Chapter 8 of 24 · 3887 words · ~19 min read

Part 8

II. 4. 85. Wapenlooze boeren. In ’t Engelsch: crestless yeomen, de vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht hebben om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden den rang van gentleman. Het woord wapenloos is dus in een bijzonderen zin gebruikt.

II. 5. 5. Die grijze lokken enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij stierf; hij was door Sh., op het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward met zijn oom, den ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de aanteekening op Koning Hendrik IV, in deel II.

II. 5. 123. Door eerzucht van de laagste soort gedoofd. Er staat eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder ras, gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als van een jongeren zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten waren.

II. 5. 129. Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. Als het parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht, dat hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem geluk, d.i. de kroon, zal verschaffen.

III. 1. 42. Gij bastaard van mijn grootvader. Hendrik Beaufort, bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina Swijnford.

III. 1. 51. Ruim dan ’t land voor Rome. In het oorspronkelijke met een woordspeling: „Roam thither then.”

III. 1. 71. Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds. Eigenlijk was Hendrik VI slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om de twisten tusschen Gloster en Winchester te beslechten.

III. 1. 138. Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap. „Dit teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt.

III. 2. 10. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren. In ’t Engelsch: Our sacks shall be a mean to sack the city.

III. 2. 44. Het was vol dolik. Dolik, het bedwelmend Raygras, Lolium temulentum, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten er van bedwelmen en met name het gezichtsvermogen verzwakken; in lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene onderzoekers naar aanleiding hunner proeven bevestigd.

III. 2. 94. De stoute Pendragoon. De oud-Engelsche sage verhaalt dit zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, als van zijn broeder Aurelius.

III. 3. 41. Dapper Bourgondië. De maagd van Orleans heeft niet mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, schoon te vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij dezelfde beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond legt. In Holinshed wordt dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh. bekend was, weten wij niet.

III. 4. 39. Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is. Deze bepaling gold voor de verblijfplaats des konings.

IV. 1. 19. Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay. Volgens Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn orde hebben afgenomen.

IV. 1. 153. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, enz. De koning wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik een kroon draag evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid voor dezen vijand van Engeland bewijst.

IV. 6. 54. Zoo volg dan uw Cretenser vader nu. Talbot vergelijkt zich met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog vliegende onderneming in het verderf stortte.

IV. 7. 61. De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury. De lijst der titels en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te Rouaan, maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek te vinden.

V. 1. 28. Wat! is mylord van Winchester verhoogd. En met den kardinaalsrang nu bekleed? De dichter heeft er niet opgelet, dat hij reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) den prelaat, met een anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend.

V. 3. 5. Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote koning over heerscht. De geesten woonden, volgens Reginald Scot’s Discoverie of Witchcraft,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in het noorden, oosten, zuiden en westen, onder vier koningen. De booze geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; de geestenkoning van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen Goap.

V. 3. 48. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers. Suffolk kust zijn eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde.

V. 3. 52. Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.—Deze door Delius voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan het gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de interpunctie der folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van Napels’ koning, wie gij ook wezen moogt.”

V. 5. 83. Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet. In het Engelsch noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw a cooling card; men kan hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, Carduus (of Cnicus) benedictus, die als afkoelend middel bij koortshitte werd aangewend, en schertsenderwijs ook wel eens in geschriften van dien tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt aangehaald.—Toen Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge literarische afkomst, een kleindochter van Engelands grooten dichter Chaucer.

V. 3. 116. Als Englands machtig koning vrijheid heeft. Als hij vrij is in zijn keuze.

V. 4. 74. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Macchiavelli (1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun een voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood van Malta spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van zichzelf.

KONING HENDRIK DE ZESDE.

TWEEDE DEEL.

PERSONEN:

Koning Hendrik de Zesde. Humfried, Hertog van Gloster, zijn oom. Kardinaal Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings. Richard Plantagenet, Hertog van York. Edward en Richard, zijn zonen. De Hertogen van Somerset, van Suffolk, van Buckingham, Lord Clifford en de jonge Clifford, zijn zoon, aanhangers des Konings. De Graven van Salisbury en van Warwick, aanhangers van York. Lord Scales, Commandant van den Tower. Lord Say, Sir Humfried Stafford en zijn broeder William. Sir John Stanley.—Vaux. Walter Whitmore, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman, Zeeroovers. Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen. John Hume en John Southwell, Priesters. Bolingbroke, een Geestenbezweerder. Een Geest, door Bolingbroke bezworen. Thomas Horner, een Wapensmid, en Peter, zijn Knecht. Emanuël, de klerk van Chatham. De Schout van Sint Albaan. Simpcox, een Bedrieger. Twee Moordenaars. Jack Cade. George Bevis, John Holland, Dick de Slager, Smith de Wever en Michaël, aanhangers van Cade. Alexander Iden, een Edelman uit Kent.

Margaretha, Koning Hendriks Gemalin. Eleonore, Hertogin van Gloster. Gretha Jordaan, een Heks. De Vrouw van Simpcox.

Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen. Aldermannen. Een Sheriff en zijn Beambten. Burgers. Gezellen. Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz.

Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een staatsiezaal in het paleis.

Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen.

SUFFOLK. Gelijk mij van uw hooge majesteit De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk, Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid Te huwen met prinsesse Margaretha, Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn Der koningen van Frankrijk en Sicilië, Der hertogen van Orleans, Calabrië, Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen, Volbracht ik uwen last en werd gehuwd; En leg nu onderdanig, op mijn knie, Ten overstaan van England en zijn pairs, Mijn recht op de eed’le koningin in handen Van uw genade, die het wezen zijt Der groote schaduw, die ik heb gespeeld: De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf, De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.

KONING HENDRIK. Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne! Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde, Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept, Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid; Want gij verleendet, in dit schoon gelaat, Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen, Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!

KONINGIN MARGARETHA. Genadig koning, mijn verheven gade! Die innige omgang, die reeds mijn gemoed, Bij dag en nacht, al wakend en in droomen, In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer, Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft, Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten Met minder schoone taal, zooals mìjn geest Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.

KONING HENDRIK. Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken, Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent; Zóó is de volheid van mijn juichend hart.— Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!

ALLEN (knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd!

(Trompetgeschal).

KONINGIN MARGARETHA. U allen onzen dank!

SUFFOLK. Mylord protector, zoo het u behaagt, Ziehier de artik’len van het vreêverdrag, Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel! Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42

GLOSTER (leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning haren vader,”—

(Hij laat het papier vallen).

KONING HENDRIK. Wat is er, oom?

GLOSTER. Vergeef mij, hooge vorst, Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan; Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.

KONING HENDRIK. Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.

KARDINAAL (leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.”

KONING HENDRIK. ’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie: Wij maken u tot eersten hertog Suffolk, En gorden u het zwaard aan.—Neef van York, We ontheffen uw genade van ’t regentschap Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden Verstreken is.—Dank, oom van Winchester, York, Gloster, Buckingham en Somerset, En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick, Wij danken u voor uwen heuschen groet Bij de aankomst van mijn waarde koningin. Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig, Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.

(De Koning, de Koningin en Suffolk af.)

GLOSTER. O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren, Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,— Uw leed, het algemeene leed des lands! Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd, Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd; Had hij zoo vaak het open veld ter woon In winterkoude en dorre zomerhitte, Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren; En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden; Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham, Zeeghafte Warwick, Salisbury en York, In Normandië en Frankrijk diepe wonden; En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf, Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk, Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten, Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend, Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden; En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen, In prille jeugd reeds in Parijs gekroond; En moet die arbeid en die roem vergaan? 95 Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid, Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven? O, pairs van England, smaadvol is die zoen, Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij! Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt De letters weg van uwen lof, verminkt Elk monument van Frankrijks onderwerping, Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!

KARDINAAL. Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken, Die rede met zoo breede omslachtigheid? Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.

GLOSTER. Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen, Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,— Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,— De leenen Maine en Anjou weggeschonken Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.

SALISBURY. Nu, bij den dood van die voor allen stierf, Die landen zijn de poort van Normandië.— Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?

WARWICK. Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren; Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren, Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan. Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide; Met dezen mijnen arm nam ik die in; En steden, die ik voor ons won met wonden, Die geeft men nu terug met vredeswoorden? Mort Dieu!

YORK. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog, Die de eere van dit heldeneiland schendt! Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten, Dan ik in dezen zoen getreden waar’! Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen; En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg, En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!

GLOSTER. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den tocht! Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren, Aleer—

KARDINAAL. Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig. Het was de wil van onzen heer en vorst.

GLOSTER. Mylord van Winchester, ik ken u wel; Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen, ’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141 Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat, ’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef, Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan. Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben, Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.

(Gloster af.)

KARDINAAL. Daar gaat, van woede blakend, de protector. ’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is, Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand, En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings. Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte Het naaste recht bezit op Englands kroon; Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan, En van heel ’t westen ’t rijke koningschap, Voor Gloster bleef er reden om te morren. Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede! Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt, En hem den goeden hertog Humfried noemt, En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt: „Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!” En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!” Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.

BUCKINGHAM. Waartoe behoeft de koning een protector, Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?— Mijn neef van Somerset, vereent u met mij, En allen samen, met den hertog Suffolk; Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.

KARDINAAL. Die wichtige onderneming duldt geen dralen; Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.

(De Kardinaal af.)

SOMERSET. Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons De trots en hooge rang van Humfried kwets’, Laat ons dien stouten kardinaal bewaken. Zijn overmoed is minder nog te dragen, Dan die van al de prinsen van het rijk; Als Gloster valt, zal hij protector worden.

BUCKINGHAM. Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik, Trots hertog Humfried en den kardinaal.

(Buckingham en Somerset af.)

SALISBURY. De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt. Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid, Betaamt het òns voor Englands heil te waken. Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders Dan als een waardig edelman gedroeg. 184 Maar vaak zag ik den stouten kardinaal, Meer op soldatenwijs dan als een priester, Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer, Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs, Een heerscher over land en volk onwaardig.— Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms, Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven, Verwierf u groote gunst bij al het volk, ’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried, En uwe daden, broeder York, in Ierland, Waar gij het volk tot orde hebt gebracht, Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk, Toen gij regent voor onzen koning waart, Verwierven u des volks ontzag en liefde.— Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn, En breid’len en verstikken wij den trots Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht, Die Somerset en Buckingham bezielt; En laat ons Gloster steunen in zijn doen, Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.

WARWICK. God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.

YORK (ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.

SALISBURY (tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t mijne!

WARWICK. Het mijne? Maine, vader, is verloren; Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde! Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne, Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.

(Salisbury en Warwick af.)

YORK. Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk; Parijs ging over; Normandiës behoud Hangt aan een haar, nu die verloren zijn. Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne Twee hertogdommen voor een hertogskind. Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen? Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet. Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven, Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken, Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn; Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren Er luid om weent, en bang de handen wringt, ’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt, Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten, Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht; Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong, Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt. Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland, Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed, Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van den prins van Calydon. Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236 Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde, Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond. Eens komt de dag, dat York het zijne vordert; Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan, En geef den trotschen Humfried goede woorden, En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon; Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel. Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden, Of in de kindervuist den scepter klemmen, Of met den diadeem zijn hoofd versieren, Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt. Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt; Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam, En sla des staats geheimen immer gâ, Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend Met Englands duurgekochte koningin, En Humfried met de pairs in strijd geraken; Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog, Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle, En laat York’s wapen stralen op mijn standaard Ter worstling met het huis van Lancaster; En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd, Die England van zijn luister heeft beroofd!

(York af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster.

Gloster en de Hertogin komen op.

HERTOGIN. Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last? Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd, Als kwelde hem der wereld lieflijkheid? Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten? Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem, Omzet met alle heerlijkheid der wereld? Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat, Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft. Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!— Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer; En hebben wij te zaam hem opgeraapt, Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel, En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen, Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.

GLOSTER. O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade, Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest! Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning, Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht, Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!— Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.

HERTOGIN. Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.

GLOSTER. Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25 Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien, Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal; En op de stukken werden toen de hoofden Geplaatst van Edmond, hertog Somerset, En William de la Pole, nu hertog Suffolk, Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.

HERTOGIN. Wel, dit is anders niets dan een bewijs, Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof, Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal. Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog; ’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,— En in den trotschen zetel, die ter kroning Van koningen en koninginnen dient; En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij, En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.

GLOSTER. Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven; Hoovaardig wezen! booze Eleonora! Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk, En des protectors welbeminde gade? Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens, Ver boven al, wat gij ooit denken kondt? En moet gij immer hoogverraad gaan smeden, Om uwen man, uzelf ook, van den top Der eer te stooten aan den voet der schande? Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!

HERTOGIN. Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore, En dat, omdat zij u haar droom vertelt? ’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf, En zal gekijf vermijden.

GLOSTER. Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.

(Een Bode komt op.)

BODE. Mylord protector, zijne hoogheid wenscht, Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen, Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.

GLOSTER. Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?

HERTOGIN. Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.

(Gloster en de Bode af.)

Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet; Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt. Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed, Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg, En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts; En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.— Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang; Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.

(John Hume komt op.)

HUME. Behoede Jezus uwe majesteit!

HERTOGIN. Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.

HUME. Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen Voorzeker uw genade in macht en eer. 73

HERTOGIN. Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks, En Roger Bolingbroke, den duivelbanner? Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?

HUME. Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen, Die op de vragen, die uw hoogheid hem Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.

HERTOGIN. Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken. Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn, Zij alles naar behooren uitgevoerd. Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed Met uwe helpers in dit groote werk.

(De Hertogin af.)