Chapter 18 of 24 · 3995 words · ~20 min read

Part 18

WARWICK. Niet langer graaf van March, maar hertog York; De rang, die volgt, is Englands hooge troon; Tot Englands koning roepen wij u uit In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert; En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt, Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd, Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,— Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem; Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen!

RICHARD. Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, 201 Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden, Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn.

EDWARD. Zoo roert de trommen! God nu en Sint George!

(Een Bode komt op.)

WARWICK. Wat meldt gij? spreek!

BODE. Mylord van Norfolk boodschapt u door mij: De koningin rukt aan met groote macht; Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen.

WARWICK. Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts!

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Voor de stad York.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, de Prins van Wales, Clifford en Northumberland komen op, met trommen en trompetten.

KONINGIN MARGARETHA. Heer, welkom voor de goede stad van York! Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel, Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven; Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart?

KONING HENDRIK. Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht; Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.— Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet, En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed.

CLIFFORD. Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid, Dit schaad’lijk medelijden van u af. Wien werpen leeuwen zachte blikken toe? Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen. Wien likt wel de berin des wouds de hand? Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft. Of wie ontgaat den giftbeet van de slang? Niet hij, die haar den voet zet op den rug. De kleinste worm verheft, getrapt, den kop; En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt. Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon; Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste. Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader, Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien; Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend, Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn, Een vader u getoond, die niet beminde. Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel; En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’, Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen, Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len, Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht, Den man bestrijden, die hun nest beklom, 31 Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen? O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld; Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven, En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:— „Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven, Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!” O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap; Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart, Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft!

KONING HENDRIK. Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst En voerde gronden aan van groot gewicht. Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord, Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt? En is het dien zoon altijd wel gegaan, Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle? Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden; O had ik ook zooveel, niets meer geërfd! Want al het oov’rige is slechts een bezitting, Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg, Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt. Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten, Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat!

KONINGIN MARGARETHA. Heer, opgeruimd! de vijand is nabij; Die weeke stemming maakt uw volgers zwak. Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan; Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.— Kniel neder, Edward.

KONING HENDRIK. Edward Plantagenet, sta op als ridder; En leer: trek voor het recht alleen het zwaard.

PRINS. Mijn vader, met uw koninklijk verlof, Ik wil het als uw troonopvolger trekken, En in dien strijd het voeren tot den dood.

CLIFFORD. Voorwaar, gesproken als een echte prins!

(Een Bode komt op.)

BODE. Doorluchte legerhoofden, weest bereid; Want met een macht van dertigduizend man Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York, En roept hem, in de steden, die hij doortrekt, Tot koning uit, en velen vloeien toe; Schaart fluks uw leger, want hij is nabij.

CLIFFORD. Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet; De koningin slaagt beter in uw afzijn.

KONINGIN MARGARETHA. Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over.

KONING HENDRIK. Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. 76

NORTHUMBERLAND. Dan zij het met het vast besluit tot vechten.

PRINS. Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords En allen aan, die voor uw rechten strijden; Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!”

(Getrommel. Edward, George, Richard, Warwick, Norfolk en Montague komen op, met troepen.)

EDWARD. Meineedig koning, knielt gij om genade, En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem, Of moet het bloedig veld uw lot beslissen?

KONINGIN MARGARETHA. Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap! Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren, Hier voor uw souverein en rechten koning?

EDWARD. Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen. Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit, Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor, Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen, Veeleer de koning zijt, hem opgezet, Bij parlementsbesluit mij uit te vagen, En te vervangen door zijn eigen zoon.

CLIFFORD. En dat terecht; wie zou Opvolger zijn des vaders, dan de zoon?

RICHARD. Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken.

CLIFFORD. Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord, U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag.

RICHARD. Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar?

CLIFFORD. Ja, en den ouden York,—nog onverzaad.

RICHARD. Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval!

WARWICK. Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon?

KONINGIN MARGARETHA. Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken? Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden Uw beenen beter dan uw handen dienst.

WARWICK. Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe.

CLIFFORD. Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch.

WARWICK. Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford.

NORTHUMBERLAND. En uw manhaftigheid weerhield u niet.

RICHARD. Northumberland, u houd ik gaarne in eere.— Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter.

CLIFFORD. Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind?

RICHARD. Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; 114 Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;— Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken.

KONING HENDRIK. Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken.

KONINGIN MARGARETHA. Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht.

KONING HENDRIK. Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan; Ik ben een koning, spreken is mijn recht.

CLIFFORD. Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond, Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil.

RICHARD. Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem, Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker. Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong.

EDWARD. Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet? Een duizend man, die nog ontbeten, proeven Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer.

WARWICK. En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd? Want York gespt voor het recht het harnas aan.

PRINS. Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan Bestaat geen onrecht, dan is alles recht.

RICHARD. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder; Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong.

KONINGIN MARGARETHA. En gij gelijkt op vader noch op moeder, Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen, Geteekend door het lot, dat men u mijde Gelijk een giftpad of haag’dissestekels.

RICHARD. Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt, Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,— Alsof een goot ooit zee geheeten werd!— Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet, Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen?

EDWARD. Een stroowisch ware een duizend kronen waard, Als zij die prij zichzelve kennen leerde! Veel schooner was de Grieksche Helena, Al moge uw gade ook Menelaüs zijn; Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet. Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk, Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen; En ware hìj naar zijnen rang gehuwd, Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd; Maar bedgenoot werd hem een beed’lares, Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader; En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam, Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde, En op zijn kroon hier oproer samenbracht. Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots? Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen; Uit deernis met den zachten koning hadden Wij onzen eisch tot later uitgesteld. 162

GEORGE. Maar onze zonneschijn schonk u een lente, En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei; Dies legden we aan den vreemden stam onze aks; En schoon de snede onszelf een weinig trof, Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving, Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld, Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid.

EDWARD. Aldus besloten, daag ik u ten strijde, En ik versmaad elk verder mondgesprek, Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.— Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen! Dat zij ter zege of dood den weg ons banen!

KONINGIN MARGARETHA. Hoor, Edward!

EDWARD. Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden! Tienduizend levens kost dit twisten heden.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een slagveld bij Towton.

Strijdgedruisch. Schermutselingen. Warwick komt op.

WARWICK. Van strijden mat, als renners na den wedloop, Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen; De ontvangen slagen, weergegeven houwen Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht; En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten.

(Edward komt in vliegende haast op.)

EDWARD. Tref, booze dood, of goede hemel, red mij! Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon.

WARWICK. Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege?

(George komt op.)

GEORGE. De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop; Doorbroken is ons heer en onheil naakt. Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij?

EDWARD. Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld; En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan!

(Richard komt op.)

RICHARD. O Warwick, waarom trekt gij u terug? Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed, Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt; En in den laatsten doodstrijd riep hij nog, Dof als een onheilspellend ver gedreun: „Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!” Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed, Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. 22

WARWICK. Dan worde de aarde dronken van ons bloed; Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil. Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen, En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast; En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak? Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven, Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets, Aleer de dood deze oogen heeft geloken, Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft.

EDWARD. O, Warwick, hier buig ik met u de knie, En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!— En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat, Werp ik mijn oog en hart en hand tot U, U, grooten koningsschepper en verdelger, En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit, Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,— Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’, Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’! En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien, ’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde.

RICHARD. Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick, ’k Omvange u met mijn moegestreden armen! Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen, Dat winter onze lentezon doet tanen.

WARWICK. Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel!

GEORGE. Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers; Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden, Hen noemen we onze pijlers; en aan hen Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel. Dit plant wellicht in lauwe harten moed; Want hoop op leven is er en op zege.— Niet meer gedraald; vooruit met alle macht!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Schermutselingen. Richard en Clifford komen op.

RICHARD. Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij. Deze arm, denk dit, is voor den hertog York, En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd, Al waart ge omsloten van een bronzen muur.

CLIFFORD. Nu, Richard, ben ik hier met u alleen. Ja, deze hand doorstak uw vader York, En deze hand versloeg uw broeder Rutland, En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood, En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder, Den lust geeft om u evenzoo te rechten. Dus: weer u!

(Zij vechten. Warwick komt. Clifford vlucht.)

RICHARD. Neen, Warwick, lees een ander wild u uit; Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. 13

(Beiden af.)

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Krijgsrumoer. Koning Hendrik komt op.

KONING HENDRIK. Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd, Als stervend donker kampt met groeiend licht, Wanneer de herder, op zijn nagels blazend, Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht. Nu zwaait het dien weg, als een groote zee, Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen, Dan dezen weg uit, als dezelfde zee, Teruggedreven door de macht des winds; Nu wint de vloed den strijd en dan de wind, Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst; Beide om de zege worst’lend, borst aan borst, Geen overwinnaar nog, geen overwonnen; Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds. Ik wil me op dezen molshoop nederzetten. Waar God ze geven wil, daar zij de zege! Want Margaretha heeft, en Clifford ook, Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend, Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt. O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood! Want wat is de aard, dan enkel leed en nood? O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot, Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder, Te zitten op een heuvel als ik hier, En zonnewijzers kunstig uit te snijden, Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden, Hoeveel er van te zaam een uur voltooien. En hoeveel uren voor een dag verloopen, Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is, En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft. En dan, is dit erkend, den tijd te deelen, Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden, En zooveel uren moet ik aan mijn rust, En zooveel uur aan overdenking wijden, En zooveel uren geven aan vermaak, En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig, En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren, En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren; Minuten, uren, dagen, maanden, jaren, Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel, En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf. Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk! Verleent het doornebosch niet aan den herder, Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw, Dan op den troon een rijkgestikte hemel Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht? O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet. En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel, Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch, Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer, Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet, Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, 51 Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker, Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd, Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren.

(Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het lijk.)

ZOON. Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt! De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg, Kan licht een buidel kronen bij zich hebben; En ik, die bij geluk hem die ontneem, Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven, Een ander afstaan, als de doode aan mij. Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders, Dien ik onwetend in den strijd versloeg! O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt! Men preste mij te Londen voor den koning; Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick, Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York; En ik, die ’t leven eens van hem ontving, Heb met mijn hand het leven hem benomen!— Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;— Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.— Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg; En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend!

KONING HENDRIK. O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed! Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren, Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist. Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan; Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist, Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer!

(Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn armen.)

VADER. Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt, Geef mij uw goud, indien gij goud bezit; Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen. Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands? O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!— O kind, zoo er nog leven in u is, Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen, Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden, Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!— Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!— O welke daden, gruw’lijk en moorddadig, Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk, Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!— O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat!

KONING HENDRIK. Wee boven wee! leed boven ander leed! O, dat mijn dood die gruw’len einden kon! Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!— De roode en witte roos zijn op zijn kaak, Die onheilskleuren onzer booze huizen; 98 Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur, Op de andere al te wel zijn bleeke wang; Één roos verwelke, en moge de andre bloeien! Geen strijd, die duizend levens doet verwelken!

ZOON. Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood, Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd!

VADER. Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon, Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid!

KONING HENDRIK. Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen, Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd!

ZOON. Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd?

VADER. Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid?

KONING HENDRIK. Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd? Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn.

ZOON. Ik draag u weg, en ween dan bij u uit.

(De Zoon af met het lijk.)

VADER. Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,— Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht, Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten. Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt; En even diepe rouw bedrijft uw vader Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind, Als Priamus om al zijn dapp’re zoons. Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht.

(De Vader af, met het lijk.)

KONING HENDRIK. Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij, Hier zit een koning, met meer wee dan gij.

(Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin Margaretha, de Prins van Wales en Exeter komen op.)

PRINS. Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden, En Warwick raast als een getergde stier. IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen!

KONINGIN MARGARETHA. Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar Berwick; Edward en Richard,—als twee hazenwinden, Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien, Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len, Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd, Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen!

EXETER. Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak; Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed; Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit.

KONING HENDRIK. Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt 137 Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier!

(Allen af.)

ZESDE TOONEEL.

Aldaar.

Heftig krijgsrumoer. Clifford komt op, gewond.

CLIFFORD. Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij, Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen. O Lancaster! nu vrees ik uwen val, Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel! Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden, Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging, Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York. Waar vliegen muggen heen, dan in de zon? En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders? O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend, Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende, Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid! En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht, Gelijk uw vader en zijn vader deden, En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven, Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen; Ik en tienduizend in dit arme rijk, Wij lieten thans geen droeve weeuwen na, En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon. Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht? En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?— Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden. Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer! De vijand kent geen deernis, geen erbarmen, Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen! De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in, En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.— Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders; Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders!

(Hij bezwijmt.)

(Strijdgedruisch en terugtocht. Edward, George, Richard, Montague, Warwick en Troepen komen op.)

EDWARD. Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.— Een deel vervolg’ de felle koningin; Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning, Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind, Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen. Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood?

WARWICK. Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is; Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,— Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf; En, waar hij zij, voorzeker is hij dood.

(Clifford steunt en sterft.)

EDWARD. Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? 42

RICHARD. Een snik, als vlood het leven voor den dood.

EDWARD. Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu ’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend.

RICHARD. Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t; Die niet tevreden, dat hij zulk een tak Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef, Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg, Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,— Ik meen, aan onzen hoogen vader York.

WARWICK. Neem van de poort van York dat hoofd nu af, Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant; En neme zijne plaats dit hoofd nu in, Want maat voor maat moet de vergelding zijn.

EDWARD. Brengt hier die booze nachtuil van ons huis, Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste; Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied, En de onheilstaal van zijne tong verstomde.

(Het lijk wordt naar voren gedragen.)

WARWICK. Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.— Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?— ’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht; Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen.

RICHARD. O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet; Het is misschien een list, zich dood te veinzen, Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga, Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed.

GEORGE. Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden.

RICHARD. Clifford! smeek om genade en vind geen deernis.

EDWARD. Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs!

WARWICK. Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld!

GEORGE. Terwijl wij folterstraf er voor bedenken.