Part 20
KONING LODEWIJK. Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford, Op ons verzoek een poos ter zij te treden, Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek.
KONINGIN MARGARETHA. God geve, dat diens taal hem niet beheks’!
(Zij treedt met Prins Edward en Oxford ter zijde.)
KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af, Is Edward waarlijk koning, want ik knoop Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst.
WARWICK. Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is.
KONING LODEWIJK. Maar heeft hij wijding in het oog des volks?
WARWICK. Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had.
KONING LODEWIJK. Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk De mate van de liefde, die hij voedt Voor onze zuster.
WARWICK. Zoo doet die zich voor, Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt. Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren; Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde, Die in den grond der deugd haar wortels heeft, Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid. Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen, Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’.
KONING LODEWIJK. Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren.
BONA. Uw ja of neen zal ook het mijne zijn; (Tot Warwick.) Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds, Als ik uws konings gaven hoorde roemen, Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte.
KONING LODEWIJK. Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade; En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen Omtrent den weduwschat, dien England toekent, Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.— Treed nader, koningin, en wees getuige, Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning.
PRINS EDWARD. Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. 140
KONINGIN MARGARETHA. Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan, Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken; Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend.
KONING LODEWIJK. En blijft dit steeds voor hem en Margaretha; Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak, Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken, Dan is het billijk, dat ik van de hulp Ontheven zij, voorheen u toegezegd. Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst, Dien gij behoeft en ik verleenen kan.
WARWICK. Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland, Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan. En gij, gewezen koningin van England, Hebt hier uw vader om voor u te zorgen; Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen.
KONINGIN MARGARETHA. Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg, Gij trotsche koningsschepper en verdelger! Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen, Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon, Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde; Want vogels zijt ge beî van eender veeren.
(Horengeschal.)
KONING LODEWIJK. Warwick, een renbode is ’t voor u of mij.
(Een Bode komt op.)
BODE. (Tot Warwick.) Ik breng, heer afgezant, een brief u over, Van uwen broeder, markgraaf Montague;— (Tot Lodewijk.) Aan uwe majesteit van onzen koning;— (Tot Margaretha.) Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien.
(Allen lezen hun brieven).
OXFORD. Recht goed, dat onze schoone meesteres Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt.
PRINS EDWARD. En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld; Ik hoop er ’t beste van.
KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, spreek! Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin?
KONINGIN MARGARETHA. Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop.
WARWICK. De mijne brengt mij veel verdriet en kommer.
KONING LODEWIJK. Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? 174 En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant? Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt? En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen?
KONINGIN MARGARETHA. Ik heb het aan uw majesteit voorspeld; Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer.
WARWICK. Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel, En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,— Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert, Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag. Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden? Gezwegen bij de onteering van mijn nicht? Zijn hoofd omgeven met de koningskroon? Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken? En word ik in het eind met schimp beloond? Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt, Die hij mij roofde; en om die weer te winnen, Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik. Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok; Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar. Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik, En Hendrik breng ik op zijn ouden troon.
KONINGIN MARGARETHA. Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde; En ik vergeef, vergeet alle oude schuld, Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt.
WARWICK. Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend, Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan, Ik op mij neem, op onze kust te landen, Door krijg den dwing’land van den troon te storten. Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat; En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt, Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken, Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer, Dan veiligheid of sterkte van ons land.
BONA. Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden, Zoo gij deze arme koningin niet steunt?
KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven, Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt?
BONA. Mijn strijd en die der koningin zijn een.
WARWICK. En ook de mijne is een er mee, prinses.
KONING LODEWIJK. Bij dien van u, van haar, van Margaretha, Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt.
KONINGIN MARGARETHA. Laat mij voor allen u eerbiedig danken.
KONING LODEWIJK. Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg 222 Den valschen Edward, uw vermeenden koning, Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal, Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len. Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee.
BONA. Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.
KONINGIN MARGARETHA. Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd En sta gereed, het harnas aan te gespen.
WARWICK. Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt, En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt. Hier, neem uw loon, en ga!
(Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.)
KONING LODEWIJK. Ja, Warwick, gij, En Oxford, en vijfduizend man met u, Steekt over en bestrijdt den valschen Edward; En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe, Alsook de prins, met versche troepen volgen. Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op: Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw?
WARWICK. Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw: Indien mijn koningin en prins het willen, Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter, Terstond met hem door heil’gen echt verbinden.
KONINGIN MARGARETHA. ’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel. Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon; Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick, En met de hand uw onverbreek’lijk woord, Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt.
PRINS EDWARD. Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het; En hiervoor zij mijn hand het onderpand.
(Hij reikt aan Warwick de hand.)
KONING LODEWIJK. Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam, En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks, Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.— Zij nederlaag en dood nu Edwards lot, Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot!
(Allen af, behalve Warwick.)
WARWICK. Als afgezant van Edward kwam ik hier, Doch ga terug als zijn gezworen vijand. Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len, Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek. Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen? Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed. Ik was de man, die hem ten troon verhief; Ik wil de man zijn, die hem vallen doet. Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel, Doch straffen wil ik Edwards guichelspel.
(Warwick af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in het paleis.
Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op.
GLOSTER. Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u Van dezen nieuwen echt met lady Grey? Kon onze broeder beter keuze doen?
CLARENCE. Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk; Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?
SOMERSET. Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.
GLOSTER. Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.
CLARENCE. Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.
(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.)
KONING EDWARD. Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus, Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?
CLARENCE. Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick, Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed, Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.
KONING EDWARD. En duiden zij ’t ook euvel zonder grond, Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward, Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16
GLOSTER. Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt; Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.
KONING EDWARD. Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?
GLOSTER. Neen, neen, ik niet; Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen, Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.
KONING EDWARD. Nu, afgezien van spot of tegenzin, Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;— En gij ook, Somerset en Montague, Zegt ronduit uwe meening.
SOMERSET. Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.
GLOSTER. En Warwick, die daar uwen last volbracht, Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33
KONING EDWARD. En als ik beide’ eens kon tevredenstellen Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?
MONTAGUE. Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk, Ons tegen vreemde stormen meer versterkt, Dan eenige echt met een landsdochter doet.
HASTINGS. Weet Montague dan niet, hoe veilig England Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?
MONTAGUE. Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.
HASTINGS. Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd! Laat ons door God en van de zee gedekt zijn, Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk; Verweren wij ons enkel met hun hulp; In hen en in onszelf ligt onze kracht.
CLARENCE. Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings, De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.
KONING EDWARD. Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst; En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.
GLOSTER. Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed, Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw De erfdochter weg te schenken van lord Scales; Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe; Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.
CLARENCE. Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon Lord Bonville’s erfgename niet bestemd, En zoo uw broeders elders laten uitzien.
KONING EDWARD. Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw, Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.
CLARENCE. Uw eigen keus getuigde van uw oordeel; Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund, Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed; En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.
KONING EDWARD. Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn En niet gebonden aan zijns broeders wil.
KONINGIN ELIZABETH. Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde, Mij als zijn gade vorstenrang te schenken, Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,— Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt. Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert, Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte, Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.
KONING EDWARD. Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75 Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen, Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend En hun monarch is, wien zij moeten dienen? Zij zullen ’t doen en u beminnen ook, Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft; En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds, En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.
GLOSTER (ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.
(Een Bode komt op.)
KONING EDWARD. Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten Uit Frankrijk?
BODE. Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden, Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen, Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.
KONING EDWARD. Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort, Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord. Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?
BODE. Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid: „Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning, „Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal, „Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”
KONING EDWARD. Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik. Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?
BODE. Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid: „Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar „Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”
KONING EDWARD. Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen; Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade? Want naar ik hoorde, was zij mede daar.
BODE. Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af, „En sta gereed, het harnas aan te gespen.”
KONING EDWARD. Het schijnt, zij wil voor amazone spelen. Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?
BODE. Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit Dan al die and’ren, gaf mij dit in last: „Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt, „En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”
KONING EDWARD. Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112 Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe, En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots. Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?
BODE. Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap, Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.
CLARENCE. Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste. Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast; Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter, Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk, In huwlijksglans voor u niet onderdoe.— Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.
(Clarence af, gevolgd door Somerset.)
GLOSTER (ter zijde). Niet ik; Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.
KONING EDWARD. Wat Clarence, Somerset naar Warwick over! Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend; Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.— Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers; Rust alles duchtig tot den oorlog toe. Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn; Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.
(Pembroke en Stafford af.)
Doch voor ik ga, Hastings en Montague, Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren, Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na; Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij? Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem; Een vijand is mij liever dan een schijnvriend; Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden, Zoo geve een eed van u mij zekerheid, Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!
MONTAGUE. Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!
HASTINGS. En Hastings, als hij u te dienen wenscht.
KONING EDWARD. En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?
GLOSTER. Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.
KONING EDWARD. Goed, dan ben ik van de overwinning zeker. Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen, Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een vlakte in Warwickshire.
Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen.
WARWICK. Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed; In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.
(Clarence en Somerset komen op.)
Doch zie, daar komen Somerset en Clarence! Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?
CLARENCE. Heb daar, mylord, geen zorg voor.
WARWICK. Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom; Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid, Argwaan te koest’ren, als een edel hart Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt; ’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder, Is een geveinsde vriend slechts van ons doen; Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.— Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld, Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd, Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid, En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft, Hem te overromp’len en naar wensch te vatten? ’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij, Gelijk Ulysses en held Diomedes Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden, Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld, De wacht van Edward onvoorziens verslaan, Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden, Want enkel hem verrassen is mijn doel.— Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt, Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!
ALLEN. Ho! Hendrik! Hendrik!
WARWICK. En nu, den tocht aanvaard in alle stilte! Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Edwards legerkamp bij Warwick.
Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.
EERSTE WACHTER. Komt, makkers, ieder man nu op zijn post; De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.
TWEEDE WACHTER. Wat, gaat hij niet te bed?
EERSTE WACHTER. Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan, Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten, Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.
TWEEDE WACHTER. Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn. Als Warwick zoo nabij is als men zegt.
DERDE WACHTER. Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman, Die met den koning in zijn tent hier slaapt?
EERSTE WACHTER. Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.
DERDE WACHTER. O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning, Dat al zijn volk schier in de steden ligt, Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14
TWEEDE WACHTER. ’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.
DERDE WACHTER. Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust; Die heb ik liever dan gevaar en eer. Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan, Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.
EERSTE WACHTER. Als onze hellebaarden hem niet hoedden.
TWEEDE WACHTER. Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent, Dan om een overval bij nacht te keeren!
(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle stilte.)
WARWICK. Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht. Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer! Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.
EERSTE WACHTER. Wie daar?
TWEEDE WACHTER. Blijft staan, of sterft!
(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men Gloster en Hastings vluchten.)
SOMERSET. Wie zijn het, die daar vluchten?
WARWICK. Richard is ’t, Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.
KONING EDWARD. Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden, Heette ik uw koning!
WARWICK. Ja, maar ’t is nu anders. Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan, Toen heb ik u als koning afgezet, En thans benoem ik u tot hertog York. Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren, Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert, Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt, Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt, Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt, Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.
KONING EDWARD. Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij? Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.— Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot, Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen, Zal Edward steeds als koning zich gedragen; Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver, Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.
WARWICK. Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, 48
(Hij neemt hem de kroon af.)
Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.— Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg, Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder, Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd. Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden, Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.— En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.
KONING EDWARD. De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad; En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.
(Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.)
OXFORD. En wat blijft ons nu nog te doen, mylords, Dan met ons heer naar Londen op te rukken?
WARWICK. Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen, Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden, En weer te plaatsen op zijn koningstroon.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in het paleis.
Koningin Elizabeth en Rivers komen op.
RIVERS. Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?
KONINGIN ELIZABETH. Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren, Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?
RIVERS. Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?
KONINGIN ELIZABETH. Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.
RIVERS. Is dus mijn heer en vorst gedood?
KONINGIN ELIZABETH. Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen, Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried, Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep; En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede Des aartsbisschops van York is toevertrouwd, Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.
RIVERS. Ik moet erkennen, ’t is een zware slag; Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren; Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.
KONINGIN ELIZABETH. Die hoop belet de smart, mij te verteren; Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre, Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot; Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len, Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20 Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug, En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou; Licht ware traan of zuchten ten verderve Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!
RIVERS. En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?
KONINGIN ELIZABETH. Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt, En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil. Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt. Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,— Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,— IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats En red den erfgenaam van Edwards recht; Daar ben ik veilig voor geweld en list. Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is; Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.
(Beiden af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een park bij het slot Middleham in Yorkshire.
Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op.
GLOSTER. Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley, Verbaast u langer niet, dat ik hierheen In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde. Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward Is als gevang’ne bij den bisschop hier, Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt, Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt, Zich met de jacht vermakend, hierheen komt. ’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd, Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt, Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken, Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt En zijn gevangenschap verbreken kan.
(Koning Edward en een Jager komen op.)
JAGER. Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.
KONING EDWARD. Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.— Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren, Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?
GLOSTER. De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed. Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.
KONING EDWARD. Maar waarheen wilt gij nu?
HASTINGS. Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.
GLOSTER. Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.
KONING EDWARD. Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.
GLOSTER. Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.