Chapter 15 of 24 · 3991 words · ~20 min read

Part 15

SALISBURY. Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten; Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard; God weet, hoe lang ik nog te leven heb; En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.— Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet; ’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood; Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.

YORK. Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil, Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen, En roept zijn parlement er daad’lijk op. Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen! Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?

WARWICK. Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor! Bij God, mylords, dit was een dag van roem; De slag, door den roemruchten York gewonnen, Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.— Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen; Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN

In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar 1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen: „Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?”

Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen. In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen.

Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen, week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond.

Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert” in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering, terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied bewees, werd zonder genade onthoofd.

Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht, zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood werd.

Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn broeder John, hertog van Somerset [4], die pas met de overblijfselen van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen; hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland, die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales, verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het wanbestuur van Somerset te doen ophouden.

Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen, belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil, zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen. Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot, Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren zouden gegaan zijn.

Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog van Somerset door middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok, om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen, toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen zijn, werd hij weder ontslagen.

Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen, geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot „Protector en Defensor” van het rijk verklaard.

Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest, reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond, geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem naar Londen togen.

Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was, tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers; wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten.

In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn doel verwerkt heeft.

I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke, may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn hertogdom!”

I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende, naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van 6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de ware, dan kan de vertaling der plaats luiden:

Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk ’t Vijftiende deel der lasten van het volk Vraagt voor de kosten van den overtocht.

I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder, omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was.

I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden.

I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou blijven.

I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury en Warwick.

I. 2. 42. Booze Eleonora. Er staat eigenlijk: slecht opgevoede.

I. 2. 68. Waar blijft gij toch, Sir John? Sir was de titel, waarmede priesters werden aangesproken.

I. 3. 4. Allen gezamenlijk. In the quill, een zeer verschillend verklaarde uitdrukking, zie H. Irving’s Shakespeare II. p. 80, waar de beteekenis in a body hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een andere verklaring zou „zwart op wit” een juiste vertaling zijn.

I. 3. 15. Voor den lord Protector? Hier moet zeker, zooals Marshall opmerkt, for en niet to gelezen worden.

I. 3. 29. Tegen mijnen meester, Thomas Horner. Volgens de kronieken had in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld wordt. Ook het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken.

I. 3. 141. Mijn waaier, vlug! De koningin houdt zich alsof zij een hofdame voor zich meent te hebben en eerst later haar vergissing bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth niet veilig voor een vorstelijke oorveeg.

I. 3. 171. Mylord van Somerset mij hier zou houden. York zinspeelt er op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; zie „K. Hendrik VI”, IV. 3.

I. 4. 33. Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af. Het orakel is dubbelzinnig, daar Een Hertog, zoowel als Hendrik, onderwerp of voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met that en Henry het geval. Ook het hij in den volgenden regel is onbepaald. Daarom wordt deze uitspraak later door York vergeleken met het orakel, dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen hij vroeg of hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan beteekenen: „Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt overwinnen”, als: „dat de Romeinen U kunnen overwinnen”.

I. 4. 53–79. Weg met hen enz. Deze regels zijn hier, volgens de opmerkingen van Marshall, aan York toegekend.

II. 1. 4. De oude Hans. Naam van een jachtvalk.

II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee regels verder is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much holiness can you not do it?

II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten onrechte, als proza gedrukt.

II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42.

II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een parlementsbesluit deze waardigheid.

II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij Lissabon benoemd.

III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld vermocht hem niet meer te redden.

III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan.

III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K. Hendrik V”, II. 4. 25.

III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de adder doof.

III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden de winden in een grot opgesloten hield.

III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der koningin voor Æneas aanwakkert.

III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden.

III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309.

III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel blijkt.

IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht genoemd.

IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt.

IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg gelijk uitgesproken.

IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt was, werd alleen door personen van rang gebezigd.