Part 9
HUME. Te goed doen met het goud der hertogin? Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume? Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.... mum! De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen. Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor, Dat ik de heks nog heden bij haar breng; Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas. Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,— Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal, En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk; Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee, Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen, Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’, En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen. Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper; Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper. Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver, Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt. Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net, En hare schuld doet hertog Humfried vallen. Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.
(Hume af.)
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in het paleis.
Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften.
EERSTE SMEEKELING. Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften allen gezamenlijk aan.
TWEEDE SMEEKELING. Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man; de Heere Jezus zegene hem!
(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.)
EERSTE SMEEKELING. Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem. Ik wil de eerste zijn, ja!
TWEEDE SMEEKELING. Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en niet de lord protector.
SUFFOLK. Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?
EERSTE SMEEKELING. Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den lord protector.
KONINGIN MARGARETHA. Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17
EERSTE SMEEKELING. Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en landerijen en vrouw en alles onthoudt.
SUFFOLK. Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij? (Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij schurk?
TWEEDE SMEEKELING. Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor onze geheele buurtschap.
PETER (zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van de kroon is.
KONINGIN MARGARETHA. Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de wettige erfgenaam der kroon was?
PETER. Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was.
SUFFOLK. Is daar iemand?
(Een Dienaar komt op.)
Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van den koning.
(De Dienaar met Peter af.)
KONINGIN MARGARETHA. Wat u betreft, gij, die protectie wacht Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.
(Zij verscheurt de smeekschriften.)
Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.
DE SMEEKELINGEN. Komt, laat ons heengaan!
(De Smeekelingen af.)
KONINGIN MARGARETHA. Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode, Is dit de wijs van doen aan Englands hof? Is dit hier in Brittanje ’t koningschap, Is dit de macht van Albions beheerschers? Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig, Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster? Moet ik in rang en titel koningin, Maar onderdane van een hertog zijn? 52 Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours Ter eere van mijn liefde een rit bestondt, En onzer Fransche vrouwen harten staalt, Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u, In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken, Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt Ave Maria’s met zijn rozenkrans, Apostels en profeten zijn zijn ridders, En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens, Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen. Ik wenschte, dat de raad van kardinalen Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde, Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf; Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.
SUFFOLK. Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was, Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook In England u geheel tevredenstellen.
KONINGIN MARGARETHA. Behalve Gloster is hier nog die priester, Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset, En Buckingham, en de altijd wreev’le York; En wie de minste van die allen is, Vermag in England meer dan zelfs de koning.
SUFFOLK. En wie van dezen nog het meest vermag, Vermag in England minder dan de Nevils; Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.
KONINGIN MARGARETHA. Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel, Als des protectors vrouw, die trotsche prij; Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen, Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw. Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin; Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf En op onze armoe schimpt zij in haar hart. Zou ik het niet beleven mij te wreken? Die trotsche, laaggeboren helleveeg! Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden? De sleep der minste van haar rokken was Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.
SUFFOLK. Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd, En daar een koor lokvogels bij geplaatst, Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten En nooit meer op zal vliegen, u tot leed: Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij; Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96 Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten Bij hem ons scharen en bij de andere lords, Totdat wij hertog Humfried vallen deden. Wat hertog York betreft, die laatste klacht Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen. Zoo wieden wij hen allen, een voor een, En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.
(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham, Salisbury en Warwick.)
KONING HENDRIK. ’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords; ’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.
YORK. Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd, Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.
SOMERSET. Zoo Somerset dit ambt niet waardig is, Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.
WARWICK. Of uw genade ’t waardig is of niet, Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.
KARDINAAL. Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.
WARWICK. De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.
BUCKINGHAM. Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.
WARWICK. Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.
SALISBURY. Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham, Waarom in deze Somerset zou voorgaan.
KONINGIN MARGARETHA. Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.
GLOSTER. De koning zelf, vorstin, is oud genoeg, Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.
KONINGIN MARGARETHA. Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft Gij dan protector van zijn majesteit?
GLOSTER. Vorstin, ik ben protector van het rijk, En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.
SUFFOLK. Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af. Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?— Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk; Aan de overzij won de dauphijn steeds veld; En alle pairs en eed’len van het rijk Zijn slaven onder uw bewind geweest.
KARDINAAL. Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132
SOMERSET. Op schatten komen uwe prachtgebouwen En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.
BUCKINGHAM. De wet werd overtreden door de wreedheid, Waarmee gij euveldaders hebt bestraft; Dit levert wis u aan haar strengheid over.
KONINGIN MARGARETHA. Ware uw verkoop van ambten en van steden In Frankrijk zoo bewezen als vermoed, Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.
(Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier vallen.)
Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?
(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.)
Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!
HERTOGIN. Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche; Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten, Ik grifte er u mijn tien geboden in.
KONING HENDRIK. Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.
HERTOGIN. Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig, Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling; Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’, Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.
(De Hertogin af.)
BUCKINGHAM. Lord kardinaal, ik ijl Lenore na, En sla ook Humfried gade, wat hij doet; Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor Om dol van woede in haar verderf te rennen.
(Buckingham af.)
(Gloster komt weder op.)
GLOSTER. Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld, Door hier het binnenhof eens rond te gaan, Kom ik de staatsbelangen weer bespreken. Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen, Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af; Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig, Als ik getrouw mijn land en koning min. Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.— Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.
SUFFOLK. Aleer we een keuze doen, zij mij vergund, Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon, Hoe York het minst van allen er voor deugt.
YORK. Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk; Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan; En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd, Mylord van Somerset mij hier zou houden, Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot, Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt; Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs Berend werd, uitgehongerd en verloren.
WARWICK. Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177
SUFFOLK. Zwijg, driftkop Warwick!
WARWICK. Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?
(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.)
SUFFOLK. Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd; God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!
YORK. Beschuldigt iemand York hier van verraad?
KONING HENDRIK. Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?
SUFFOLK. Met uwer majesteits verlof, die man Legt aan zijn meester hoogverraad te last. Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York, Naar recht de kroon van England dragen moest, En dat uw heerschappij onwettig is.
KONING HENDRIK. Spreek, hebt gij dit gezegd, man?
HORNER. Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van dien schurk.
PETER (de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren, hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren, onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.
YORK. Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!— Ik smeek uw koninklijke majesteit, Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.
HORNER. Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet in het verderf op de aanklacht van een booswicht.
KONING HENDRIK. Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?
GLOSTER. Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst: Laat Somerset regent in Frankrijk zijn, Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat; En dezen zij een dag en plaats bepaald, Dat zij zich meten in een tweegevecht, Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven. Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.
SOMERSET. Recht need’rig dank ik uwe majesteit.
HORNER. En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. 216
PETER. Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk! O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te vechten. O, lieve God, mijn hart!
GLOSTER. Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.
KONING HENDRIK. Voert hen gevangen weg; de laatste dag Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.— Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster.
Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op.
HUME. Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van uw beloften.
BOLINGBROKE. Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade onze bezweringen zien en hooren?
HUME. Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.
BOLINGBROKE. Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En nu, aan den gang.
(De Hertogin verschijnt op het balkon.)
HERTOGIN. Goed, mannen! weest allen welkom! Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.
BOLINGBROKE. Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd. De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht, De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd, Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen, En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen, Die tijd past voor ons voorgenomen werk. Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen, Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.
(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.)
GEEST. Adsum.
MARGRIET JORDAAN. Asmath! Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen; Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.
GEEST. Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31
BOLINGBROKE (de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot wacht hem?”
GEEST. Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af; Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.
(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.)
BOLINGBROKE. „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”
GEEST. Door water komt hij om en vindt zijn einde.
BOLINGBROKE. „Wat zal den hertog Somerset weervaren?”
GEEST. Kasteelen moog’ hij mijden; Veel veil’ger is hij op een zandig strand, Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen. Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.
BOLINGBROKE. Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer. Weg, booze geest!
(Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.)
(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met Wachten.)
YORK. Grijpt die verraders met hun tooverkraam!— Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!— Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze Zijn rijk en koning diep bij u in schuld; De lord protector brengt u zonder twijfel Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.
HERTOGIN. Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning. Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!
BUCKINGHAM (ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij dit?
(Hij houdt haar een papier voor.)
YORK. Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons; Stafford, voer gij haar met u.—
(De Hertogin boven af.)
Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht; Weg met hen allen!
(De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.)
YORK. Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt; Een prachtig plan om verder op te bouwen! Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft. Wat staat hier? (Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af; Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.” Nu, ’t is volkomen: Aio te, Æacida, Romanos vincere posse. Goed; verder; „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?— Door water komt hij om en vindt zijn einde.— Wat zal den hertog Somerset weervaren? Kasteelen moog hij mijden; Veel veil’ger is hij op een zandig strand, Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.” Wat zegt gij, lords? Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen, En zwaar ook te verstaan. De koning is op weg naar Sint-Albaans, De man van deze teed’re vrouw is bij hem; Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen, Den lord protector wel een boos ontbijt!
BUCKINGHAM. Dat ik de bode zij, mylord van York; Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.
YORK. Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?
(Een Dienaar komt op.)
Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!
(Allen af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Sint-Albaans.
Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen.
KONINGIN MARIA. Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords, Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar; En toch, de wind was sterk; tien tegen een, Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.
KONING HENDRIK (tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar boven, En steeg ver boven al die andren op! Hoe toont zich God in al zijn creaturen! Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!
SUFFOLK. Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid, Dat des protectors valken zoo goed stijgen; Zij weten, dat hun heer liefst boven is, En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.
GLOSTER. Mylord, het is een lage, logge geest, Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.
KARDINAAL. Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.
GLOSTER. En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon, Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?
KONING HENDRIK. De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!
KARDINAAL. Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19 Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat; Gevaarlijke protector, booze pair, Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!
GLOSTER. Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig? Tantæne animis cælestibus iræ? Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok: Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?
SUFFOLK. Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is Bij zulk een goede zaak en slechten pair.
GLOSTER. Als wie, mylord?
SUFFOLK. Voorwaar als gij, mylord, Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.
GLOSTER. Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.
KONINGIN MARGARETHA. Veel meer uw eerzucht, Gloster.
KONING HENDRIK. Lieve vrouw, Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan; Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.
KARDINAAL. Gezegend zij dan ik, die met het zwaard Den vrede aan den protector brengen wil.
GLOSTER (ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens daartoe komen!
KARDINAAL (ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft!
GLOSTER (ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht; Houd met uw eigen lijf den laster vol!
KARDINAAL (ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft, Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.
KONING HENDRIK. Wat is er, lords?
KARDINAAL. Neef Gloster, neen, uw dienaar Riep al te vroeg den valk terug; de jacht Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw tweehands-zwaard.
GLOSTER. Gij hebt gelijk, oom.
KARDINAAL (ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch.
GLOSTER (ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal.
KONING HENDRIK. Wat hebt ge, oom Gloster?
GLOSTER. Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders. (Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin; Of anders is mijn vechtkunst niets. 52
KARDINAAL (ter zijde). Medice te ipsum— Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!
KONING HENDRIK. De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder. Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet! Als zulke snaren valsche tonen geven, Hoe is er dan ooit hoop op harmonie? Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.
(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”)
GLOSTER. Wat voor geschreeuw is dit? Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?
DE MAN. Mirakel! Mirakel!
SUFFOLK. Kom hier, vertel den koning uw mirakel.
DE MAN. Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug, Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!
KONING HENDRIK. Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!
(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop volks.)
KARDINAAL. Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht, En stelt den man aan uwe hoogheid voor.
KONING HENDRIK. Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde Door ’t zien de lokking van de zonde meer.
GLOSTER. Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning; ’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.
KONING HENDRIK. Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg, Opdat wij God om u verheerlijken. Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?
SIMPCOX. Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.
VROUW SIMPCOX. Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.
SUFFOLK. Wie is die vrouw?
VROUW SIMPCOX. Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.
GLOSTER. Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.
KONING HENDRIK. En waar zijt gij van daan?
SIMPCOX. Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.
KONING HENDRIK. God heeft, arm man, u groote gunst gedaan; Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn; Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.
KONINGIN MARGARETHA. Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier, Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88
SIMPCOX. God weet het, louter vroomheid; honderdmaal En meer nog riep de goede Sint Albaan Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom, En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”
VROUW SIMPCOX. Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen, Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.
KARDINAAL. En zijt ge ook lam?
SIMPCOX. Ja, God almachtig help’ mij!
SUFFOLK. Hoe werdt gij dat?
SIMPCOX. ’k Ben uit een boom gevallen.
VROUW SIMPCOX. Een pruimeboom.
GLOSTER. En hoe lang zijt gij blind?
SIMPCOX. O, blindgeboren.
GLOSTER. Zoo, en klomt ge op boomen?
SIMPCOX. Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.
VROUW SIMPCOX. Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.
GLOSTER. Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!
SIMPCOX. Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen, En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.
GLOSTER. Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.— Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;— Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.
SIMPCOX. Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!
GLOSTER. Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?
SIMPCOX. Rood, heer, zoo rood als bloed.
GLOSTER. Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?
SIMPCOX. Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.
KONING HENDRIK. Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?
SUFFOLK. Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.
GLOSTER. Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.
VROUW SIMPCOX. Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.
GLOSTER. En kerel, zeg, hoe is mijn naam?
SIMPCOX. Ach, heer, ik weet het niet.
GLOSTER. En zijn naam?
SIMPCOX. ’k Weet niet.
GLOSTER. En ook de zijne niet?
SIMPCOX. Neen, waarlijk niet.
GLOSTER. Hoe is uw eigen naam? 124
SIMPCOX. Sander Simpcox, als het u belieft, heer.
GLOSTER. Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar In christenlanden. Werdt gij blind geboren, Dan kunt gij best al onze namen weten, Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt. Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden, Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.— Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder; Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot, Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf?
SIMPCOX. O, als de heer dit kon!