Part 3
SOMERSET. Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik Op iedre plek der christenwereld vol. Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge, Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning? En heeft niet zijn verraad u aangestoken, Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd? Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed; En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.
PLANTAGENET. Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97 Gevonnisd om verraad, maar geen verrader; Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset, Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch. Maar prent u in, gij en uw helper Poole: Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan, Dat ik u gees’len zal voor uwen laster; Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.
SOMERSET. Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid En kent den vijand dan aan deze kleur, Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.
PLANTAGENET. En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds, Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat, Met deze bleek vertoornde roos ons sieren, Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt, Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.
SUFFOLK. Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht; En nu vaarwel, tot ik u weder tref.
(Suffolk af.)
SOMERSET. Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.
(Somerset af.)
PLANTAGENET. Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.
WARWICK. De smet, die zij daar werpen op uw huis, Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement, Dat Winchester verzoenen moet met Gloster. Indien gij dan niet hertog wordt van York, Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten. ’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u, Den trotschen Somerset en Poole ten trots, Met deze roos aan uwe zij mij scharen. En dit voorspel ik: deze twist van heden, Die in den hof hier tot partijschap wies, Zendt, met de roode en witte roos als leuze, Veel duizend zielen in verderf en dood.
PLANTAGENET. Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank, Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.
VERNON. U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.
RECHTSGELEERDE. Zoo doe ik ook.
PLANTAGENET. Ik dank u, waarde heer. Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in den Tower.
Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders binnengedragen.
MORTIMER. Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven, Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.— Gelijk een man, pas van de folterbank, Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden; Die grijze lokken, als des doods herauten, Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor, Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer. Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker Als lampen, waarvan de olie is verbruikt, De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last, En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok, Die zijn verwelkte loten hangen laat. En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels, Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,— Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf, Als wetend, dat geen andre troost mij rest.— Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?
GEVANGENBEWAARDER. Richard Plantagenet zal komen, heer. Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel, En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.
MORTIMER. Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.— Arm man! zijn krenking evenaart de mijne. Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot In wapenroem was, hier begon te heerschen, Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven; En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd En van zijn eer en erflijk goed beroofd. Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden, De dood, in elke ellend de zachte scheidsman, Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.— Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden, En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!
(Richard Plantagenet komt op.)
GEVANGENBEWAARDER. Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.
MORTIMER. Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?
PLANTAGENET. Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden, Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.
MORTIMER. Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels, En aan zijn borst mijn laatsten adem snik. Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert, Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus. En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam, Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.
PLANTAGENET. Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm, En hoor in rust, wat mij onrustig maakt. ’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak Tot woorden tusschen Somerset en mij, Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte En om mijns vaders dood mij grievend smaadde. Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong; ’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven. Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil, En bij uw eer als een Plantagenet, 52 Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader, De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.
MORTIMER. Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam, Mij in een duffen kerker deed versmachten, Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.
PLANTAGENET. Onthul mij breeder, welke grond dit was; Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.
MORTIMER. Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt, De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is. De grootvader van onzen jongen vorst, Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins Was oudste zoon en wettig erfgenaam Van Koning Edward, van dien naam den derden. Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten, Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht, Mij op den troon van England te verheffen. Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog, Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was En hij geen enklen telg had nagelaten,— Ik door mijn stam en bloed de naaste was. Van moeders zij toch heb ik Lionel, Hertog van Clarence, derden zoon van Edward Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik Van hertog Jan van Gent was afgestamd, Die slechts de vierde was dier heldenrij. Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging, Om op den troon den rechten vorst te plaatsen, Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt. Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd, Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog, Mijn zuster huwend, die uw moeder werd, Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger Geworven in de hoop, mij te bevrijden, En mij de kroon te plaatsen op het hoofd; Maar als die andren, viel deze eed’le graaf En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers, Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.
PLANTAGENET. Van welke gij, mylord, de laatste zijt.
MORTIMER. Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet, Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood. Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re, Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.
PLANTAGENET. Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98 Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.
MORTIMER. Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen; Het huis van Lancaster is hecht geworteld, En, evenals een berg, niet weg te schuiven. Maar thans verhuist uw oom weldra van hier, Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven In éénen vasten zetel hen verdriet.
PLANTAGENET. O oom, vermocht een deel van mijne jeugd Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!
MORTIMER. Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar, Die vele wonden slaat, waar één kan dooden. Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft; Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg. En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije! Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!
(Mortimer sterft.)
PLANTAGENET. Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel! In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind, En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.— Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt; Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.— Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—
(De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.)
Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer, Door eerzucht van de laagste soort gedoofd; En voor dat onrecht, voor die bittere krenking, Die Somerset mijn huis heeft aangedaan, Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden; En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement; ’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed, Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.
(Plantagenet af.)
DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Het parlementshuis.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het.
WINCHESTER. Komt gij met lang- en welgewikte regels, Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht, Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt, En iets ter wereld mij ten last wilt leggen, Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist, Zooals ik voor de vuist en hier terstond Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.
GLOSTER. Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging, Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis. Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid, Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,— Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben, Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees; Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid, Uw listig en verpestend tweedrachtstichten, Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots. Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17 Halsstarrig van natuur, des vredes vijand, Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt. En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder? Daar gij met list mijn leven hebt belaagd, Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower? Ja, werden uw gedachten eens gezift, Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd, De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.
WINCHESTER. ’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords, Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor. Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was, Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm? Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd? Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word? Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem, Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt; Niemand dan hij moet om den koning zijn; En dit verwekt dien donder in zijn borst, En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen; Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—
GLOSTER. Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed....?
WINCHESTER. Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek! Een man, die op eens andren troon wil heerschen!
GLOSTER. Wat! ben ik geen protector, drieste paap?
WINCHESTER. En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46
GLOSTER. Ja, zooals een bandiet een slot bezet, En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.
WINCHESTER. Onwaardig spotter, gij!
GLOSTER. En gij zijt waardig Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.
WINCHESTER. Dit wreke Rome!
WARWICK. Ruim dan ’t land voor Rome.
SOMERSET. Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.
WARWICK. Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.
SOMERSET. Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn, En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.
WARWICK. Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn; Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.
SOMERSET. Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.
WARWICK. Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig? Is zijn genade hier niet rijks-protector?
PLANTAGENET (ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen, Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt! „Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?” ’k Had anders gaarne een twist met Winchester.
KONING HENDRIK. Mijn ooms van Gloster en van Winchester, Gestelde wakers over Englands welzijn, Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik In liefde en eendracht uwe harten saam. O welk een smading is ’t van onze kroon, Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten. Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds, Dat burgertwist een giftige adder is, Die de ingewanden van den staat doorknaagt.
(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”)
Wat is dat voor geraas?
WARWICK. Een oploop, wed ik, Boosaardig door des bisschops volk verwekt.
(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”)
(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.)
MAYOR. O goede lords en deugdenrijke Hendrik, Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer! Des bisschops volk en dat van hertog Gloster! Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden, De zakken nu gevuld met kiezelsteenen. Zij smijten, in partijen saamgerot, Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd, Dat velen reeds het dolle brein verplet werd. In elke straat zijn vensters ingesmeten: Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.
(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende binnen, met bebloede koppen.)
KONING HENDRIK. ’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht: Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87 Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.
EERSTE DIENAAR. Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken we onze tanden.
TWEEDE DIENAAR. Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.
(Zij worden weder handgemeen.)
GLOSTER. Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten, En staakt terstond dien ongehoorden strijd.
EERSTE DIENAAR. Mylord, wij weten ’t allen, uw genade Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst Voor niemand wijkend dan zijn majesteit; En nimmer dulden wij, dat zulk een prins En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn, Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker; Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren, Met uw belagers, tot zij ons verslaan.
DERDE DIENAAR. Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.
(Zij worden weder handgemeen.)
GLOSTER. Stil, zeg ik, stil! En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt, Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.
KONING HENDRIK. O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!— Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten En tranen zien, en wordt uw hart niet week? Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt? Wie zal met ernst den vrede nog bevordren, Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?
WARWICK. Geef toe, protector;—Winchester, geef toe, Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten. Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord Door uwe vijandschap reeds is verwekt; Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.
WINCHESTER. Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.
GLOSTER. Uit deernis voor den koning moet ik buigen; ’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd, Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.
WARWICK. Zie nu, mylord van Winchester, de hertog Verbande reeds zijn sombre, norsche woede, Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst; Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?
GLOSTER. Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.
KONING HENDRIK. Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127 Dat boosheid groote, zware zonde was; En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen, Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?
WARWICK. Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!— Schaam u, mylord van Winchester, geef toe! Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?
WINCHESTER. Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe, En bied voor liefde liefde, hand voor hand.
GLOSTER (ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.— Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten, Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap Voor ons en al de dienaars van ons huis. En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!
WINCHESTER (ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!
KONING HENDRIK. O waardige oom, en beste hertog Gloster, Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!— Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet; Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.
EERSTE DIENAAR. ’t Is wel; ik zoek een wondarts op.
TWEEDE DIENAAR. Ik ook.
DERDE DIENAAR. En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.
(De Mayor, de Dienaars, enz. af.)
WARWICK. Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift; Het vraagt aan uwe majesteit herstelling Der rechten van Richard Plantagenet.
GLOSTER. Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst, Wanneer uw hoogheid alle punten weegt, Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan, Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds In Eltham bij uw majesteit deed gelden.
KONING HENDRIK. En, oom, het waren reed’nen van gewicht; Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons, Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.
WARWICK. Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend; Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.
WINCHESTER. Wat allen willen, wil ook Winchester.
KONING HENDRIK. Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit, Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort, Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.
PLANTAGENET. Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar, En onderdaan’gen dienst tot in den dood.
KONING HENDRIK. Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169 En ter belooning van uw huldiging, Gord ik u met het dapp’re zwaard van York. Rijs, Richard, als een echt Plantagenet. Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.
PLANTAGENET. Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen, En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve, Die aan uw majesteit met afgunst denkt.
ALLEN. Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!
SOMERSET (ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!
GLOSTER. Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid, Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen. Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde Bij onderdanen en getrouwe vrienden, En rooft aan elk, die vijand is, den moed.
KONING HENDRIK. Acht Gloster het nu tijd de koning gaat; Want menig vijand zwicht door vriendenraad.
GLOSTER. Uw schepen zijn reeds zeilreê.
(Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.)
EXETER. Ja, trekken wij door England of door Frankrijk, Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal! De pas ontglommen tweedracht dezer pairs Brandt onder de asch van valsche liefde voort En breekt in ’t eind in felle vlammen uit; Gelijk een ett’rend lid allengskens rot, Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan, Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort. Nu wekt die booze profetie mij vrees, Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd, Uit elken zuiglingsmond vernomen werd: „Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint, „Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.” Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht, Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!
(Exeter af.)
TWEEDE TOONEEL.
Frankrijk. Voor Rouaan.
De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met zakken op den rug.
PUCELLE. Dit is de poort der veste, van Rouaan, Waar onze list een bres zich door moet oop’nen. Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw, En praat zooals ’t gewone marktvolk doet, Dat in de stad zijn koren komt verkoopen. Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen En vinden wij de trage wacht er zwak, Dan geef ik onzen vrienden ras een sein, Opdat de prins dauphijn hen overvall’.
EERSTE SOLDAAT. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren En make ons heer en meester van Rouaan. Komt! aangeklopt!
WACHT (binnen). Qui est là?
PUCELLE. Paysans, pauvres gens de France; Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.
WACHT (de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16
PUCELLE. Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.
(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.)
(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.)
KAREL. Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne! Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.
BASTAARD. Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers; Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan, Waar wij het best en veiligst binnendringen?
ALENÇON. Zij steekt een fakkel op van gindschen toren; En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent, Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.
(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel omhoog.)
PUCELLE. Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel, Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten, Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.
BASTAARD. Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak; Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.
KAREL. Het lichte daar als een komeet der wrake, En als profeet van onzes vijands val!
ALENÇON. Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos; Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!” En slaat de wachters aan de poort ter neer.
(Zij dringen de stad binnen.)
(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.)
TALBOT. Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten, Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft. Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle, Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld, Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.
(Zij trekken stedewaarts op.)
(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford, die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.)
PUCELLE. Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41 Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik, Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt. Het was vol dolik; staat de smaak u aan?
BOURGONDIË. Hoon voort, gij duivelin en drieste boel! ’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken, En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.
KAREL. Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.
BEDFORD. Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!
PUCELLE. Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken, En op den dood een rit doen in een stoel?
TALBOT. Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len, Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd, Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen, Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen? Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u, Of Talbot moge aan deze schande sterven.
PUCELLE. Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil; Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—
(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.)
God zegen ’t parlement! wie is de spreker?
TALBOT. Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?
PUCELLE. Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg Tot toetsing, of het onze wel het onze is.
TALBOT. Ik spreek niet tot die smalende opperheks; Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren; Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?
ALENÇON. Neen, heer.
TALBOT. Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers! Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden, En niet als ridders strijden in het veld.
PUCELLE. Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen, Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.— Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts Om u te zeggen, dat wij hier zijn.
(De Pucelle met de Anderen af.)
TALBOT. Wij willen mede daar zijn, en eerlang, Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad! Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis, Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed, Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft; En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft, En hier zijn vader heeft gezegevierd, Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt, Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84
BOURGONDIË. Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.
TALBOT. Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft, Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord! Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats, Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.
BEDFORD. Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan; ’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten, En deelgenoot zijn van uw wel of wee.
BOURGONDIË. Manhafte Bedford, laat u overreden.
BEDFORD. Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen, Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg. ’k Verlevendig misschien den moed der strijders, Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.
TALBOT. Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!— Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!— En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer; Maar onze macht verzameld tot den aanval; Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!