Part 21
KONING EDWARD. Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?
JAGER. Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.
GLOSTER. Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!
KONING EDWARD. Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak, En bid, dat God mij weder koning maak’.
(Allen af).
ZESDE TOONEEL.
Een vertrek in den Tower.
Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford, Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op.
KONING HENDRIK. Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden Edward gebonsd is van den koningstroon, En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid, Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek, Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!
SLOTVOOGD. Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren; Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag, Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.
KONING HENDRIK. Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen? Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen, Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn; Ja, een genot, zooals de vogel smaakt, Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust, In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied, ’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.— Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd, Ontvang daarom, na God, mijn besten dank; Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;— Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne, Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert, En niet het volk van dit gezegend land Getuchtigd worde met mijn boos gesternte, Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’, Geef ik aan u het landsbestuur hier over, Want u geleidt geluk bij al uw doen.
WARWICK. Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd, Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam, Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt; Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren; Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,— Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.
CLARENCE. Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig, Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde, Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt; En daarom geef ik willig u mijn stem.
WARWICK. En ik kies Clarence enkel voor protector.
KONING HENDRIK. Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38 Vereent uw handen, en daarmee uw harten, Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’; Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk, Opdat ikzelf, gelijk een burger levend, Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde, Mijn Schepper love en booze zonde mijde.
WARWICK. Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?
CLARENCE. Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe; Want op uw goed geluk verlaat ik mij.
WARWICK. Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen. Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen. ’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind, Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust. En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig, Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad En al zijn land en goed verbeurdverklaren.
CLARENCE. Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.
WARWICK. Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.
KONING HENDRIK. Doch bij uw eerste zaken van gewicht Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;— Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward, Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren; Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.
CLARENCE. Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.
KONING HENDRIK. Mylord van Somerset, wie is die knaap, Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?
SOMERSET. Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.
KONING HENDRIK. Treed nader, Englands hoop.
(Hij legt hem de hand op het hoofd.)
Indien geheime machten echte waarheid Inblazen aan mijn verrezienden geest, Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen. Zijn blik is vol van kalme majesteit, Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen, Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren. Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.
(Een Bode komt op.)
WARWICK. Wat meldt gij, man?
BODE. Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt, En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.
WARWICK. Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? 80
BODE. Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied, In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud, En aan des bisschops jagers hem ontrukt; Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.
WARWICK. Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.— Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen, Om elke wond, die voorkomt, te genezen.
(Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.)
SOMERSET. Mylord, die vlucht van Edward is een ramp; Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië, En dan ontstaat er even wis weer krijg. Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond, Thans is ’t beangst om wat in deze twisten Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil. Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen, Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan, Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.
OXFORD. Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon, Licht deelde Richmond in der and’ren loon.
SOMERSET. Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed; Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.
(Allen af.)
ZEVENDE TOONEEL.
Voor York.
Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen.
KONING EDWARD. Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren, Tot dusver maakt het lot ons alles goed, En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon. Wij staken tweemaal nu de zee goed over, Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend; Wij kwamen van de haven Ravensburg Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig, Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?
(Hastings klopt aan de poort.)
GLOSTER. De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet; Voor menigeen is struik’len aan den drempel Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.
KONING EDWARD. Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken; Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij; ’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.
HASTINGS. Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.
(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op den muur.)
MAYOR. Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17 Uit zorg voor onze veiligheid de poort, Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.
KONING EDWARD. Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft Steeds Edward voor het minst hertog van York.
MAYOR. Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.
KONING EDWARD. Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom, Waarmede ik gansch en al tevreden ben.
GLOSTER (ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen, Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.
HASTINGS. Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor? Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.
MAYOR. Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.
(De Mayor en Raadsleden boven af.)
GLOSTER. Een wijs, recht wakker man, ras overreed!
HASTINGS. Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat, Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij, Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.
(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.)
KONING EDWARD. Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten, Dan in de nacht of als er oorlog is. Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;
(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.)
Want Edward is ’t, die u, uw stad en al Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.
(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.)
GLOSTER. Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery, Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.
KONING EDWARD. Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?
MONTGOMERY. Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd, Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.
KONING EDWARD. Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.
MONTGOMERY. Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug; Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.— De trom geroerd en weder afgetrokken!
(De trommen beginnen een marsch te slaan.)
KONING EDWARD. Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen, Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.
MONTGOMERY. Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53 Zoo gij hier niet tot koning u verklaart, Dan laat ik hier u over aan uw lot, Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen. Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?
GLOSTER. Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?
KONING EDWARD. Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn; Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.
HASTINGS. Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!
GLOSTER. Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon. Wij roepen, broeder, nu terstond u uit; ’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.
KONING EDWARD. Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht, En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.
MONTGOMERY. O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf; En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.
HASTINGS. Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.— Hier kameraad, lees gij de proclamatie.
(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.)
SOLDAAT (leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.”
MONTGOMERY. En wie er twijf’le aan koning Edwards recht, Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.
(Hij werpt zijn handschoen neder.)
ALLEN. Lang leve Edward de vierde!
KONING EDWARD. Dank, vriend Montgomery! en u allen dank! Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde. Laat ons in York deze eene nacht verwijlen; En als de morgenzonne weer haar kar Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet, Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang, Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.— O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan, Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen! Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.— De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet; En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!
(Allen af.)
ACHTSTE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en Oxford komen op.
WARWICK. Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders, De smalle zee in veiligheid doorkliefd, En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.
KONING HENDRIK. Men lichte krijgers om hem af te slaan.
CLARENCE. Een kleine vlam is schielijk uitgetreden; Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.
WARWICK. In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden, In vrede rustig, leeuwen in den krijg; Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u, En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent De ridders op, heel de’ adel, u te volgen; Gij, broeder Montague, in Buckingham, Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;— Gij, dappere Oxford, wondervol bemind In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.— Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar Omgeven, als zijn eiland van de zee, Of als de kuische jachtgodin van nymfen, In Londen blijven, tot wij wederkeeren.— Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet. Vaarwel, mijn vorst en heer.
KONING HENDRIK. Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.
CLARENCE. Als pand van trouwe kus ik u de hand.
KONING HENDRIK. Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!
MONTAGUE. Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.
OXFORD (den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw; vaarwel!
KONING HENDRIK. Mijn wakkere Oxford, waarde Montague, Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.
WARWICK. Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.
(Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.)
KONING HENDRIK. Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten. Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij? Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft, Is niet in staat, de mijne te weerstaan.
EXETER. Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.
KONING HENDRIK. Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd. ’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten. Geen beden uitgesteld van dag tot dag; Mijn deernis was een balsem voor hun wonden, Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer, Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed; Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig, Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten, Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft. Waarom zou Edward hun dus liever zijn? Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg; En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd, Dan loopt het lam hem immer achterna.
(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”)
EXETER. Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?
(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.)
KONING EDWARD. Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg; En roept ons weder uit tot Englands koning.— Gij zijt de bron, die kleine beken voedt; Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op, En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.— Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.
(Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.)
En, lords, naar Coventry ons nu gespoed, Waar de op gezag beluste Warwick staat. Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi, ’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.
GLOSTER. Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt Den grootgeworden landverrader plots’ling; Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!
(Allen af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Voor Coventry.
Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee Boden en Anderen.
WARWICK. Waar is de bode van den dapp’ren Oxford? Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?
EERSTE BODE. Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.
WARWICK. Waar is de man, die Montague ons zond?— Hoe ver is onze broeder Montague?
TWEEDE BODE. Nu reeds te Daintry, met een groote macht.
(Sir John Somerville komt op.)
WARWICK. Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon? En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?
SOMERVILLE. ’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam; Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.
(Men hoort getrommel.)
WARWICK. Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11
SOMERVILLE. Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.) Southam ligt daar; ’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.
WARWICK. Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?
SOMERVILLE. Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.
(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun troepen.)
KONING EDWARD. Trompetter, ga en vraag een onderhoud.
GLOSTER. Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.
WARWICK. Verwenschte streek! de dartele Edward hier? Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om, Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?
KONING EDWARD. Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen? Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie, Noem Edward koning, vraag van hem genade, En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.
WARWICK. Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan? Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen; Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig, En blijven zult ge en zijn, hertog van York.
GLOSTER. Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen; Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?
WARWICK. Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?
GLOSTER. Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral; Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.
WARWICK. Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.
KONING EDWARD. Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.
WARWICK. Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot; Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug; Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.
KONING EDWARD. Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne; En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord: Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?
GLOSTER. Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42 Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht, Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd! Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops; Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.
KONING EDWARD. Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!
GLOSTER. Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel! Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.
WARWICK. Veel liever zoude ik deze hand mij kappen En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat, Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.
KONING EDWARD. Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,— De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar, En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven: De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.
(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
WARWICK. O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!
OXFORD. Oxford, Oxford, voor Lancaster!
(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.)
GLOSTER. De poort is open; open ook voor ons!
KONING EDWARD. Dan konden and’ren in den rug ons vallen. Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig De poort uit om een slag ons aan te bieden; Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.
WARWICK. Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.
(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
MONTAGUE. Montague, Montague, voor Lancaster!
(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.)
GLOSTER. Gij en uw broeder zullen dit verraad Betalen met uw dierbaarst hartebloed.
KONING EDWARD. Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege; En overwinning, heil spelt mij mijn hart.
(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
SOMERSET. Somerset, Somerset, voor Lancaster!
(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.)
GLOSTER. Twee hertogen van Somerset, als gij, Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven, Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.
(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
WARWICK. En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76 Met macht genoeg om Edward aan te grijpen! Hem geldt een edele ijver voor het recht Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—
(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met hem.)
Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.
CLARENCE. Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?
(Hij neemt de roode roos van den hoed.)
Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe; Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val; ’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick, Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk, Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst, Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren? Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor? Het houden van dien eed waar’ goddeloozer Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte. Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp, Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen, Mij uw gezworen vijand hier verklaar, En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,— En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,— U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen. Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug, En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.— Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen; Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd; Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.
KONING EDWARD. Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind, Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!
GLOSTER. Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.
WARWICK. O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!
KONING EDWARD. Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij? Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?
WARWICK. Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer! Ik trek terstond van hier naar Barnet op; Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.
KONING EDWARD. Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.— Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!
(Getrommel. Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een slagveld bij Barnet.
Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar verwonden Warwick.
KONING EDWARD. Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u; Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.— Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans; Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!
(Koning Edward af.)
WARWICK. Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom, En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick? Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam, Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont, Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet, En door mijn val de zege aan mijnen vijand. Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen De koningsarend schutse vond, wiens schaduw Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin Neêrzag op Jupiters verkoren boom En struikjes hoedde voor des winters vlagen. Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood, Was eens doordringend als de middagzon, Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd; De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed, Zijn vaak met koningsgraven vergeleken; Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven? Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste? Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed! Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had, Begeven mij; van al mijn landbezit Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam. O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer? Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.
(Oxford en Somerset komen op.)
SOMERSET. Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij, O, dan herwonnen we al, wat wij verloren! Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!
WARWICK. Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague, Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand, En houd mijn ziel terug met uwe lippen! Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat. Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.
SOMERSET. O, Warwick! Montague blies de’ adem uit, En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick, En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.” Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer, Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte: „Vaarwel, mijn Warwick!”
WARWICK. Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords; Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!
(Hij sterft.)
OXFORD. Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!
(Beiden af, met Warwick’s lijk.)
DERDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het slagveld.
Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence, Gloster en de Overigen.
KONING EDWARD. Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen, En sieren zegekransen ons het hoofd. Doch in den middagglans van dezen dag Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt En strijden wil met onze gouden zon, Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt; Mylords, de strijdmacht, die de koningin In Gallië samenbracht, is reeds geland, Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.
CLARENCE. Een stijve bries verstrooit welras die wolk, En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam; Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen; Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.
GLOSTER. Men schat de koningin op dertigduizend; Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;— Kan zij op adem komen, wees verzekerd, Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.
KONING EDWARD. Van trouwe vrienden kregen wij bericht, Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury. Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht, Terstond daarheen, want ijver kort den weg; En onderweg groeit onze macht wis aan In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.— De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!
(Trompetgeschal. Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Een vlakte bij Tewksbury.
Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en Soldaten komen op.