Chapter 23 of 24 · 3960 words · ~20 min read

Part 23

De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad; in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist, hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen. Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot hertogen van Clarence en van Gloster benoemd.

De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de kroniek het volgende:

Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen. Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar bevallig voorkomen, haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was, en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk, omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs; de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd; een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in den persoon van den hertog van Milaan.

Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde. Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe; niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning, maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna. Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven.

Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset, was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings, Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, waar zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,” zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg, bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15 jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon te beklimmen.

Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden, dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan. Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward, die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April 1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats. Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower teruggebracht.

Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren, maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten; zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4 Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen, die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.” Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar geboorteland.

Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van Gloster, hem met zijn dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood, van verdriet gestorven is.”

In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp, die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was [5]. Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen, dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter waardig is.

I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor; hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben en niet terstond kon nageslagen worden.

I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar zijn hof wil gaan.

I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken.

I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent.

I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March. Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers, door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den troon ontleende.

I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V, wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns broeders dood op hem was overgegaan.

I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil, was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf Salisbury.

I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle in Yorkshire.

I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken.

I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden.

I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!”

I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de Irving-editie ontleend.

I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd.

II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog Richards dood drie zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren: „Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd liever dan de mannetjes.”

II. 1. 145. En George, uw broeder enz. Dit is niet historisch.

II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child, whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de juistheid van het spreekwoord.

II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later Menelaus genoemd.

II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden.

II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury, Warwick’s vader, viel.

II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke, dat de zoon de helmklep van den doode oplicht.

II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is, omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft, en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen, enz. niet vrij van verwardheid.

II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood.

III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen.

III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij Wakefield.

III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen, pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers, waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.”

III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste, zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken.

IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan zijn andere Gloster, Clarence, Somerset en Montague.

IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan.