Part 14
KONING HENDRIK. Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13 En dat mijn dank en lof u welkom zij!— Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij; Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint; Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd, Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij, Hem nimmer liefdeloos bevinden zult. En zoo, u allen dankend en vergevend, Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.
ALLEN. God behoede den koning! God behoede den koning!
(Een Bode komt op).
BODE. ’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren: Zoo even komt de hertog York uit Ierland, En rukt, met groote en sterke legermacht, Van Galloglassen en van forsche Kernen, Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend, Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning, Dan van het hof den hertog Somerset,— Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.
KONING HENDRIK. Zoo ben ik tusschen Cade en York benard, Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt, Pas rustig, door een kaper wordt geënterd; Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid, Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan. Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet, Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg, Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;— Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf, Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.
SOMERSET. Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis, Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.
KONING HENDRIK (tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen barsche taal, Want heftig is hij en verdraagt dit niet.
BUCKINGHAM. ’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid, Dat alles zich ten uwen beste keert.
KONING HENDRIK. Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.
(Allen af.)
TIENDE TOONEEL.
Kent. Iden’s tuin.
Cade komt op.
CADE. O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm, en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.
(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.)
IDEN. O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren, Die zulk een rustig wandelplekje heeft? Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet, Bevredigt mij, is mij een koninkrijk. Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen, Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd; Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven, Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.
CADE. Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk, gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij tweeën van elkander scheiden.
IDEN. Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn, Ik ken u niet; wat zou ik u verraden? Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd, En als een dief hier in mijn hof komt stelen, Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt, Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?
CADE. U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden, en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit meer één grassprietje te eten krijg. 44
IDEN. Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat, Dat Alexander Iden, Kenter landheer, Met overmacht een hong’rig man bevocht. Richt vast uw starend oog nu op het mijne, En zie, of gij met blikken mij bedwingt; Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer; Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist, Uw been een stok, naast dezen stam gezien, Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht; En zoo ik in de lucht mijn arm verhef, Is u in de aard alreeds uw graf gedolven. Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt, Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.
CADE. Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor, gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70
IDEN. Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader? Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad; Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf; Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt, Gij zult het dragen als een wapenkleed, Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.
CADE. Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben overwonnen door den honger, niet door dapperheid.
(Hij sterft.)
IDEN. Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God! Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg! En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet, Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel. Thans sleep ik bij uw hielen u van hier Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn; Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af, Dat ik den koning zegevierend breng, Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten.
(Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een veld tusschen Dartford en Blackheath.
Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen afstand.
YORK. Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht, En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks; Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend, En groet den echten vorst van ’t machtig England. Sancta majestas! wie kocht u niet duur? Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan; De hand hier werd gevormd om enkel goud, Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden Kan zij de volle kracht en klem niet geven, Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht. En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben, Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.
(Buckingham komt op.)
Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen? De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.
BUCKINGHAM. Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.
YORK. Humfried van Buckingham, dank voor uw groet. Komt gij als bode hier, of uit uzelf?
BUCKINGHAM. Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst, Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning? Waarom hebt gij, een onderdaan als ik, Trots uwen eed en uw bezworen trouw, Zulk leger zonder machtiging gelicht, En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?
YORK (ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik. O, rotsen kon ik kloven, keien werpen, Zoo toornig word ik bij die snoode taal; Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius, Mijn woede op ossen en op schapen koelen. Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning, Meer koning in mijn denken, in mijn aard; Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen, Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.— (Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede, Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf; Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen. Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,— Den trotschen Somerset het hof doen ruimen, Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37
BUCKINGHAM. Te veel aanmatiging van u, voorwaar! Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel, Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd; De hertog Somerset is in den Tower.
YORK. Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?
BUCKINGHAM. Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.
YORK. Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.— Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans; Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld, Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht. En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik, Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons, Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen; Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb, ’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.
BUCKINGHAM. Die need’rige onderwerping prijs ik, York; Gaan wij te zamen naar des konings tent.
(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.)
KONING HENDRIK. Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten, Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?
YORK. In alle need’righeid, vol onderwerping, Verschijnt hier York voor uwe majesteit.
KONING HENDRIK. En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?
YORK. Den valschen Somerset van hier te drijven, En de’ aartsverrader Cade een les te geven;— Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.
(Iden komt op, met Cade’s hoofd.)
IDEN. Als een eenvoudig man, zoo laag van rang, Voor de oogen van een koning treden mag, Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd, Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.
KONING HENDRIK. Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!— O, laat mij het gelaat des dooden zien, Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft. Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?
IDEN. Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.
KONING HENDRIK. Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?
IDEN. Alexander Iden is mijn naam, uit Kent, Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.
BUCKINGHAM. Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed, Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.
KONING HENDRIK. Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78 Wij geven u tot loon éénduizend mark, En willen, dat gij voortaan om ons zijt.
IDEN. Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig; Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.
(Hij rijst op.)
KONING HENDRIK. Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset! Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.
(Koningin Margaretha en Somerset komen op.)
KONINGIN MARGARETHA. Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks, Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.
YORK. Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York, Ontboei uw langgekerkerde gedachten, En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart. Zou ik het zien van Somerset verdragen?— Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord, Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld? Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning; Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len, Die geen verrader teug’len durft noch kunt? Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd, Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen, Een echten vorstenscepter siert zij niet. Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne, Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer, Door zijn verand’ring dooden kan of heelen. Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend, ’t Gezag der wetten klem verleenen kan. Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.
SOMERSET. O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam; Kniel, driest verrader; vraag genade, York.
YORK. Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen, Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’. Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;
(Een van York’s volgers af.)
Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan, Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.
KONINGIN MARGARETHA. Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen; Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.
(Buckingham af.)
YORK. Napolitaansche, gij, met bloed bespat, Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê; York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte, Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem, Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121
(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op; van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.)
Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.
KONINGIN MARGARETHA. En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.
CLIFFORD. Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!
(Hij knielt.)
YORK. Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden? Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken; Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens; En deze uw dwaling willen we u vergeven.
CLIFFORD. Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet; Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;— Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?
KONING HENDRIK. Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.
CLIFFORD. Een aartsverrader; zend hem naar den Tower, En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.
KONINGIN MARGARETHA. Hij is er toe verwezen, maar hij weigert; Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.
YORK. Dat doet gij, zoons, niet waar?
EDWARD. Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.
RICHARD. En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.
CLIFFORD. Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!
YORK. Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam; Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.— Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren, Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’; Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.
(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.)
CLIFFORD. Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood, En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen, Als gij hen op de kampplaats brengen durft.
RICHARD. Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond Omsprong en beet, omdat men hem weerhield, Maar losgelaten op den berenklauw, Met ingetrokken staart begon te janken; En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op, Als gij u met lord Warwick waagt te meten.
CLIFFORD. Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen, Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158
YORK. Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.
CLIFFORD. Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!
KONING HENDRIK. Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen? En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar, Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!— Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard En zoekt met uwen bril het onheil op? O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid? Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd, Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?— Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven, Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren? Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft? Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar? O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie, Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.
SALISBURY. Mylord, gewogen heb ik in mijzelf De aanspraken van den hoogberoemden hertog, En naar geweten acht ik volgens ’t recht Hem erfgenaam van Englands koningstroon.
KONING HENDRIK. Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?
SALISBURY. Dat heb ik.
KONING HENDRIK. Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?
SALISBURY. ’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen, Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden. Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden. Een moord te doen, diefstal en roof te plegen, Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen, Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken, Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,— En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht, Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?
KONINGIN MARGARETHA. Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.
KONING HENDRIK. Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.
YORK. Roep Buckingham en al uw vrienden op; Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!
CLIFFORD. Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.
WARWICK. Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen; Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.
CLIFFORD. Ik ben besloten grooter storm te tarten, Dan uw bezwering heden op kan roepen; En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven, Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201
WARWICK. Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi, Den opgerichten beer aan de’ ouden paal, Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,— Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt, Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,— Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.
CLIFFORD. En van uw stormhoed ruk ik u dien beer En treed dien vol verachting in het stof; Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.
DE JONGE CLIFFORD. En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader, Ter fnuiking van de muiters en hun bent!
RICHARD. Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal! U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.
DE JONGE CLIFFORD. Geteekende, wis niet door uw bestel!
RICHARD. Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.
(Allen af, naar verschillenden kant.)
TWEEDE TOONEEL.
Sint-Albaans.
Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op.
WARWICK. Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep! Indien gij niet u voor den beer verschuilt, Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast En stervenskreten de ijle lucht vervullen, Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij! Noordlandsche trotsche lord van Cumberland, Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.
(York komt op.)
Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?
YORK. Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros; Maar leer om leer heb ik het hem vergolden, En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was, Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.
(Clifford komt op.)
WARWICK. Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.
YORK. Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild; Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.
WARWICK. Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.— Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford, Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.
(Warwick af.)
CLIFFORD. Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?
YORK. Ik wierd op uwe dapperheid verliefd. Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.
CLIFFORD. Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22 Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.
YORK. Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard, Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.
CLIFFORD. Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!
YORK. Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!
(Zij vechten. Clifford valt.)
CLIFFORD. La fin couronne les oeuvres!
(Hij sterft.)
YORK. Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil! Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!
(York af.)
(De jonge Clifford komt op.)
DE JONGE CLIFFORD. Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht. Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel, Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest, Werp in de ijskoude borsten van ons leger Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’! Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint, Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval, Den naam van dapper.—
(Hij ziet het lijk zijns vaders.)
Booze ’wereld, eindig! En gij, vervroegde vlammen des gerichts, Boeit aarde en hemel saâm! Weergalme nu des jongsten dags bazuin, En overstemm’ die elken aardschen klank, Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader, In vrede uw jeugd te zien verloren gaan, Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid, In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is, Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet, Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur; En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht, Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie. Niets wil ik nu voortaan van deernis weten; Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York, Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed; Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve. Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,
(Hij neemt het lijk op.)
Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg, Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders; Maar hij droeg toen een last, die leven had, Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.
(De jonge Clifford af.)
(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt gedood.)
RICHARD. Zoo, lig gij daar!— 66 Want onder eener herberg uithangschild, „’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem. Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden: Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.
(Richard af.)
(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Anderen komen op, terugtrekkende.)
KONINGIN MARGARETHA. Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!
KONING HENDRIK. Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!
KONINGIN MARGARETHA. Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten? Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand, Te wijken voor den vijand, ons te bergen Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.
(Strijdgedruisch op een afstand.)
Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,— Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,— Dan zijn wij dra te Londen, waar men u Genegen is, en waar wij deze bres In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.
(De jonge Clifford komt weder op.)
DE JONGE CLIFFORD. Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil, Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried; Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid Beheerscht het hart al onzer vrienden hier. Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven! Voort, voort, mijn vorst, van hier!
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een veld bij Sint-Albaans.
Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels.
YORK. Wie weet iets van den ouden Salisbury? Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet, En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen, Zoo Salisbury ontbreekt.
RICHARD. Mijn eed’le vader, Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard, Stond driemaal over hem, en voerde driemaal Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd; Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem; Als in een arme hut een rijk tapijt, Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil. Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14
(Salisbury komt op.)