Chapter 11 of 24 · 3984 words · ~20 min read

Part 11

SUFFOLK. Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen, Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt. Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.

GLOSTER. Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis; Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt. Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk, Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst. Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?

YORK. Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht, En gij ons leger zijn soldij onthieldt, Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.

GLOSTER. Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden? ’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd, Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen. Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb, Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend! Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal, Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard, Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij! Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond, Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde, Aan ons bezettingsleger uitgekeerd, En nooit verlangde ik iets terugbetaald.

KARDINAAL. ’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.

GLOSTER. Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!

YORK. Voor euveldaden dacht gij als protector Vreemde, ongehoorde martelingen uit, En England werd berucht door zulk een wreedheid.

GLOSTER. Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur Mijn een’ge feil te groote deernis was, Want bij eens euveldaders tranen smolt ik, En liet hem vrij voor woorden van berouw. Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief, Die arme reizigers had uitgeschud, 129 Dan legde ik nooit de volle straf hem op. Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik, Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.

SUFFOLK. Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord, Doch grooter schuld wordt u te last gelegd, Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt. In naam des konings neem ik u in hechtnis; Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u, Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.

KONING HENDRIK. Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop, Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren; Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.

GLOSTER. O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk. Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt, Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd; Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert, En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen. Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven; En kon mijn dood dit land gelukkig maken, Waar’ die het einde van hun dwinglandij, Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven; Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk; Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden, Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet. Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid, Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat; De scherpe Buckingham geeft met zijn tong Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht; De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok, Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven; En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren Mij zonder reden oneer op het hoofd, En deedt met alle kracht en vlijt het uwe, Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd. Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,— Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,— Om naar mijn schuldloos leven mij te staan. Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel; Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan; Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden, Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.

KARDINAAL. Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk! Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden Voor des verraads verborgen, moordziek mes, Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden, En de euveldader vrijheid heeft van spreken, Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.

SUFFOLK. Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet Gesmaald met booze, slim gekozen woorden, Als had zij mannen omgekocht tot meineed, Om hem door valsch getuignis te doen vallen?

KONINGIN MARGARETHA. Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.

GLOSTER. ’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies; Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch! En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.

BUCKINGHAM. Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier. Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187

KARDINAAL. Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.

GLOSTER. Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg, Aleer hij stevig op zijn beenen staat!— Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd, En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt! O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan! ’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!

(Gloster door eenige Dienaren weggeleid.)

KONING HENDRIK. Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.

KONINGIN MARGARETHA. Uw hoogheid wil het parlement verlaten?

KONING HENDRIK. Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart; Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze; Mijn lichaam is van jammer gansch omgord; Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?— Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid; En, goede Humfried, de ure moet nog komen, Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen. Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien, Dat deze groote lords en onze gade ’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven? Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt, En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt, En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil, En voorttrekt naar het bloedig slagersblok, Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd; En evenals de moeder loeiend rondloopt, En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd, En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling, Bejammer ik des goeden Gloster’s val Met tranen, die niet helpen, blik hem na Met dofgekreten oog en kan niets doen, Want zijn gezworen haters zijn te machtig. ’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet: „Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”

(Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de laatste blijft afzonderlijk staan.)

KONINGIN MARGARETHA. Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon, Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken, Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn Misleidt hem, evenals de krokodil 226 Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt, Of als de slang, verscholen onder bloemen, Met glanzend bonte huid, een kind verwondt, Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant. Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,— En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,— Dra ware Gloster vrij van aardsche smart, En wij van alle vrees voor hem bevrijd.

KARDINAAL. Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst, Doch wij behoeven voor zijn dood een reden; Hij sterve naar den eisch van recht en wet.

SUFFOLK. Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst; Wis zal de koning trachten hem te redden, En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden; En beet’re gronden kunnen wij niet geven, Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.

YORK. Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.

SUFFOLK. O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.

YORK (ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.— (Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk, Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is, Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden, En Humfried, om den koning te beschermen?

KONINGIN MARGARETHA. Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.

SUFFOLK. Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin, Den vos als kuddewachter aan te stellen? Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd, Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten, Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd? Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is, Bewezen vijand van natuur der kudde, Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed, Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst. En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden; Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond, In slaap of wakend, alles is hetzelfde, Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog, Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.

KONINGIN MARGARETHA. ’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!

SUFFOLK. Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied; Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend; Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,— Wijl ik de daad als prijzenswaard erken, En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,— Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272

KARDINAAL. Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk, Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen. Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt, En ik bezorg u, die de daad volvoert; Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.

SUFFOLK. Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.

KONINGIN MARGARETHA. Dit zeg ook ik.

YORK. En ik; en nu wij drieën dit besloten, Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.

(Een Bode komt op.)

BODE. Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven, En de Engelschen verdelgen met het zwaard. Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede, Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt; Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.

KARDINAAL. Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt. Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?

YORK. Dat Somerset er heenga als regent. Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles; ’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.

SOMERSET. Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst, In mijne plaats regent er was geweest, Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.

YORK. Niet tot het land verloren was, als gij; ’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet, Dan zulk een last van schande thuis gebracht, Door tot het land verloren was te blijven. Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed; Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.

KONINGIN MARGARETHA. Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit, Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.— Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;— Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.

YORK. Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!

SOMERSET. En onder hen op u, die schande wenscht.

KARDINAAL. Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt. De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand En weeken woest hun grond met Engelsch bloed; Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren, Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen, En tegen de Ieren uw geluk beproeven?

YORK. Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.

SUFFOLK. Nu, ons gezag is ook des konings jawoord, En wat wij hier bepalen vindt hij goed; Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318

YORK. Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords; Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.

SUFFOLK. Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten. Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.

KARDINAAL. Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen, Dat hij ons verder nimmer lastig zij; En nu van hier, de dag is schier voorbij;— Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.

YORK. Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers Te Bristol binnen veertien dagen tijds; Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.

SUFFOLK. Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.

(Allen af, behalve York.)

YORK. York, nu of nimmer, staal uw angstig hart, En worde uw weiflen vastbeslotenheid; Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt, Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig. Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen, Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart. Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld, Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt. Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin, Spant rustloos voor mijn haters net op net. Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht, Mij weg, van hier te zenden met een heermacht. Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang, Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt. Manschappen miste ik en die geeft gij mij; Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man Drukt gij recht scherpe wapens in de hand. Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik Een zwarten storm in England op; die blaast Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts; En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet, Aleer de gouden haarband om mijn hoofd, Gelijk der eed’le zonne held’re stralen, De woede stilt der dol verwekte vlaag. En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik Een stuggen Kentschen dolkop overreed, John Cade uit Ashford, Oproer te maken, wat hij goed verstaat, En voor John Mortimer zich uit te geven. Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens Zich weren tegen heel een bende Kernen; Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen Geleken op een toornig stekelvarken; 363 En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem Een hoogen sprong doen als een moorendanser, Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes. Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern Vermomd, gesprekken met den vijand aan, Kwam onontdekt tot mij terug en gaf Mij dan berichten van hun schurkerijen. Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier; Want op den pas gestorven Mortimer Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak; ’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis, En de aanspraak op den troon, van York behaagt. En stel, hij werd gegrepen en gefolterd, Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen, Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef. O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is, Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland, En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid; Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn, En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.

(York af.)

TWEEDE TOONEEL.

Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis.

Eenige Moordenaars komen haastig op.

EERSTE MOORDENAAR. IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden, Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.

TWEEDE MOORDENAAR. Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan? Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?

EERSTE MOORDENAAR. Daar komt mylord.

(Suffolk komt op.)

SUFFOLK. Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?

EERSTE MOORDENAAR. Ja, beste hertog, hij is dood.

SUFFOLK. ’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis; Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen. De koning komt daar aan met al zijn pairs. Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles Geheel in orde naar mijn last?

EERSTE MOORDENAAR. In orde, beste lord.

SUFFOLK. Nu goed; van hier!

(De Moordenaars af.)

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.)

KONING HENDRIK. Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons; Wij willen heden zijn genade hooren, Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.

SUFFOLK. Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.

(Suffolk af.)

KONING HENDRIK. Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen, Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe, Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.

KONINGIN MARGARETHA. Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22 En schuldeloos een pair veroordeeld wierd! Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!

KONING HENDRIK. Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.

(Suffolk komt weder op.)

Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij? Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!

SUFFOLK. Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.

KONINGIN MARGARETHA. O, dit verhoede God!

KARDINAAL. Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd, Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.

(De Koning valt in onmacht.)

KONINGIN MARGARETHA. Mijn vorst, hoe is ’t?—Helpt, lords, de koning sterft!

SOMERSET. Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.

KONINGIN MARGARETHA. Loopt, helpt!—O Hendrik, sla toch de oogen op!

SUFFOLK. Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!

KONING HENDRIK. O eeuw’ge God!

KONINGIN MARGARETHA. Hoe gaat het mijn gemaal?

SUFFOLK. Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!

KONING HENDRIK. Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten? Zong hij niet juist een ravenlied mij toe, Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde, En waant hij, dat het tjilpen van een musch, Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept, Den eerst vernomen klank verjagen kan? Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden; Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik; ’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek! Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht! In booze majesteit zit op uw oogen Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld; Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken. Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk; En dood den man, die u onschuldig aanstaart; In schaduwen des doods slechts vind ik heil, In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.

KONINGIN MARGARETHA. Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo? Ofschoon de hertog hem vijandig was, Beklaagt hij als een christen toch zijn dood. Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte, Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken En bloedverterend zuchten hem kon wekken, Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62 Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten, Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien. Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft? Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren; Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord; Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden En vorstenhoven met mijn smaad vervullen! Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge! Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!

KONING HENDRIK. Ach, arme Gloster! o rampzalig man!

KONINGIN MARGARETHA. Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger. Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat? Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan! Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden? Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw! Is al uw troost in Gloster’s graf besloten? O, dan was Margaretha nooit uw vreugd; Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan: Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild. Was ik daarom op zee bijna vergaan? Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg, Van Englands kust terug naar ’t vaderland? Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend, Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest! En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?” Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen, En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte, En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust, Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!” Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol, En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over. Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig Mij te verdrinken; o, zij wist te wel, Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken In tranen, zilter dan het nat der zee; De scherpe klippen doken in het zand Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len, Opdat uw steen en hart, dat harder is, Uw Margaretha doodde in uw paleis. Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde, Toen ons de storm terugsloeg van uw kust, Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek; En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht, Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken, Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107 Het was een hart, gevat in diamanten,— En wierp het naar uw land. De zee ontving het; En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt; Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer; ’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl De veel gewenschte krijtzoom hun ontging. Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk, Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,— Mij te betoov’ren, evenals Ascanius, Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend, Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij? Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha, Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.

(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het volk dringen door de deur naar voren.)

WARWICK. De goede hertog Humfried, machtig vorst, Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn. ’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm, Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt. Ik bracht hun felle muiterij tot staan, Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.

KONING HENDRIK. Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick; Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet. Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam; Verklaar uzelf de reden van zijn dood.

WARWICK. Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij, Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.

(Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de deur.)

KONING HENDRIK. Gij rechter aller dingen, strem mijn denken! Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden, Dat Humfried door geweld het leven liet. Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God! Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe. Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen Met twintigduizend kussen en besproeide ik ’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen, Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet, En drukte met mijn hand zijn doode hand! Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar; En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel, Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?

(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.)

WARWICK. Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.

KONING HENDRIK. Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is; Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem; Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.

WARWICK. Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153 Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden, Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.

SUFFOLK. Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken! Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?

WARWICK. Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef! ’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden, Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed, Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was, Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood, ’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren; Doch met het hart wordt dit daar koud en keert Nooit weer om aan de wangen gloed te geven. Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart, Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde, Strak, starend als een man, die wordt gewurgd; Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len, Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep, Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd. En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast; Zijn netgehouden baard is ruig, verward, Als koren, dat een storm ter neder sloeg. Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord; Het minste dezer teekens waar’ bewijs.

SUFFOLK. En wie dan zou den hertog dooden, Warwick? Ik had hem in mijn hoede met Beaufort, En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.

WARWICK. Zijn vijanden, gezworen haters waart gij, En saam bewaaktet gij den goeden hertog; Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend, En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.

KONINGIN MARGARETHA. Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.

WARWICK. Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend, En dicht daarbij den slachter met de bijl, En argwaant niet, dat hij het dier versloeg? Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs En zal niet raden, hoe de vogel stierf, Al vliegt de valk met onbebloeden snavel? Niet minder is dit treurspel hier verdacht.