PUCELLE. Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk; Zij twijflen aan uw echt en edel bloed. Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk, Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet. Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet, U tot zijn werktuig makend van verderf, Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik? U stoot men als een overlooper uit. Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest: Was Orleans, de hertog, niet uw vijand, En was hij niet in England krijgsgevangen? Nauw was hij als ùw vijand hun bekend, Of zonder losgeld lieten zij hem vrij, Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar. Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten; Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn. Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst! Als Karel, spreiden allen de armen open.

BOURGONDIË. ’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut, En bijna knielde ik neer tot overgaaf.— Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten! En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen; Mijn leger, al mijn macht behoort aan u. Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.

PUCELLE (ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!

KAREL. Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.

BASTAARD. En wekt ons nieuwen moed in onze borst.

ALENÇON. Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld, En een gravinnekroontje er mee verdiend.

KAREL. Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend, En dan getracht den vijand schâ te doen.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis.

Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon, Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner officieren.

TALBOT. Doorluchte souverein en eed’le pairs, Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam, Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund, Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen; Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer Dan vijftig sterke sloten voor u won, Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten, Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,— Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;

(Hij knielt neder.)

En schrijft met onderdanig trouw gemoed, Den roem en de eere der bevochten zeges, Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.

KONING HENDRIK. Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13 Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?

GLOSTER. Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.

KONING HENDRIK. Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer! ’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,— ’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide, Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde. Sinds lange was uwe trouw ons openbaar, Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren: Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd, En viel u zelfs geen woord van dank ten deel, Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden. Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten, Den naam en rang van graaf van Shrewsbury; Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af, behalve Vernon en Basset.)

VERNON. Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet, Die ik, Mylord van York ter eere, draag; Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?

BASSET. Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft Het nijdig keffen van uw drieste tong Tegen mijn heer, den hertog Somerset.

VERNON. Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.

BASSET. Nu, en wat is hij? even goed als York.

VERNON. Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.

(Hij geeft hem een slag.)

BASSET. Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht, Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is; Die slag onttapte u anders ’t hartebloed. Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken; Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.

VERNON. Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.

(Beiden af.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Parijs. Een troonzaal.

Koning Hendrik, Gloster, Exeter, York, Suffolk, Somerset, de Bisschop van Winchester, Warwick, Talbot, de Commandant van Parijs en Anderen treden op.

GLOSTER. Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd.

WINCHESTER. Heil koning Hendrik, zesden van dien naam!

GLOSTER. Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—

(De Commandant knielt.)

Dat gij geen andren koning kiest dan hem, Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn, En niemand vijand reek’nen zult, dan hen, Die zijn gezag met boozen raad belagen; Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!

(De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.)

(Sir John Fastolfe komt op.)

FASTOLFE. Genadig koning, toen ik van Calais Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest, Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.

TALBOT. Schande over u en die u zendt, den hertog! 13 ’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten, Dien knieband van uw hazebeen te rijten;

(Hij rukt hem den kouseband af.)

En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig Bekleed werdt met die hooge waardigheid.— Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren! Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay, Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg, De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,— Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel, Liep hij als een getrouwe schildknaap weg! Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht; Ikzelf, en menig edelman met mij, Wij werden overmand en krijgsgevangen. Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed, Of zulke lafaards ooit der ridderschap Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?

GLOSTER. In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos; Slecht stond het aan den minsten wapenknecht, Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!

TALBOT. Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren De ridders van den knieband hooggeboren, Vol dapperheid en deugd en fieren moed, Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk; Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend, En onverschrokken in den hoogsten nood. 38 Die deze gaven niet bezit, hij matigt Zich driest den heil’gen naam van ridder aan, En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek; Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten, Gelijk een in de heg geboren dorper, Die zich vermeet op edel bloed te pralen.

KONING HENDRIK. Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel. Pak dus u weg, gij, die een ridder waart; Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.

(Fastolfe af.)

En nu, mylord protector, lees den brief Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.

GLOSTER. Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl? Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”. Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is? Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin Verand’ring in gezindheid bij hem aan? Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren Van hen, waar uw geweld’narij op teert, Uw booze zaak verlaten; en ik sluit Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!” O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn, Dat in verbonden, vriendschap en geloften Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?

KONING HENDRIK. Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?

GLOSTER. Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.

KONING HENDRIK. Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?

GLOSTER. ’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.

KONING HENDRIK. Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken, En hem kastijden voor zijn snood bedrijf. Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?

TALBOT. Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor; ’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.

KONING HENDRIK. Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los. Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst, En dat het zonde is, vrienden te bespotten.

TALBOT. Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76 Dat gij welras uws vijands val moogt zien.

(Talbot af.)

(Vernon en Basset komen op.)

VERNON. Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!

BASSET. En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!

YORK. Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!

SOMERSET. De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!

KONING HENDRIK. Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken. Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang? Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?

VERNON. Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.

BASSET. En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.

KONING HENDRIK. Wat is die krenking, die u beiden grieft? Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.

BASSET. Toen ik ter zee van England hierheen kwam, Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong Om deze roos beleedigd, die ik draag; Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren Een beeld was van mijns meesters schaamteblos, Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten, Dien hij gehad had met den hertog York, Met verdre lage schimp- en lastertaal; Ter wederlegging van dit grof verwijt, En ter verdediging mijns eed’len meesters, Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.

VERNON. Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst; Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden, Zijn driest vermetel doel vernissen moog’, Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd, Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken, En zeide, dat de bleekheid dezer bloem De lafheid van mijns meesters hart verried.

YORK. Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?

SOMERSET. Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit, Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.

KONING HENDRIK. God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen, Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden Zoo vinnige partijschap zich verheft!— Mijn waarde neven, Somerset en York, Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.

YORK. Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116 Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.

SOMERSET. De strijd gaat niemand aan dan ons alleen, En zij daarom ook door onszelf beslecht.

YORK. Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.

VERNON. Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.

BASSET. Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.

GLOSTER. Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil! En gaat te grond, gij en uw driest gekijf! Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet, Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten? En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel Met zulk een dol gekijf van hen te dulden, Laat staan een grond te delven uit hun taal Om onderling nu zelve twist te zoeken; Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.

EXETER. Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.

KONING HENDRIK. Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert: ’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst: Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.— En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn: In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk! Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien, En dat wij in onszelf oneenig zijn, Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan In koppige ongehoorzaamheid en oproer! En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn, Als vreemden vorsten dit ter oore komt, Dat om een speelgoed, om een nietig ding, De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel, Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren! O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader, Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets, Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds. Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,

(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.)

Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden, Dat Somerset mij liever is dan York; ’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden; Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon, Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet. Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht, Dan ik u leeren of vermanen kan. Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen, Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.— Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt Door ons als uw regentschap u vertrouwd; En, waarde lord van Somerset, vereenig Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk. Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand; Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168 Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren, Na korte rust, dra naar Calais terug, Van daar naar England, waar ik binnenkort Karel, Alençon en heel die bent verraders Door uw triomfen voor mij hoop te zien.

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester, Suffolk en Basset af.)

WARWICK. Mylord van York, de koning, moet ik zeggen, Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.

YORK. Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen, Dat hij de roos van Somerset nu draagt.

WARWICK. Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard; De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.

YORK. Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg; Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.

(York, Warwick en Vernon af.)

EXETER. ’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt; Want, als uw hartstocht uitgebarsten was, Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd, Dan nu zich denken of vermoeden laat. Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man, Die dezen nijd en twist des adels ziet, ’t Wegdringen aan het hof van elk door elk, En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent, Voorziet het naad’ren van een boozen tijd. ’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait; Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt, Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.

(Exeter af.)

TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Bordeaux.

Talbot komt op, met zijn troepen.

TALBOT. Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux, En roep den overste op tot een gesprek.

(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche troepen en Anderen.)

Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept, De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst; En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten, En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen, En huldigt hem als need’rige onderdanen; Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug. Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt, Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen, ’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger, Die uwe torens, fier de wolken tartend, Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk, Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.

BEVELHEBBER. Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil, ’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt! Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17 Tot ons dringt gij niet door dan door den dood; Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst, En sterk genoeg tot uitval en gevecht. En deinst gij af, gereed staat de dauphijn, Om met des oorlogs strikken u te omslingren; Aan beide uw zijden houden troepen wacht En muren u den uitweg toe ter vlucht; En nergens kunt ge om hulp u henenwenden, Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt En u het bleek verderf niet tegentreedt. Tienduizend Franschen namen ’t sacrament, Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen. Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest; Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans, Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed; Want eer het glas, welks zand begint te vloeien, Den afloop meldt van ’t aangevangen uur, Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood, Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.

(Trommen in de verte.)

Hoor! hoort De trom van den dauphijn, een klok, die maant, Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel; U zal de mijne een bang verscheiden galmen.

(De Bevelhebber met de zijnen af.)

TALBOT. Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.— Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.— O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid! Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid, Een kleine, schuwe hertenkudde uit England, Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden; Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht, Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet; Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot, Zoodat het laf en blaffend verre blijft; Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik, Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.— God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een vlakte in Gasconje.

York komt op, met troepen; een Bode nadert hem.

YORK. Zijn nog de vlugge ruiters niet terug, Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden?

BODE. Zij zijn terug, mylord, en geven op, Dat hij is aangetrokken op Bordeaux, Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen, Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden, En verder met hem trokken naar Bordeaux.

YORK. Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset, Die den beloofden bijstand zoo vertraagt: De ruiterij, voor dit beleg verzameld! De groote Talbot rekent op mijn hulp, En mij bedriegt een schurk, een laag verrader, Dat ik den eed’len held niet helpen kan. God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! 15 Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg!

(Sir William Lucy komt op.)

LUCY. O vorst en legerhoofd van Englands kracht, Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was, IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot, Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten, Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld. Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux! Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel!

YORK. O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats! Dan wierd een dapper edelman gered, Door ’t off’ren van een lafaard en verrader. Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af; Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf.

LUCY. Om bijstand roept de held; hij zij verhoord!

YORK. Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord. Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered, Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset.

LUCY. O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig, En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden, Op reis naar zijn krijgshaften vader vond. In zeven jaar zag hem zijn vader niet; Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt.

YORK. Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten, Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten! Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot; Zulk wederzien in de ure van den dood! Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man, Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan. Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd, Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt!

(York met zijn troepen af.)

LUCY. Aldus, terwijl de gier der ijverzucht Zich in de borst van zulke grooten mest, Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim De winst des nauwlijks kouden overwinnaars, Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op. Uit loutre zucht tot tegenkanting geven Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven!