Part 5
(Lucy af.)
VIERDE TOONEEL.
Een andere vlakte in Gasconje.
Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van Talbot.
SOMERSET. Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden. Die onderneming werd door York en Talbot Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht Kan bij een uitval reeds de stad alleen Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk. York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven, Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.
OFFICIER. Daar is Sir William Lucy, die met mij ’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.
(Sir William Lucy komt op.)
SOMERSET. Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?
LUCY. Waarheen, mylord? Van den verraden en verkochten Talbot, Die, eng door driesten tegenspoed omzet, Roept om den eed’len York en Somerset, Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden. En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden, Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len, En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet, Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht. Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp, Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven, Terwijl hij, die beroemde en eed’le held, Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht! Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard Van Orleans, Reignier, omsluiten hem, En Talbot gaat door uwe schuld te grond.
SOMERSET. York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.
LUCY. En York laakt even heftig uw genade; Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt, Die juist voor dezen tocht verzameld was.
SOMERSET. York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd; ’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig; ’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.
LUCY. Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk, Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt. Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven, Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.
SOMERSET. Nu dan, ik zend terstond de ruiterij; Zes uren, en zij allen staan hem bij.
LUCY. Te laat; gevangen is hij dan of dood; Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die; En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.
SOMERSET. En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!
LUCY. Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux.
Talbot en zijn zoon John komen op.
TALBOT. O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden, Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht, En Talbot’s naam in u herleven zou, Als dorre leden, sloopende ouderdom Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren. Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!— Zijt ge aangekomen voor een feest des doods, Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar. Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros; Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!
JOHN. Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon? En vluchten? O, bemint gij mijne moeder, Onteer haar hoogvereerden naam dan niet, Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken! De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af? Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”
TALBOT. Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.
JOHN. Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!
TALBOT. Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.
JOHN. Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij! Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied; Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet. Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid, Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit. U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont, Mij wel, die nog geen heldendaad bestond. ’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht; Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht. Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk, Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk? Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven, Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!
TALBOT. Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?
JOHN. Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.
TALBOT. Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.
JOHN. ’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.
TALBOT. Een deel uws vaders blijft in u verschoond.
JOHN. Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39
TALBOT. Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.
JOHN. ’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?
TALBOT. Uws vaders last pleit van die smet u vrij.
JOHN. Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij? Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.
TALBOT. En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood? Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.
JOHN. En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam? Van u te wijken is mij niet vergund, Zoo min als gij uzelven splitsen kunt. Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij, En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.
TALBOT. Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind, Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint. Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd, En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!
(Beiden af.)
ZESDE TOONEEL.
Een Slagveld.
Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door Talbot ontzet wordt.
TALBOT. Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht! Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard; Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.— Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.
JOHN. Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon; Het eerstgeschonken leven was ontvloôn, Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven, Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.
TALBOT. ’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen, Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm, Bourgondië, Alençon en Orleans In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans. Den bastaard Orleans, die, wild en ruw, U bij uw maagdestrijd weerstond, en u Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras, En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon; Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!” Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde, Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu; Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u? Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer; Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer! Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood; De hulp van éénen man helpt niet in nood. Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33 Ontziet mij Frankrijks woede heden nog, Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch; Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt Mijn leven slechts een enk’len dag verkort. In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam, Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam. Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt; Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.
JOHN. Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart, Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart. Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer, Een nietig leven voor een schat van eer, Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde, Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde, En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot, Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot! Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon, Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon. Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen; Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.
TALBOT. Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu, Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u; Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde, Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.
(Beiden af.)
ZEVENDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het slagveld.
Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar ondersteund.
TALBOT. Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood? O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?— Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu, Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.— Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij Zijn bloedig zwaard beschermend over mij, En, als een uitgevaste leeuw, volbracht Hij daden van geweld en reuzenkracht; Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong, Toen dreef hem blinde woede en razernij Des harten plotseling heen en ver van mij In ’s vijands dichten drom; de fiere moed Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed; Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem, Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.
(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.)
DIENAAR. Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.
TALBOT. Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18 Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd, In heerlijkheid vereenigd voor altijd, Twee Talbots zweven door de weeke lucht, Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.— O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan, Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan! Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis, Alsof hij Franschman en uw vijand is.— Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt: „De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”— Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart; Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart. Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer: Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.
(Hij sterft.)
(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard, de Pucelle, met troepen.)
KAREL. Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld, Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.
BASTAARD. Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!
PUCELLE. Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan: „U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”; Maar, met een blik vol majesteit en hoon, Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!” Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.
BOURGONDIË. Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard. Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.
BASTAARD. Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld! Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!
KAREL. Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt, Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!
(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen Heraut.)
LUCY. Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn, Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.
KAREL. Welk een submissie houdt uw boodschap in? 53
LUCY. Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord; Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn. Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen, En wensch te zien, wie er gevallen zijn.
KAREL. Gevang’nen? Onze kerker is de hel. Doch zeg mij, wien gij zoekt.
LUCY. Waar is de groote Alcides van het slagveld, De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury, En, om zijn heldendaden, ook betiteld Graaf van Valence, Wexford, Waterford, Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield, Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton, Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield, Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge, Doorluchte ridder van Sint George’s orde, Sint Michaël waardig en het Gulden vlies, Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam, Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?
PUCELLE. Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl! De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft, Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem. Hij, dien gij zoo verheft met al die titels, Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.
LUCY. Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel, De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis? O, wierden mijner oogen ballen kogels, Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot! Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen! Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82 Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef, De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken! Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’, En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’.
PUCELLE. De knaap is wis des ouden Talbot’s geest, Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken. Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.
KAREL. Ga, neem de lijken mee.
LUCY. Ik voer ze weg; Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch, Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.
KAREL. Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt. Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen! Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.
(Allen af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een zaal in het paleis.
Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter.
KONING HENDRIK. Hebt gij de brieven van den paus doorlezen, Den keizer en den graaf van Armagnac?
GLOSTER. Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt: Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan, Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk Een christenvrede dra gesloten worde.
KONING HENDRIK. En hoe behaagt die voorslag uw genade?
GLOSTER. Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten En veil’ge rust te gronden aan weerszij.
KONING HENDRIK. Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor, Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk, Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten, Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.
GLOSTER. Om zulk verbond des te eerder te bewerken En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt Graaf Armagnac, een naverwant van Karel, Een man van veel en groot gezag in Frankrijk, Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat.
KONING HENDRIK. Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd! O, beter passen mij nog vlijt en boeken, Dan dartel minnekoozen met een bruid. Maar toch, roep de afgezanten voor en geef Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt; Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.
(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van Winchester in kardinaalsgewaad.)
EXETER. Wat! is mylord van Winchester verhoogd En met den kardinaalsrang nu bekleed? Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn, Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde: „Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden, Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”
KONING HENDRIK. Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34 Zijn grondig overwogen en getoetst. Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig; En daarom namen wij alsnu ’t besluit, Voorwaarden voor een vrede vast te stellen, Die onverwijld mylord van Winchester Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.
GLOSTER. En wat betreft het aanbod van uw heer Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo, Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden, Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat, Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.
KONING HENDRIK. Breng als bewijs en pand voor dit verdrag Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.— En nu, mylord protector, laat de heeren Naar Dover begeleiden tot aan boord; En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.
(Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten af.)
WINCHESTER. Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst De geldsom in ontvangst, die ik beloofde In dank te kwijten aan zijn heiligheid Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.
LEGAAT. Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.
WINCHESTER. Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen, Noch wijken voor den fiersten dezer pairs. Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu, Dat evenmin in rang als in geboorte De bisschop zich door u verduistren laat; Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen, Of twist en omkeer zal dit land vernielen!
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Frankrijk. Een vlakte in Anjou.
Karel, Bourgondië, Alençon, de Pucelle komen op, met troepen op marsch.
KAREL. Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken: Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand, En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij.
ALENÇON. Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs! En dralen houde uw leger niet terug.
PUCELLE. Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt, Of anders slechte de oorlog haar paleizen!
(Een Bode komt op.)
BODE. De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer, En alle heil bij al zijn medestanders!
KAREL. Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. 10
BODE. Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was In twee gedeelten, is geheel vereend En is van plan terstond u slag te leev’ren.
KAREL. Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding; Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.
BOURGONDIË. ’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer; Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.
PUCELLE. Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees. Gebied de zege, Karel, en ze is u, Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!
KAREL. Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Frankrijk. Voor Angers.
Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op.
PUCELLE. ’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.— Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans, En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt, En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;
(Donderslagen.)
Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar Des noordpools groote koning over heerscht, Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!
(Booze Geesten verschijnen.)
Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt. En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas In machtige onderaardsche rijken, helpt mij Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!
(De Geesten waren om en spreken niet.)
O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen. Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed, Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef, En dat u ’t handgeld zij van verder loon, Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.
(De Geesten laten het hoofd hangen.)
Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.
(Zij schudden het hoofd.)
Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed Tot uw gewone hulp en steun bewegen, Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles, Eer England op de Franschen triumfeer’!
(Zij verdwijnen.)
Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd, Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25 En ’t nederleggen moet in Englands schoot. Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak; De hel is mij te sterk om meê te worst’len; Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.
(De Pucelle af.)
(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op; daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt gevangen genomen. De Franschen vluchten.)
YORK. Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen; Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken, En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.— Een schoone buit, de gunst des duivels waard! Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst, En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.
PUCELLE. Herschepping kan niet erger u misvormen.
YORK. Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man; Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.
PUCELLE. Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil, En moge een hand des bloeds u beiden plotsling Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!
YORK. Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!
PUCELLE. Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.
YORK. Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.
(Beiden af.)
(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand leidende.)
SUFFOLK. Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.
(Hij beschouwt haar.)
O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen, Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers, En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij. Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.
MARGARETHA. ’k Ben Margaretha, dochter van een koning, Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—
SUFFOLK. Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam. Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur, Dat het uw lot was in mijn hand te vallen; Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost En houdt dit met haar vleugels als gevangen. Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft, Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.
(Zij wendt zich af om heen te gaan.)
O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten; Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen. Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen, Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend, Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64 Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken. Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag. Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart; Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet? Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw? Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit; Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.
MARGARETHA. Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt, Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan? Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.
SUFFOLK (ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt, Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?
MARGARETHA. Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?
SUFFOLK (ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard; Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.
MARGARETHA. Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.
SUFFOLK (ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw; Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?
MARGARETHA. Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.
SUFFOLK (ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.
MARGARETHA. Hij praat maar toe; die man is stapelgek.
SUFFOLK (ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.
MARGARETHA. Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.
SUFFOLK (ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien? Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!
MARGARETHA. Hij praat van hout; hij is een timmerman.
SUFFOLK (ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde, En deze rijken door een vreêverbond. Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over: Al is haar vader Napels’ koning, hertog Van Maine en van Anjou, toch is hij arm, En heel onze adel schimpt wis op dien echt.
MARGARETHA. Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?
SUFFOLK (ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten; Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.— (Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.
MARGARETHA (ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een ridder, En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102
SUFFOLK. Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.
MARGARETHA (ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog; En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.
SUFFOLK. Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—
MARGARETHA (ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!
SUFFOLK. Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?
MARGARETHA. Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo.
SUFFOLK. Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk, Wanneer zij u tot koningin verheft?
MARGARETHA. ’t Is lager, koningin te zijn in banden, Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid, Want vorsten moeten vrij zijn.
SUFFOLK. O, dat zult gij, Als Englands machtig koning vrijheid heeft.
MARGARETHA. Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?
SUFFOLK. ’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken, Een gouden scepter u ter hand te stellen, Een rijke kroon te drukken op het hoofd, Wanneer gij gunstrijk mij—
MARGARETHA. Wat?
SUFFOLK. Hèm beminnen wilt.
MARGARETHA. Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.