Part 10
GLOSTER. Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in uwe stad, en dingen, die men zweepen noemt?
MAYOR. O ja, mylord, om uwe genade te dienen.
GLOSTER. Zend er dan dadelijk om een.
MAYOR. Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier.
(Een Dienaar gaat heen.)
GLOSTER. Breng mij terstond een zitbank. (Er wordt een zitbank gebracht.) Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over deze zitbank en loop weg.
SIMPCOX. Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan; Al pijnigt gij mij ook, het is om niet.
(De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich heeft.)
GLOSTER. Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij over die zitbank springt.
STOKKEKNECHT. Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit.
SIMPCOX. Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan.
(Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt Simpcox over de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep: „Mirakel!”)
KONING HENDRIK. God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig?
KONINGIN MARGARETHA. ’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag loopen.
GLOSTER. Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê.
VROUW SIMPCOX. Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan.
GLOSTER. Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek; En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn.
(De Mayor, de Stokkeknecht, Simpcox’ Vrouw en de Anderen af.)
KARDINAAL. Een wonder heeft heer Humfried daar verricht.
SUFFOLK. Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162
GLOSTER. Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden, Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.
(Buckingham komt op.)
KONING HENDRIK. Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?
BUCKINGHAM. Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen. Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind, Heeft, met de hulp en medeplichtigheid Van des protectors gade Eleonore, De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot, Met schandlijk overleg uw troon bedreigd, Met heksen en bezweerders in verbond; Wij hebben hen op heeter daad betrapt, Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden, Hun vroegen naar het leven en den dood Des konings en der leden van zijn raad, Zooals uw hoogheid nader hooren zal.
KARDINAAL. En dus, mylord protector, moet uw gade Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen. (Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af, En aan uw uur zult gij u wel niet houden.
GLOSTER. Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken. Gebroken is mijn kracht door zorg en leed, En overweldigd wijk ik thans voor u, Ja, voor den laagsten knecht.
KONING HENDRIK. O God, wat onheil stichten toch de boozen; Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!
KONINGIN MARGARETHA. Gloster, gij ziet de smetten van uw nest; Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.
GLOSTER. Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd Mijn liefde aan land en koning heb gewijd; Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat, En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde. O, edel is zij, maar indien zij deugd En eer vergat, en omging met gespuis, Dat, zooals pik, een edel huis besmet, Verban ik haar van mij, mijn disch en bed; Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande, Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.
KONING HENDRIK. Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten, En morgen keeren wij naar Londen weer, Doorgronden daar de zaak met alle zorg, En dagen de euveldaders ten verhoor, En wegen alles in de juiste schalen Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.
(Trompetgeschal. Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Londen. De tuin van den Hertog van York.
York, Salisbury en Warwick komen op.
YORK. Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick, Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal, Op deze stille wand’ling mij geruststel, En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.
SALISBURY. Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.
WARWICK. Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed, Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.
YORK. Zoo hoort:— Edward de derde, lords, had zeven zoons: Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins; Ten tweede William Hatfield; Lionel, Hertog van Clarence, was de derde; dan Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster; Dan verder Edmond Langley, hertog York; Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde; William van Windsor was de laatste en zevende. Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader, En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven Des derden Edwards zat op Englands troon, Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster, De zoon en erfgenaam van Jan van Gent, Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam, Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong, Zich meester maakte, de arme koningin Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret, Alwaar, zooals u beiden is bekend. De goede Richard schandlijk werd vermoord.
WARWICK. ’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt; Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.
YORK. Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht; Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen, Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.
SALISBURY. Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.
YORK. De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na, Philippa, die met Edmond Mortimer, Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon, Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.
SALISBURY. Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39 De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,— En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower Hem levenslang in hechtnis had gehouden; Doch ga nu voort.
YORK. Zijn oudste zuster, Anna, Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon. Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde Roger, den graaf van March, en die was zoon Van Edmond Mortimer en van Philippa, Die de een’ge dochter was van Lionel, Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.
WARWICK. ’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn? Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent, Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden. Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen; Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons, De schoone spruiten van den eed’len boom. Dies, vader Salisbury, hier saam geknield! Laat ons op stille plek hier de eersten zijn, Die onzen echten souverein begroeten, Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.
BEIDEN. Lang leve koning Richard, onze heer!
YORK. Wij danken, lords; doch koning ben ik niet, Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster; En dit is geenszins plotsling te volvoeren, Maar eischt beleid en stille heimlijkheid. Doet zooals ik in dezen boozen tijd, Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid, Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven, En dat van Buckingham en heel hun bent, Tot zij den herder van de kudde omstrikken, Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried. Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.
SALISBURY. Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.
WARWICK. Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick York’s hertog eens tot koning maken zal.
YORK. En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg, Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick De grootste man in England na den koning.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een Gerechtszaal.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York, Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster, Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht binnengeleid.
KONING HENDRIK. Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw. Voor God en ons is uwe misdaad groot; Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden, Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.— Gij and’re vier, terug naar uwen kerker; En uit den kerker naar de plaats der straf: Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand; U drieën wacht de wurging aan de galg.— Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer, Drie dagen openbare boete doen, Dan in uw eigen land verbannen leven, Bij Sir John Stanley op het eiland Man.
HERTOGIN. Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.
GLOSTER. Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd, Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.
(De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.)
Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart. Ach, deze schande van uw ouderdom Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.— Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan; Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.
KONING HENDRIK. Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat, Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen Protector zijn; en God zij nu mijn hoop, Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet! En ga in vrede, mij niet minder dierbaar, Dan vroeger als protector van uw vorst.
KONINGIN MARGARETHA. Ik zie niet in, waarom een mondig koning Beschermd behoeft te worden als een kind.— Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!— Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.
GLOSTER. Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik; ’k Hergeef u even gaarne dezen staf, Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf; ’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw, Als and’rer hand hem gretig vatten zou. Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden, Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.
(Gloster af.)
KONINGIN MARGARETHA. Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39 En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf, Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal: Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt, En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.
SUFFOLK. Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd; Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.
YORK. Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid, Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald; En klager en beklaagde staan gereed, De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk, Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.
KONINGIN MARGARETHA. Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.
KONING HENDRIK. In Gods naam, regelt dan de plaats en alles; De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!
YORK. Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan, Zoo angstig om te vechten, als de klager, Die dienaar van den wapensmid, mylords.
(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager. Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.)
EERSTE BUURMAN. Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan.
TWEEDE BUURMAN. En hier is een kroes Charneco, buurman.
DERDE BUURMAN. En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en wees niet bang voor dien gezel!
HORNER. Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een knip voor den neus voor Peter!
EERSTE GEZEL. Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.
TWEEDE GEZEL. Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de eer op van de gezellen!
PETER. Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag; want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem, gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.
SALISBURY. Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij knaap, hoe heet gij?
PETER. Peter, inderdaad.
SALISBURY. Peter,—hoe nog meer?
PETER. Stomp. 84
SALISBURY. Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.
HORNER. Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op een slag, die neerkomt!
SALISBURY. Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel. Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’!
(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.)
HORNER. Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.
(Horner sterft.)
YORK. Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw meester in den weg kwam.
PETER. O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht.
KONING HENDRIK. Breng dien verrader weg en uit ons oog; Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was; En de algerechte God heeft ons onthuld De trouw en onschuld van deze’ armen knaap, Dien hij met boos geweld vermoorden wilde. Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Een straat.
Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad.
GLOSTER. Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk; En zoo volgt op den zomer steeds de winter, Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden. Hoe laat is ’t, mannen?
DIENAAR. Bijna tien, mylord.
GLOSTER. Tien was het uur, waarop ik wachten moest Op ’t komen van mijn boetedoende gade; Hoe zal haar teedere en verwende voet Der straten scherpe keien ooit verduren? Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd, Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart En bij uw schande lacht met boozen blik, Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets, Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt. Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen, Bereid ik voor, om haar ellend te zien.
(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.)
DIENAAR. Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17
GLOSTER. Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.
HERTOGIN. Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien? Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren; Zie, hoe de wufte menigte op u wijst, Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt! Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek Uw felle haters, beide de uwe en mijne.
GLOSTER. Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!
HERTOGIN. O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet! Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben, En gij een vorst, protector van dit land, Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden, Bekneld in smaad, behangen met papieren, Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort. Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet; En krimp ik saam, dan lacht het booze volk En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan. O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen? Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie, Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien? Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht, ’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel! Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw, En hij een prins en een regent van ’t rijk; Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst, Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos, Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!” Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande; En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn; Want Suffolk, hij, die alles is in alles Bij haar, die ù haat en ons allen haat, En York, en ook die valsche paap, Beaufort,— Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels; En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u; Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is, En kom vooral uw vijand nimmer voor.
GLOSTER. O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd; ’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd; Al waren mijne haters twintigvoud, En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd, Zij allen konden mij in ’t minst niet deren, Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben. Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64 Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt, Maar ik om wetsverkrachting in gevaar. Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora; Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak Van weinig dagen is weldra gedaan.
(Een Heraut komt op.)
HERAUT. Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden.
GLOSTER. En zonder om mijn toestemming te vragen! Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.
(De Heraut af.)
Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff, Beperk u bij haar boete tot het vonnis.
SHERIFF. Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier; Aan Sir John Stanley is nu opgedragen Haar mee te nemen naar het eiland Man.
GLOSTER. Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?
STANLEY. Ja, uw genade, dit heb ik in last.
GLOSTER. Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag, Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik Nog leven om het goede u te vergelden, Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.
HERTOGIN. Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?
GLOSTER. Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.
(Gloster en zijn Dienaren af.)
HERTOGIN. Ook gij dus heen? Ga alle troost met u; Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,— De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed, Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.— Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg; Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst; Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.
STANLEY. En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94 Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.
HERTOGIN. Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad; Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?
STANLEY. Als van een hertogin en Gloster’s gade; Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.
HERTOGIN. Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef, Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.
SHERIFF. Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.
HERTOGIN. ’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.— Kom, Stanley, gaan wij?
STANLEY. Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af; En gaan we u hullen in een reisgewaad.
HERTOGIN. ’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af; Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen, En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi. Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis.
(Allen af.)
DERDE BEDRIJF
EERSTE TOONEEL.
De abdij te Sint Edmund’s Bury.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York, Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting.
KONING HENDRIK. ’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt, Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,— Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.
KONINGIN MARGARETHA. Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien, Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd? Met welk een majesteit hij zich gedraagt, Hoe overmoedig hij geworden is, Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach? Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk; En blikten wij, van verre zelfs, hem aan, Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed Was de bewondring van geheel het hof. Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend, Als toch een ieder goeden morgen wenscht, Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog, En gaat met ongebogen knie voorbij, De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend. Wie let er op, als kleine hondjes keffen? Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen; En Humfried is in England geen klein man. Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed, En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou. Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,— Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt, En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,— Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft. Door vleien won hij der gemeenten gunst, En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,— Dit is te duchten,—allen hem gedwee. ’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels; Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33 Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij ’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren. Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees; En moet die vrees voor beter gronden wijken, Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.” Mylords van Suffolk, Buckingham en York, Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb; Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.
SUFFOLK. Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien; En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen, ’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld. De hertogin begon, zoo waar ik leef, Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten; En was hij niet in deze schuld betrokken, Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,— Als die de naaste staat aan Englands troon, En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle, In ’t brein geschokte hertogin wis aan, Om boos naar onzes vorsten val te streven. Glad stroomt het water van een diepe beek, Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud. Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil? Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man, Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.
KARDINAAL. Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?
YORK. En hief hij niet, toen hij protector was, In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond, Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?
BUCKINGHAM. Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre Verborgen feilen van dien gladden hertog, Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.
KONING HENDRIK. Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk; Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen? Van onzen oom van Gloster is het denken Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre, Als van een zuigend lam of zachte duif. De hertog is te zacht en welgezind, Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.
KONINGIN MARGARETHA. Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen! Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd, Want als een booze raaf is hij gezind. Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend; Als van een fellen wolf is zijn gemoed; Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil? Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.
(Somerset komt op).
SOMERSET. Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!
KONING HENDRIK. Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?
SOMERSET. Dat ieder aandeel aan dat grondgebied U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85
KONING HENDRIK. Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!
YORK (ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op Frankrijk, Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb. Zoo sterven mijne bloesems in den knop, En klagen rupsen mijne blaad’ren weg; Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.
(Gloster komt op.)
GLOSTER. Mijn hoogen heer en koning alle heil! Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.