Chapter 17 of 24 · 3993 words · ~20 min read

Part 17

RICHARD. Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij Een echte, wettige overheid hem afneemt, Die over hem, die zweert, gezag bezit; Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd; Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,— En dus, mylord, uw eed is nul en nietig. Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader, Hoe schoon het is, een diadeem te dragen, Hoe in zijn omtrek een Elysium is, En elk geluk en heil, dat dichters malen. Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust, Alvorens ik de witte roos, die ’k draag, In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.

YORK. Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.— (Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen; Spoor Warwick tot deze onderneming aan.— Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk, En deel hem heim’lijk onze plannen mee.— Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden, Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan; Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten, Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed. Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen, Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan, Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan, Noch iemand van het huis van Lancaster?

(Een Bode komt op.)

Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?

BODE. De koningin, met al de lords van ’t noorden, Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren. Zij rukt met twintigduizend man ginds aan; Versterk daarom uw veste goed, mylord.

YORK. Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?— Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;— Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen, En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren, Die bij den koning als protectors bleven, Met krachtig staatsbeleid zich te versterken, Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.

MONTAGUE. Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60 Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.

(Montague af.)

(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.)

YORK. Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer, Gij komt te goeder ure in Sandal aan; De macht der koningin wil ons beleeg’ren.

SIR JOHN MORTIMER. Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.

YORK. Wat! met vijfduizend man?

RICHARD. Ja, vader, met vijfhonderd man des noods; Een vrouw is generaal, wat is te duchten?

(Een marsch in de verte.)

EDWARD. Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend; Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!

YORK. Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht; Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning. In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen, Waarin de vijand tien was tegen één; Waarom zou ik niet even goed nu slagen?

(Alarmsignalen.—Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Eene vlakte nabij slot Sandal.

Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen op.

RUTLAND. Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen? Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!

(Clifford komt op, met Soldaten).

CLIFFORD. Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven; Maar hier dit jong van den vervloekten hertog, Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.

LEERMEESTER. Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.

CLIFFORD. Soldaten, sleept hem weg.

LEERMEESTER. O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind, En maak u niet gehaat bij God en menschen.

(Hij wordt door soldaten weggevoerd.)

CLIFFORD. Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees, Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.

RUTLAND. Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan, Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt; Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi, Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!— O, lieve lord, versla mij met uw zwaard, En niet met zulk een wreeden, fellen blik. O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf: Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt; Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!

CLIFFORD. Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22

RUTLAND. Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen; Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.

CLIFFORD. Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg. Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op, Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen, Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan. Het zien van wien ook van het huis van York Is als een furie, die het hart mij foltert; En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb, Geen leven sparend,—leef ik in de hel. Daarom,—

RUTLAND. O laat mij bidden, eer de dood mij treft;— Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!

CLIFFORD. Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.

RUTLAND. Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?

CLIFFORD. Uw vader deed het wel.

RUTLAND. Vóór mijn geboorte. Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil, Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake Verslagen word’, zoo jammervol als ik. O, laat mij levenslang gevangen zijn, En geef ik ooit u grond tot ergernis, Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.

CLIFFORD. Geen reden? Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.

(Hij doorsteekt hem.)

RUTLAND. Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.

(Hij sterft.)

CLIFFORD. Plantagenet! ik kom, Plantagenet! Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft, Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.

(Clifford af.)

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte der vlakte.

Strijdgedruisch. York komt op.

YORK. De macht der koningin behoudt het veld: Om mij te redden vielen beî mijn ooms; Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten Mijn volgers, snel als schepen voor den wind, Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf. Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer; Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen, Tot roem geboren, beide in dood en leven. Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij, En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!” En even vaak kwam Edward mij op zijde, Met purperroode kling, tot aan ’t gevest Met zijner weerpartijders bloed geverfd; En toen de meest geharde krijgers weken, Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!” Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf! Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!” Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach! Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20 Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.

(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.)

Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen; En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten; En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden. Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt; ’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.

(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van Wales en Soldaten komen op.)

Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland, Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede Blaas ik hier aan tot feller razernij. Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.

NORTHUMBERLAND. Geef op genade u over, trotsche York.

CLIFFORD. Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm Als afbetaling aan mijn vader schonk! Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld En deed het avond zijn op ’t middaguur.

YORK. Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel Verwekken, die mij op u allen wreekt; En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel, En ik belach, wat gij mij aandoen kunt. Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?

CLIFFORD. Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards: Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw; Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.

YORK. O Clifford, denk een oogenblik terug, En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest, En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan; Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt, Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.

CLIFFORD. Ik wil niet woord voor woord u wedergeven, Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.

(Hij trekt zijn zwaard.)

KONINGIN MARGARETHA. Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—

(Clifford dringt op York steeds aan.)

(Tot Northumberland.) Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!

NORTHUMBERLAND. Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54 Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen. Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt, De hand te steken tusschen ’t scherp gebit, Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen? ’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen; Tien tegen een werpt op den moed geen smet.

(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.)

CLIFFORD. Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.

NORTHUMBERLAND. Zoo trappelt het konijntje in het net.

(York wordt gevangen genomen.)

YORK. Zoo juub’len dieven om een goeden buit; Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.

NORTHUMBERLAND. Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?

KONINGIN MARGARETHA. Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland, Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man, Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep, Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.— Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn, Die in ons parlement den baas kwaamt spelen, Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam? Waar is uw viertal zoons om u te steunen? De dartele Edward en de lachbek Clarence! En waar het dapp’re kromme wangedrocht, Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten? En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland? Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed, Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards Liet stroomen uit de borst van uwen knaap; Indien uw oogen om hem schreien kunnen, Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.

(Zij werpt hem den doek toe.)

Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen. Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York. Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit, Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt? Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu; Ik hoon u zoo, om razend u te maken; Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’! O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt; York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!— Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.— Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.

(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.)

Ja, nu ziet hij er als een koning uit! Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam; Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.— Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99 Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak? Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn, Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had. En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken, Zijn slapen van den diadeem berooven, Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots? O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.— Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd! Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!

CLIFFORD. Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.

KONINGIN MARGARETHA. Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.

YORK. Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven, Wier tong meer gift heeft dan een addertand! Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus Te juub’len als een Amazone-snol Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat! Ware uw gelaat niet roerloos als een mom, Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen, Ik zou beproeven, trotsche koningin, Een blos u aan te jagen, want te zeggen Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet. Uw vader draagt den koningstooi van Napels, De twee Siciliën en Jeruzalem, Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger; Heeft u die arme vorst uw trots geleerd? Maar, trotsche koningin, dit baat u niets, Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.” Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig; Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan. ’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren; Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel. ’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt; Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend. Van al wat goed is zijt gij afgekeerd, Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons, Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden. O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld! Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len, Opdat de vader de oogen er mee wischte, En toch het uitzicht hebben van een vrouw? Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam, Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos. Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch. Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil. Want storm, die raast, blaast zware buien saam, En als het razen luwt, dan komt de regen. Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland, En elke druppel schreeuwt om wraak op u, Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!

NORTHUMBERLAND. Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150 Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.

YORK. Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig, Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt; Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar, Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië. Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen! Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek, En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg; Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;

(Hij werpt den doek terug.)

En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid, Bij God, uw hoorders zullen tranen storten, Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten, En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”— Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,

(Hij werpt de papieren kroon neer.)

En vind, in uwen nood, denzelfden troost, Als thans uw al te wreede hand mij biedt!— Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!— Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!

NORTHUMBERLAND. Al had hij allen van mijn bloed geslacht, Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen, Nu ik dien diepen zielejammer zie.

KONINGIN MARGARETHA. Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland! Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed; Dit zal die weeke tranen ras u drogen.

CLIFFORD. Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!

(Hij doorsteekt York.)

KONINGIN MARGARETHA. En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!

(Zij doorsteekt York mede.)

YORK. Ontsluit uw hemelpoort, genadig God! Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.

(Hij sterft.)

KONINGIN MARGARETHA. Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York; Zoo overblikke York zijn veste York.

(Trompetgeschal. Allen af.)

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een vlakte bij Mortimer’s Kruis in Herefordshire.

Een marsch. Edward en Richard komen op, met hun troepen.

EDWARD. Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn? En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet, Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging? Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend; Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend; Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij De blijde tijding zeker reeds vernomen.— Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt?

RICHARD. Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet, Wat onzen dapp’ren vader is bejegend. Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf, Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas. Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang, Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren, Of als een beer, van honden gansch omringd, Die enk’len met een klauwslag janken doet, Zoodat de rest uit verre verte keft. Zoo deed daar onze vader met den vijand; Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader; Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.— Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt; Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt!

EDWARD. Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? 25

RICHARD. Drie schitterzonnen, elk een gansche zon, Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden, Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw. Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar, Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld; Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon! Dit is een voorbeduidsel aan den hemel!

EDWARD. Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords. Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld, Waar wij, de zoons van den krijgshaften York, Schoon ieder stralend met ons eigen licht, Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard Bestralen moeten, als de zon ’t heelal. Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild Van dit uur af drie blonde zonnen voeren.

RICHARD. Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,— Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon.

(Een Bode komt op.)

Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt, Dat booze tijding op de tong u zweeft?

BODE. Ach, een, die diep ontsteld getuige was, Hoe de eed’le hertog York verslagen werd, Uw hooge vader, mijn beminde heer.

EDWARD. O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord.

RICHARD. Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. 49

BODE. Omsingeld was hij van des vijands benden En wederstond hen, als eens Troje’s schuts De Grieken, die in Troje wilden dringen. Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules, En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik. Een tal van handen overmande uw vader; Doch hem vermoordde alleen de gramme hand Des fellen Clifford’s, en der koningin. Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende, Gaf hem de deernislooze koningin, Opdat hij zich de wangen er mee wischte, Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford, En na veel hoon en lagen, fellen spot Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet; De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard!

EDWARD. Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden! Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut! O Clifford, felle Clifford! gij versloegt De bloem der ridderschap van gansch Europa; ’t Was door verraad, dat gij hem overmocht; Man tegen man had hij wis u verwonnen. Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker; O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd! Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken; Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe!

RICHARD. Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart; Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen, Want de adem, die tot spreken dienen moest, Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen. Het weenen maakt den weedom minder diep; Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!— Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood; Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel!

EDWARD. De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u; Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij.

RICHARD. Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend, Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht! Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel; Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem.

(Een marsch. Warwick en Montague komen op, met hun troepen.)

WARWICK. Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? 96

RICHARD. O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws Verhalen moesten en bij ieder woord Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind, Der woorden pijn ware erger dan de wonden. O dapp’re lord, de hertog York is dood.

EDWARD. O Warwick, Warwick! die Plantagenet, Die u zoo lief had als zijn eigen ziel, Is door den wreeden Clifford omgebracht.

WARWICK. Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren, Door ’t melden van wat verder is geschied. Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader, De wakk’re held, den laatsten adem uitblies, Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden, Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden. Ik, die in Londen ’s konings hoeder was, Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam, En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust, Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten, En nam tot zekerheid den koning meê; Want mijn spionnen hadden mij gemeld, Dat zij in ’t veld was met het vast besluit Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht En Hendriks eed, geheel te niet te doen. Om kort te gaan, wij werden handgemeen Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig; Maar, of het nu des konings koelheid was, Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte, Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam; Of het gerucht misschien van haar geluk; Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid, Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert, Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden, Hùn vechten was een bliks’men met de wapens, En onze slagen,—zacht als uilenwieken, Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen. Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht, Beloften van hoog loon en rijken buit;— Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten, En ons de hoop om zoo te zegevieren. Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade, Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,— Spoorslags hierheen, om u thans te versterken, Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd.

EDWARD. Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk? En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië?

WARWICK. Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen, En George, uw broeder, werd door uwe moei, Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft.

RICHARD. Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; 148 Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen, Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week.

WARWICK. En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort; Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks, Den hoogen scepter uit de hand hem wringt, Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk, Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom.

RICHARD. Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet; Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken. Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd? Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen, In zwarten rouw ons hullen, en met kralen De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden? Of zullen we op der weerpartijders helmen Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen? Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit!

WARWICK. Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord; En hiertoe komt mijn broeder Montague. Geeft acht, mylords. De drieste koningin Heeft reeds, met Clifford en Northumberland En and’re trotsche vogels van die veêren, Den weeken koning omgekneed als was. Bezworen werd door hem uw erfopvolging, Zijn eed werd bij het parlement geboekt; En nu is hun geheele troep naar Londen, Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn, Wat aan het huis van Lancaster kan schaden. Hun macht is, meen ik, dertigduizend man; Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf Met alle vrienden, wakk’re graaf van March, Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen, Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,— Welaan, naar Londen dan met alle macht, Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen, Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!” Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht!

RICHARD. Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken. Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’, Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt.

EDWARD. Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen; Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!— Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel!