Chapter 22 of 24 · 3706 words · ~19 min read

Part 22

KONINGIN MARGARETHA. Verheven lords, Geen wijze zit en jammert om verliezen; Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van. Zij ook de mast ons overboord gewaaid, De kabel middendoor, het anker weg, En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden, Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje Met vochtige oogen vocht giet bij de zee, En dat versterkt, wat al te sterk reeds is, Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed En vlijt kon redden, op de klippen stoot? O welk een schande, welk een schuld waar’ dit! Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog? En Montague de bramsteng,—wat dan verder? Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu? Is Oxford hier ons niet een ander anker, En Somerset een and’re goede mast, En onze Fransche vrienden want en tuig? 18 Kan ik met Edward niet, schoon onervaren, Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods? Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen; Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen. Of gij de baren hoont of prijst, is een. En wat is Edward dan een booze zee? En Clarence dan een drijfzand vol bedrog? En Richard dan een dood’lijk scherpe rots? Die allen zijn onze arme hulk vijandig. Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang; Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in; Omklem de rots, de vloed spoelt u er af, Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood. Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat, Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten, Niet meer genade bij de broeders vindt, Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen. Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten, Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.

PRINS. Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest, Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde, Zijn borst vervullen van een heldenmoed, Om naakt een man in waap’nen te verslaan. Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u; Want als ik iemand hier van vrees verdacht, ’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan, Opdat hij in den nood geen ander aansteek’ En van denzelfden geest doe zijn als hij. Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!— Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.

OXFORD. Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,— En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.— O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!

SOMERSET. En wie voor zulk een hoop niet vechten wil, Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag, Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.

KONINGIN MARGARETHA. Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!

PRINS. Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59

(Een Bode komt op.)

BODE. Bereidt u, lords, want Edward is nabij, Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!

OXFORD. Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan; Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.

SOMERSET. Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.

KONINGIN MARGARETHA. ’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.

OXFORD. Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.

(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence komen op, met troepen).

KONING EDWARD (tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het doornenwoud, Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht, Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen. ’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen, Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.— Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!

KONINGIN MARGARETHA (tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik zeggen wilde, Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord, Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken. Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne Zijns vijands, overweldigd is zijn troon, Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord, Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd; En ginder is de wolf, die dit bedreef. Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords, Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!

(Beide legers af).

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen.

KONING EDWARD. Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde. Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham; En Somerset, het schuldig hoofd hem af! Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.

OXFORD. Ik zal u niet met woorden lastig vallen.

SOMERSET. Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.

KONINGIN MARGARETHA. Wij scheiden treurig in dit jammerdal; Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.

(Oxford en Somerset af, met een wacht).

KONING EDWARD. Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt, Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?

GLOSTER. Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11

(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.)

KONING EDWARD. Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.— Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken? Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken, En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?

PRINS. Spreek als een onderdaan, eergier’ge York, En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt: Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta, Terwijl ik u dezelfde vragen stel, Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.

KONINGIN MARGARETHA. O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!

GLOSTER. Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen, En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.

PRINS. Æsopus moge in winternachten faab’len; Hier passen zulke hondsche raadsels niet.

GLOSTER. Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.

KONINGIN MARGARETHA. Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.

GLOSTER. Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!

PRINS. Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.

KONING EDWARD. Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.

CLARENCE. Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.

PRINS. Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten; Wellustige Edward,—eedvergeten George,— En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen: Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij, En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.

KONING EDWARD. Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!

(Hij doorsteekt hem.)

GLOSTER. Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!

(Hij doorsteekt hem.)

CLARENCE. En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!

(Hij doorsteekt hem.)

KONINGIN MARGARETHA. O, doodt ook mij!

GLOSTER. Voorwaar, terstond! 42

(Hij richt het zwaard op haar).

KONING EDWARD. Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.

GLOSTER. Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?

KONING EDWARD. Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en broeder van mij; Een zaak van groot belang roept mij naar Londen; Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.

CLARENCE. Wat? wat?

GLOSTER. De Tower! de Tower!

(Gloster af.)

KONINGIN MARGARETHA. Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap! Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars! Die Cæsar doodden, deden geenen moord, Misdreven niets, verdienden geen berisping, Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld; Hij was een man en dit een kind bij hem; Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt. Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme? Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek; En spreken wil ik, dat het hart mij berste.— Slachters en schurken! wreede kannibalen! Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid! Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die, Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd; Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien, Als, beulen, dezen jongen prins door u!

KONING EDWARD. Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!

KONINGIN MARGARETHA. Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af! Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u. Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.

CLARENCE. Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.

KONINGIN MARGARETHA. Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.

CLARENCE. Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.

KONINGIN MARGARETHA. Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken; Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen. Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter, De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij? Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven; Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.

KONING EDWARD. Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!

KONINGIN MARGARETHA. ’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82

(Koningin Margaretha wordt weggevoerd.)

KONING EDWARD. Waar is nu Richard heen?

CLARENCE. Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij Daar in den Tower een bloedig avondmaal.

KONING EDWARD. Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt. Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen, En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt; Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.

(Allen af.)

ZESDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in den Tower.

Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van den Tower staat naast hem. Gloster komt op.

GLOSTER. Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?

KONING HENDRIK. Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”; Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”; Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”, Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.

GLOSTER. Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.

(De Slotvoogd af.)

KONING HENDRIK. Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf; Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.— Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?

GLOSTER. Argwaan waart in het schuldig hart steeds om; De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.

KONING HENDRIK. De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd, Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik; Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong, Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling Gelijmd door werd, gevangen en gedood.

GLOSTER. Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta, Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde! Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.

KONING HENDRIK. ’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus, Uw vader Minos, die den weg ons afsloot, Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee, Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden. O, dood mij met uw wapen, niet met woorden; Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits, Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel. Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?

GLOSTER. Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?

KONING HENDRIK. Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker; Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk, Dan, zeker, zijt ge een beul. 33

GLOSTER. Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.

KONING HENDRIK. Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood, Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden. En zoo voorspel ik: vele duizend zielen, Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen, En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten, En veler weezen óverstroomend oog,— Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden, En weezen om der oud’ren vroegen dood,— Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt. Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken; De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend; Storm loeide en velde boomen; honden huilden; De raaf streek neder op den schoorsteentop; En eksters krijschten oordoorborend saâm. Uw moeder voelde meer dan moederweeën, Toch bracht zij minder dan een moeders hope, Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld, Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam; En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte, Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt; En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—

GLOSTER. Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!

(Hij doorsteekt hem.)

Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.

KONING HENDRIK. Ja, en tot vele moorden nog na dezen. O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!

(Hij sterft.)

GLOSTER. Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik; Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent! O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!— Zoo in u nog een sprankje levens huist, Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;

(Hij doorsteekt hem nog eens.)

Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken. Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,— En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,— Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam. En had ik dan geen grond tot spoed, om hen, Die ons ons recht verkortten, te doen vallen? De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74 „Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!” Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan, Dat ik moest snarsen, bijten als een hond. Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd, Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid. Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders; En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend, Zij wone in menschen, die elkaar gelijken, Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.— O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht; Pikzwarte dagen zal ik u verwekken; Want profetieën zal ik gonzen doen, Die Edward angst inboez’men voor zijn leven; En dan heel ik zijn angst en ben uw dood. Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon; Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort; Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.— Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek; Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!

(Gloster af, met het lijk.)

ZEVENDE TOONEEL.

Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth met den kleinen Prins; Clarence, Gloster, Hastings en Anderen, om hem heen.

KONING EDWARD. Op nieuw bezetten we Englands koningstroon, Met onzer haat’ren bloed teruggekocht. Wat dapp’re tegenstanders hebben wij, Als koren, neergemaaid in al hun trots! Drie hertogen van Somerset, driewerf Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders; Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon; En twee Northumberlands, de kloekste ridders, Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden; En dan dat onversaagde berenpaar, Warwick en Montague, dat met hun keet’nen Den koninklijken leeuw gekluisterd hield En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed. Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon En maakten veiligheid tot onze voetbank.— Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’! Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt, Te voet des zomers middaggloed verduurd, Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt; Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.

GLOSTER (ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ oogst; Want nu ziet mij de wereld nog niet aan. Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd, En heffen zal hij lasten, of hij breekt.

(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.)

Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25

KONING EDWARD. Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!

CLARENCE. De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.

KONINGIN ELIZABETH. Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!

GLOSTER. Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin, Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.— (Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.

KONING EDWARD. Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.

CLARENCE. Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha? Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk Sicilië en Jeruzalem verpand; En dit is als haar losgeld hier gezonden.

KONING EDWARD. Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.— En wat nu verder, dan den tijd te wijden Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen, Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof? Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen! Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN

Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene, maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor oogen gesteld worden.

Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen, maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik moest toestemmen.

Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts. Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward, graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde, nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver, „nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met groote schande belaadde.”

Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met smaadredenen overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van York geplant”.

York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande; George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe; zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp uitkomen.