Part 24
IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter, en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon beschouwd.
IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het volgend stuk, K. Richard III, voorbereid.
IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden.
V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de volksuitspraak voor Daventry.
V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het paleis des Bisschops van Londen.
V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een kanonschot.”
V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest.
V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus.
V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet, II. 2. 410.
V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken.
V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54.
V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste, Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar.
VOETNOTEN
[1] Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat omtrent de wijze, waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn gekomen, en omtrent de echtheid en onechtheid van verschillende gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik VI”. Wie hierin verder wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes (1896) pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar aangehaalde werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal het een moeilijk werk vinden, tot een zekere uitkomst te geraken.
[2] Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door del’ Averdy gegeven en vervat in het derde deel der Notices et extraits des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790. Dit werk bevindt zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar.
[3] Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in Karel Hase, Neue Propheten. Leipzig 1851 en (2de druk) 1861; sedert is het aantal geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk vermeerderd, met name in Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G. Fr. Eysell.
[4] Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt.
[5] Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander uitgebreid werk over algemeene geschiedenis, zooals dat van Weber of Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, of bijzondere werken over dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit de kronieken zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral het uitmuntend overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn Hoogduitsche vertaling van „K. Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag gelegd.