Chapter 6 of 24 · 3722 words · ~19 min read

Part 6

SUFFOLK. Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,— En zelf geen deel te hebben in de keus.— Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?

MARGARETHA. Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.

SUFFOLK. Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!— Prinses, wij willen voor uws vaders burg Hem dringend vragen om een mondgesprek.

(Troepen komen nader.)

(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.)

SUFFOLK. Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.

REIGNIER. Van wien?

SUFFOLK. Van mij?

REIGNIER. Suffolk, wat baat te vinden? Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal, Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134

SUFFOLK. Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden; Sta toe, en sta het voor uw eere toe, Dat uwe dochter met mijn koning huwt. Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen, En deze hechtnis, licht en zacht genoeg, Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.

REIGNIER. Meent Suffolk wat hij zegt?

SUFFOLK. De jonkvrouw weet, Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.

REIGNIER. Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord, Om antwoord op uw aanzoek u te geven.

(Reignier af, van den muur.)

SUFFOLK. En ik wacht hier uw komst af.

(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.)

REIGNIER. Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied; Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.

SUFFOLK. Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk, Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen. Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?

REIGNIER. Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen, Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen, Anjou en Maine in vrede mag bezitten, Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld, Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.

SUFFOLK. Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij, En beide deze landen, ’k neem het op mij, Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.

REIGNIER. En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik, Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst, Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.

SUFFOLK. Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank, Naardien dit hand’len voor een koning is. (Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.— (Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws En draag er voor de huwlijksviering zorg. Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant, Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.

REIGNIER. Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier, Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.

MARGARETHA. Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174

(Zij wil heengaan.)

SUFFOLK. Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha, Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?

MARGARETHA. Al zulke groeten, als zij aan een maagd, Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.

SUFFOLK. Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd! Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,— Geen liefdepand voor zijne majesteit?

MARGARETHA. Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart, Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.

SUFFOLK. En dit daarbij.

(Hij kust haar.)

MARGARETHA. Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.

(Reignier en Margaretha af.)

SUFFOLK. O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg! Begeef u niet in zulk een labyrinth; Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad! Win Hendrik door het roemen van dit wonder, Stel u haar weergalooze deugden voor, Die gaven der natuur, die kunst verduistren; Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw, Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt, Hem zijn bezinning door verbazing rooft.

(Suffolk af.)

VIERDE TOONEEL.

Het legerkamp van den hertog van York in Anjou.

York, Warwick en Anderen komen op.

YORK. Brengt nu de tooverheks, die branden moet.

(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.)

HERDER. O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart! Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht, En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind, Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood? O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.

PUCELLE. Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm! Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten, Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.

HERDER. Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet; Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel, Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan, En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.

WARWICK. Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?

YORK. Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15 Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.

HERDER. O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn! God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed, En meen’gen traan heb ik om u geschreid: Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!

PUCELLE. Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald, Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.

HERDER. ’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester, Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.— Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!— Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik, Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt, In rattengif verkeerd om uwentwille! Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren, Een uitgevaste wolf u opgevreten! Zweert gij uw vader af, vervloekte slet? Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.

(De Herder af.)

YORK. Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd, Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.

PUCELLE. Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt: Geenszins de dochter van een armen scheper, Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams, Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren: En aangeblazen door des hemels gunst, Om wondren, nooit gezien, op aard te werken. Met booze geesten had ik nooit te doen; Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt, Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen, Met duizenden van ondeugden besmet,— Dewijl gij Gods genade, die aan andren Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk, Wondren te werken zonder ’s duivels hulp! Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds, En van haar prille jeugd, een reine maagd, Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten; Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed Om wrake schreien aan des hemels poorten.

YORK. Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!

WARWICK. En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is, Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg; Zet tonnen pek rondom den folterpaal, Opdat gij zoo de martling haar verkort.

PUCELLE. Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59 Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht, Die naar de wet een voorrecht u verleent.— Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger; Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot, Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.

YORK. Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!

WARWICK. Het grootste wonder, ooit door u gedaan! Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?

YORK. Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld; Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.

PUCELLE. Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem; ’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.

YORK. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Het sterft, al waar het duizend levens rijk.

PUCELLE. O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel, En ook de hertog, dien ik noemde, niet; Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.

WARWICK. Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!

YORK. Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht, Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.

WARWICK. Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.

YORK. En toch, wel ja, zij is een reine maagd!— Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’ Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.

PUCELLE. Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek. Dat nimmermeer de lichte zon haar glans Doe stralen op het land, door u bewoond; Dat nacht en schaduwen des doods u steeds Omgeven, tot u onheil en vertwijfling Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!

(De Pucelle met de Wacht af.)

YORK. Val uit elkaar, en word tot asch verteerd, Vervloekte, vuige dienares der hel!

(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal Beaufort, komt op met Gevolg.)

KARDINAAL. Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet Met dezen volmachtsbrief van onzen koning. Want weet, de staten van de christenheid, Om dezen woesten strijd vol mededoogen, Verlangen dringend, dat er tusschen ons En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’; En reeds komt de dauphijn hier met gevolg Om over enkle punten te onderhandlen.

YORK. Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102 Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs, Aanvoerders, edellieden en soldaten, Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf Voor Englands welzijn fier ten beste gaven, Ten laatste nu een laffen vrede sluiten? Verloren wij door trouwbreuk, door verraad En valschheid niet alreeds schier alle steden, Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?— O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart ’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!

WARWICK. York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten, Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn, Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.

(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en Anderen.)

KAREL. Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is, In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen, Zoo komen wij thans van uzelven hooren, Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,

YORK. Spreek, Winchester, want heete gal verstopt Den hollen gang van mijn gevangen stem, Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.

KARDINAAL. Karel, en gij andren, dit is vastgesteld: Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis U koning Hendrik ingewilligd heeft, Uw land te ontheffen van den druk des krijgs, Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men, Moet gij vazallen worden van zijn kroon, En, Karel, op beding, dat gij bezweert Hem schatting op te brengen, en hem huldigt, Zult gij, als vicekoning onder hem, Voortaan u in uw koningsrang verheugen.

ALENÇON. Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn? Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren, En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed, Alleen het recht eens onderdaans behouden? Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.

KAREL. Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied Meer dan de helft alreeds in mijn bezit, En word er als rechtmatig vorst geëerd; En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel, Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan, Slechts vicekoning heeten van ’t geheel? Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend, De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.

YORK. Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven; En nu het komen zal tot een verdrag, Treedt gij terug en weegt en meet en rekent? Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert, Nu als geschenk van onzen koning aan, Geen aanspraak er op makend als een recht, Of reken op een eindeloozen krijg. 154

REIGNIER. Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag; Verzuimen wij dit nu, tien tegen een, Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.

ALENÇON (zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek, Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet; Neem daarom deze wapenschorsing aan, Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.

WARWICK. Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?

KAREL. Het zij; Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.

YORK. Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit: Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan, Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—

(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.)

En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt, Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen, Want heilig is de nu gesloten vreê.

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter volgen.)

KONING HENDRIK. ’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring Der schoone Margaretha, graaf, verstomd; Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid, Verwekken mij der liefde drang in ’t hart En evenals de macht van woeste vlagen Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom, Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort, Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen Waar ik mij in haar min verheugen mag.

SUFFOLK. Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard; Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,— Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken— Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels, In staat, den stompsten geest nog te verrukken. En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’, Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên, Toch is zij met gelijken zieledeemoed Geheel bereid om u ten dienst te zijn, Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid U als gemaal te minnen, te vereeren. 21

KONING HENDRIK. Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen. Stem daarom, lord protector, toe, en zeg: „Zij Margaretha Englands koningin!”

GLOSTER. Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien. Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien, Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken, En niet onze eer ontwijden door een blaam?

SUFFOLK. Als vorsten doen met onrechtmatige eeden; Of zoo als een, die toezeide op een steekspel Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat, Omdat zijn tegenstander hem te min is. Eens armen graven dochter is te min; Haar op te geven is daarom geen oneer.

GLOSTER. En wat is Margaretha meer dan zij? Haar vader is niet beter dan een graaf, Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.

SUFFOLK. Ja, beste heer, haar vader is een koning, Is vorst van Napels en Jeruzalem, En bovendien in Frankrijk zoo geacht, Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert, De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.

GLOSTER. Dit doet de graaf van Armagnac niet minder, Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.

EXETER. Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift, Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.

SUFFOLK. Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning, Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn, Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde. Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken; Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden. O, lage boeren dingen zoo om vrouwen, Als marktlui om een rund, een schaap, een paard. Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig, Om die door zaakwaarnemers af te doen; En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht, Zij de genoote van zijn huwlijksbed. En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint, Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest, Om haar in onze meening uit te lezen. Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel, Een gansche leeftijd vol van twist en strijd? Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65 Wie huwen wij met Hendrik, met een koning, Dan Margaretha, dochter van een koning? Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga, Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning; Haar wakk’re geest en onbezweken moed,— Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,— Is ons een borg voor kroost, een koning waardig; Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars, Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars, Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden Als Margaretha zich verbindt in liefde. Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in: Slechts Margaretha zij hier koningin.

KONING HENDRIK. Is ’t door de toovermacht van uw bericht, Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,— Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit: Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht, Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees, Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben. Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk; Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen: Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee Naar England oversteke en zich laat kronen Als Hendriks trouwe gade en koningin. Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending Kunt gij een tiende heffen van ons volk. Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94 Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.— En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren; Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart, Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil. En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.

(Koning Hendrik af.)

GLOSTER. Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.

(Gloster en Exeter af.)

SUFFOLK. Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta; Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden, Maar met een beter slot dan die Trojaan.— Beheersche Margaretha nu den koning; Ik echter haar, den koning en het rijk!

(Suffolk af.)

AANTEEKENINGEN.

Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie deelen van Koning Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden, welke den ondergang van de beide koningshuizen van Lancaster en York schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de vroegste werken van den grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling van het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals gewoonlijk het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de volgorde der vorsten, teleurgesteld wordt, wanneer hij na Richard II, Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI ter hand neemt. Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit, draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd des dichters. Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning Hendrik V (zie boven blz. 605), medegedeeld, dat Hendrik VI aan laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan.

Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K. Hendrik VI onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is het verschil tusschen deze werken en die van zijn lateren tijd niet alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst natuurlijk. Even natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch tooneel bloeide, dat in 1562 reeds het eerste treurspel, Gorboduc, van Sackville en Norton, gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van tooneeldichters gevolgd is, waaronder Nash, Peele, Kyd, Green en Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, dat de jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn Titus Andronicus geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in zijn Hendrik VI, schoon deze stukken zeker van iets latere dagteekening zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers doet denken. Slechts hierover kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft nagevolgd en zoo spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen.

Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare en die van latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk zijn, werd reeds vroeg twijfel geopperd, of zij inderdaad van Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste deel in twijfel getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem herkomstig zijn, werd naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel zelfs kleingeestige onderzoekingen, waarbij de eene onderstelling op de andere gestapeld werd, door verscheidenen als bewezen beschouwd. In het laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare het eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde deel slechts naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn later, met name door Knight, zoo voldingend wederlegd, en in hun nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig is, dit hier nogmaals te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen dichter, of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn vertaling van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door Shakespeare in hun geheel ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier in het kort zal worden aangetoond, uit hun geheelen aanleg af te leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld te worden, omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry Condell, in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in den beroemden folio van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn opgenomen.

Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet, staat op zichzelf, alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van Hendrik VI komen tooneelen voor, die geen ander doel hebben dan voor te bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die in het volgend stuk ten tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste stuk: de twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van Mortimer met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen, het aanzoek van Suffolk om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen zijn van een zelfstandig stuk. En niet alleen zijn in het eerste deel de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede weeft met deze draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede van het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van het eerste deel in het belang van zijn drama de volgorde der gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover later meer,—en dat deze wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht genomen worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van Orleans, hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later plaats greep, en de dichter heeft het sterven van Talbot en zijn zoon hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het tweede stuk is en blijft Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, dan had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een krachtige en wettige reden van ontevredenheid over de leiding van den oorlog.