Chapter 2 of 24 · 3997 words · ~20 min read

Part 2

SALISBURY. Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug? Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld? En hoe gelukte ’t u, u los te koopen? Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren.

TALBOT. De hertog Bedford had een dappren graaf, Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles; ’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem. Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik; Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien, En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd. Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart; Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen, Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam.

SALISBURY. Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt.

TALBOT. Met schimp en hoon en drieste spotternij. Zij stelden mij op de open markt ten toon, Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren. „Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik, Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.” Toen reet ik mij van mijn bewakers los, Groef met de nagels steenen uit den grond, En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad; En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht. Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood. Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd; Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,— Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken, Arduinen posten gruiz’len met den voet; Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking, Die telkens bij minuten om mij waarden;— En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen, Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed.

(De Knaap verschijnt op den wal met een lont.)

SALISBURY. Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan, Doch volle wraak gewordt ons binnenkort. ’t Is avondetenstijd in Orleans; Hier, door de traliën, kan ik allen tellen, En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst. Komt, laat ons uitzien; (Tot Talbot.) u zal ’t wis verheugen. Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale, Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt, Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten.

GARGRAVE. Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. 66

GLANSDALE. Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug.

TALBOT. Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden, Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len.

(Een schot van den wal. Salisbury en Gargrave vallen.)

SALISBURY. God, wees genadig voor ons arme zondaars!

GARGRAVE. God, wees voor mij, verloren man, genadig!

TALBOT. Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len? Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,— Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel? Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!— Vervloekte toren! vloekbare onheilshand, Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd! ’t Was Salisbury, die dertien slagen won, Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde; Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk, Één trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.— Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken, Één oog bleef u tot smeeken om genade, Met één oog schouwt de zon de wereld aan.— Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig, Zoo Salisbury bij U genade derft!” Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven. Sir Thomas Gargrave, hebt gij nog iets leven. Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op! Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn: Gij sterft niet zonder— Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe, Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood, Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!” Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero, De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden; Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig.

(Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.)

Welk een geraas! de hemel is in oproer! Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch?

(Een Bode komt op.)

BODE. Mylord, mylord! de Franschen vallen aan; En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle, Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend, Komt met een groote macht de stad ontzetten.

(Salisbury richt zich op en kreunt.)

TALBOT. Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt; Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.— Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn; Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond, ’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven; Uw hersens kluts ik samen tot een poel.— Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent; Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen.

(Allen af, met de lijken.)

VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. Voor een der poorten.

Strijdgedruisch. Schermutselingen. Talbot vervolgt den Dauphijn, drijft hem op de vlucht en gaat heen; dan komt Jeanne d’Arc, de Pucelle, Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt Talbot weder op.

TALBOT. Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid? Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden; Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort.

(De Pucelle komt weder op.)

Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten; Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u; Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af, En lever hem uw ziele, wien gij dient.

PUCELLE. Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet.

(Zij vechten.)

TALBOT. Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint? Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed Of barsten ook mijn armen van de schouders, Toch tuchtig ik die overstoute deern!

PUCELLE. Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar; ’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen. Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht. Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk; Help Salisbury zijn testament te maken; De dag is ons, als vele nog na dezen.

(De Pucelle trekt met haar krijgers de stad binnen.)

TALBOT. Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel; Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe. Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal, Een heks ons hier terug en wint naar lust; Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven Weg uit haar korven, van haar tillen voort. Ons bijten deed ons Englands honden heeten, Nu loopen we als hondsjongen jankend weg.

(Een kort strijdgedruisch.)

Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht, Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen! Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen! Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf, Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit, Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten.

(Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.)

Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen De dood van Salisbury komt op uw hoofd, Want geen van u deed iets om hem te wreken.— Trots ons, trots alles wat wij konden doen, Is de Pucelle in Orleans getogen. O, ware ik saam met Salisbury gestorven! Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd.

(Strijdgedruisch. Terugtocht. Talbot met zijn Krijgers af.)

ZESDE TOONEEL.

Aldaar.

Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de Pucelle, Karel, Reignier, Alençon, en Soldaten.

PUCELLE. Laat onze vanen wapp’ren op de wallen! Ontrukt is Orleans aan Englands wolven, Aldus hield Jeanne la Pucelle woord.

KAREL. O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter, Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe? Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen, Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.— Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!— Herwonnen is uw stad, uw Orleans; Nooit wedervoer ons land een grooter heil.

REIGNIER. Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad? Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren Ontsteken, juub’len, smullen in de straten, Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk.

ALENÇON. Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust, Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken.

KAREL ’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij; Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen; Wat priester is of monnik in mijn rijk, Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen. Een trotscher pyramide bouw ik haar, Dan die van Rhodope te Memphis was. Haar ter gedacht’nis worde na haar dood Haar asch in een veel kostlijker urn Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius Bij hooge feest’lijkheden omgedragen Voor Frankrijks koningen en koninginnen. Niet meer zij onze leuze: Saint Denis! Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn. Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal, Den gulden dag van deze zegepraal!

(Trompetgeschal. Allen af.)

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Voor Orleans.

Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.

SERGEANT. Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn! Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken Ons in het wachthuis fluks bericht er van.

EERSTE SCHILDWACHT. Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men arme knechten, Als andren in hun zachte bedden slapen, Op wacht in regen, koude en duisternis.

(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun trommen slaan een gedempten marsch.)

TALBOT. Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië, Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois, Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert, De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos, Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd; Omhelzen wij dus die gelegenheid Om hun het loos bedrog weer te vergelden, Dat list en snoode tooverij bedacht. 15

BEDFORD. Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde! Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms, En sloot met hel en heksen een verbond!

BOURGONDIË. Geen andren omgang hebben ooit verraders. Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd, Wie is zij?

TALBOT. Men zegt een meisje.

BEDFORD. Een meisje, en zoo strijdhaftig!

BOURGONDIË. God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’, Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard De wapens draagt, zooals zij nu begon.

TALBOT. Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan! Voor ons is God een burg; beklimmen wij In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!

BEDFORD. Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.

TALBOT. Niet allen hier bijeen; ik acht het beter, Dat we op verscheiden punten binnendringen, Opdat, zoo het een van ons mislukt, Een ander van hun macht het winnen kan.

BEDFORD. Goed. Ik kies gindschen hoek.

BOURGONDIË. En ik dien andren.

TALBOT. En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.— Nu, Salisbury, voor u en voor het recht Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen, Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37

(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” en „Talbot”, en dringen allen in de stad.)

SCHILDWACHT (achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier storm!

(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half aangekleed, half onaangekleed.)

ALENÇON. Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?

BASTAARD. Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.

REIGNIER. ’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen; Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.

ALENÇON. Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit Van eenig krijgsplan, eenige’ overval, Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.

BASTAARD. Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.

REIGNIER. Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.

ALENÇON. Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?

BASTAARD. O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.

(Karel komt op, met de Pucelle.)

KAREL. Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone? Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen, Een kleine, zoete winst deelachtig worden, Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?

PUCELLE. Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard? Verlangt gij mijne macht steeds even groot? Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen, Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij? Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid Zou dezen overval voorkomen hebben.

KAREL. Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld, Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht, Niet beter van dien grooten plicht u kweet.

ALENÇON. Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was, Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.

BASTAARD. Het mijn’ was goed verzekerd.

REIGNIER. Zoo ook ’t mijne.

KAREL. Wat mij betreft, het grootste deel der nacht Heb ik, in haar kwartier en in het mijne, Besteed om telkens heen en weer te gaan Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten; Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?

PUCELLE. Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72 Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen. Er blijft geen andre raad alsnu dan deze: ’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len, En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.

(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.)

DE SOLDAAT. ’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten. De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard; Met rijken buit heb ik mij hier beladen, En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.

(De Soldaat af.)

TWEEDE TOONEEL.

Orleans. Binnen de stad.

Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op.

BEDFORD. De dag breekt aan, gevloden is de nacht, Die met haar ravenmantel de aard omgaf. Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.

(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.)

TALBOT. Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen, En plaatst de baar hier op het open marktplein, Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.— ’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten; Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor, Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven. Opdat de verre nazaat nog aanschouw’, Welk een verwoesting volgde om hem te wreken, Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op, Waarin zijn overschot begraven worde, En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan, Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len, ’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods, En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.— Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad, Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen, Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne, Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.

BEDFORD. Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon, Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt, En, onder hoopen krijgers, van den wal Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.

BOURGONDIË. Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,— Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit; Zij vloden, arm in arm, met alle macht, Gelijk een paar verliefde tortelduiven, Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn. Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken, Dan zetten wij met volle macht hen na. 33

(Een Bode komt op.)

BODE. Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd, Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?

TALBOT. Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?

BODE. De deugdrijke gravinne van Auvergne, Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend, Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen, Haar te bezoeken op haar armen burg, Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde, Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.

BOURGONDIË. Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel, Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.— Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.

TALBOT. Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen Met alle redekunst bereiken zou, Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.— Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg, En onderdanig haar bezoeken zal.— Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?

BEDFORD. Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar; ’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten ’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.

TALBOT. Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen, Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen. Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij begrijpt mij?

HOPMAN. Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Auvergne. Het binnenplein van het kasteel.

De Gravin en haar Portier komen op.

GRAVIN. Portier, onthoud wat ik u heb gelast, En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.

PORTIER. Ik zal het doen, geëerde vrouwe.

(De Portier af.)

GRAVIN. De val is nu gesteld; gaat alles goed, Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd, Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood. Groot is de naam van dien gevreesden ridder, En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem; ’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten, Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.

(De Bode komt op, met Talbot.)

BODE. Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap, Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.

GRAVIN. En hij is welkom. Wat! is dit de man?

BODE. Zoo is ’t, gravin.

GRAVIN. Is dit dus Frankrijks geesel? Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest, Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen? Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen, Een tweede Hector, grimmig van gelaat, Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar; En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22 Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.

TALBOT. Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen; Doch daar u dit niet recht gelegen komt, Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.

GRAVIN. Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.

BODE. Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt De reden van uw rasch vertrek te weten.

TALBOT. Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik ’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.

(De Portier komt weder terug, met sleutels.)

GRAVIN. Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.

TALBOT. Gevangne? wiens?

GRAVIN. Bloedgierig lord, de mijne; Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis. Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien, Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt; Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden; Die armen wil ik keet’nen en die beenen Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft, En onze zoons en mannen weggesleept.

TALBOT. Ha, ha, ha!

GRAVIN. Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.

TALBOT. Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant, Van Talbot iets te hebben dan de schaduw, Om daar uw booze strengheid op te koelen.

GRAVIN. Zijt gij de man dan niet?

TALBOT. Dat ben ik zeker.

GRAVIN. Dan heb ik ook uw wezen.

TALBOT. Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts; Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier; Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel, Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid. Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier, Dan is van zoo geweldig grooten wasdom, Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56

GRAVIN. Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie; Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet; Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?

TALBOT. Dit toon ik u terstond.

(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.)

Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans, Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is? Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht, Waarmee hij uw rebellennekken jukt, Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert, In minder dan een omzien woest doet zijn.

GRAVIN. Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling; Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam, En meer dan uw gestalte deed vermoeden. Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’; Het doet mij leed, dat ik u niet ontving Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.

TALBOT. Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet. Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd, En andre schadeloosstelling eisch ik niet, Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft, Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.

GRAVIN. Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer, Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Londen. De hof van den Tempel.

De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op.

PLANTAGENET. Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen? Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?

SUFFOLK. Te luide spraken we in de Tempelzaal; Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.

PLANTAGENET. Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde, En of die twister Somerset het mis had.

SUFFOLK. Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet, En kon mijn wil nooit voegen naar het recht; En plooi daarom het recht naar mijnen wil.

SOMERSET. Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.

WARWICK. Welk van twee valken zich het steilst verheft, Welk van twee honden schooner, dieper blaft, Welk van twee klingen van het fijnste staal is, Welk van twee paarden fraaier houding heeft, Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt, Hierin treed ik desnoods als rechter op, Maar in een rechtszaak vol haarklooverij, Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.

PLANTAGENET. Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19 De waarheid is aan mijne zij zoo naakt, Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.

SOMERSET. Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed; Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk, Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.

PLANTAGENET. Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt, Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt. Wie onder u echt edelman zich rekent, En de eere van zijn bloed in aanzien houdt, Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit, Met mij van dezen struik een witte roos.

SOMERSET. En wie geen lafaard of geen vleier is, Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft, Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.

WARWICK. Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel, En zonder lage vleierij pluk ik De witte roos hier met Plantagenet.

SUFFOLK. En ik deez’ roode roos met Somerset, En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.

VERNON. Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer, Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen Een kleiner tal van rozen wordt geplukt, Des andren aanspraak recht en juist zal achten.

SOMERSET. Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken; Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.

PLANTAGENET. En ik.

VERNON. Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht, Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier, En kies zoo voor de witte roos partij.

SOMERSET. Prik u niet in den vinger, als gij plukt; Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood, En stemt gij tegen uwen zin voor mij.

VERNON. Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed, Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts, En houdt mij aan de zijde, die ik koos.

SOMERSET. Goed, goed; komaan, wie verder?

RECHTSGELEERDE. Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen. Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch; En daarom pluk ook ik een witte roos. 58

PLANTAGENET. Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?

SOMERSET. In deze scheê; desnoods zal dit bewijs Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.

PLANTAGENET. Toch bootst uw wang thans onze rozen na; Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis Voor onze waarheid.

SOMERSET. Neen, Plantagenet, Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang Van schaamte bloost en onze rozen nabootst, En toch uw tong uw dwaling niet erkent.

PLANTAGENET. Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?

SOMERSET. Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.

PLANTAGENET. Ja, scherp en stekend om haar recht te staven, Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.

SOMERSET. Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden, Die mijne bloedig roode rozen dragen En staven zullen, dat ik waarheid spreek, Waar geen Plantagenet verschijnen durft.

PLANTAGENET. Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot Met u en uwen aanhang, jonge knaap.

SUFFOLK. Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.

PLANTAGENET. Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.

SUFFOLK. Ik slinger u mijn deel weer in den strot.

SOMERSET. O zwijg, mijn beste William de la Poole; Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.

WARWICK. Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset; Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence, Den derden zoon des derden konings Edward. Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?

PLANTAGENET. Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats; Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.