Chapter 13 of 24 · 3993 words · ~20 min read

Part 13

CADE. Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer vereeren.

DICK. Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.

CADE. Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?

(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.)

SMITH. De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen opmaken!

CADE. O, afschuwelijk!

SMITH. Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor zijn jongens.

CADE. ’t Is een schurk.

SMITH. Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.

CADE. Wel, dan is hij een duivelbezweerder.

DICK. Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als een advocaat.

CADE. Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u verhooren. Hoe is uw naam?

KLERK. Emanuël.

DICK. Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht met u afloopen.

CADE. Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man?

KLERK. Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan schrijven. 113

ALLEN. Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een verrader.

CADE. Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om zijn hals.

(Eenigen af met den Klerk.)

(Michaël komt op.)

MICHAËL. Waar is onze generaal?

CADE. Hier ben ik, enkele kerel.

MICHAËL. Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning.

CADE. Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet waar?

MICHAËL. Juist.

CADE. Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los.

(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande trommen en met troepen op.)

STAFFORD. Oproerig vee, afval en schuim van Kent, Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer; IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht. De koning is genadig, zoo gij afvalt.

WILLIAM STAFFORD. Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak, Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.

CADE. ’k Let niet op deze in zij gekleede slaven; Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker, Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.

STAFFORD. Hondsvot, uw vader was een metselaar; Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?

CADE. En Adam was een spitter.

WILLIAM STAFFORD. Nu, wat wilt gij?

CADE. Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man Der dochter van den hertog Clarence, niet?

STAFFORD. ’t Is waar.

CADE. En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.

WILLIAM STAFFORD. Niet waar.

CADE. Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is. Het oudste van de twee, dat bij een min was, Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw; Het kende zijn geboorte en afkomst niet, En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar. Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.

DICK. Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.

SMITH. Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het niet. 158

STAFFORD. En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof, Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?

ALLEN. Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!

WILLIAM STAFFORD. Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.

CADE (ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid). Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft regeeren; maar ik wil protector over hem zijn.

DICK. En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het hertogdom Maine verkocht heeft.

CADE. En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken en dus is hij een verrader.

STAFFORD. O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!

CADE. Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu, dan vraag ik alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt, een goed raadsman zijn, ja of neen?

ALLEN. Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.

WILLIAM STAFFORD. Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen, Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.

STAFFORD. Ga heen, heraut, roep uit in elke stad, Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn; Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht, Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders, Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.— En wie des konings vriend is, volge mij!

(De beide Staffords met hun troepen af.)

CADE. En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!— ’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen. Wij willen lord noch jonker sparen, niemand, Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt. Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen, Als zij maar durfden, zeker onzen kant.

DICK. Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.

CADE. Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn. Komt, vooruit! voorwaarts!

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van Blackheath.

Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide Staffords worden gedood.

CADE. Waar is Dick, de slachter van Ashford?

DICK. Hier.

CADE. Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof gij in uw eigen slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: de vastentijd zal nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning krijgen om een honderdtal beesten min één te slachten.

DICK. Meer verlang ik niet.

CADE. En in waarheid, gij verdient niet minder.—(Hij doet de wapenrusting van Sir Humfried Stafford aan.) Dit gedenkteeken van de overwinning wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot ik in Londen kom, waar wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen laten dragen.

DICK. Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij de tuchthuizen openbreken en de gevangenen vrijlaten.

CADE. Weest onbezorgd; daar sta ik voor in. Komt, allen voorwaarts, naar Londen!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha, treurende over Suffolk’s hoofd.

KONINGIN MARGARETHA. Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt; Laat daarom af van weenen, denk aan wraak. Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien? Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten, Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?

BUCKINGHAM. Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?

KONING HENDRIK. Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar; Verhoede God, dat zooveel arme zielen Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.— Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.

KONINGIN MARGARETHA. O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht, En kon het hen niet tot erbarmen dwingen, Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?

KONING HENDRIK. Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. 19

SAY. Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn.

KONING HENDRIK. Hoe is het, vrouwe? Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood? Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’, Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd.

KONINGIN MARGARETHA. ’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u.

(Een Bode komt op.)

KONING HENDRIK. Wat is er? waartoe komt gij met die haast?

BODE. De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst! Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer, Gesproten uit het hertogshuis van Clarence; Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst En zweert, in Westminster zichzelf te kronen. Zijn leger is een havelooze bende Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig. Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood Gaf hun het hart, den moed om door te gaan. Geleerden, advocaten, hof en adel, ’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast.

KONING HENDRIK. Godd’loozen, die niet weten wat zij doen!

BUCKINGHAM. Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth, Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is.

KONINGIN MARGARETHA. O, leefde thans de hertog Suffolk nog, Die Kentsche muiters waren ras bedwongen.

KONING HENDRIK. Lord Say, die oproermakers haten u; Daarom, ga met ons mee naar Killingworth.

SAY. Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar. Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede; Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat; Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat.

(Een Tweede Bode komt op.)

TWEEDE BODE. Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug; De burgers vluchten angstig uit hun huizen; En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters, Uit dorst naar buit; als één man zweren zij De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren.

BUCKINGHAM. Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier!

KONING HENDRIK. Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons.

KONINGIN MARGARETHA. Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is.

KONING HENDRIK (tot lord Say). Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters niet.

BUCKINGHAM. Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand.

SAY. Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld, En daarom ben ik moedig en gerust.

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. De Tower.

Lord Scales en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen eenige Burgers beneden op.

SCALES. Wel, is Jack Cade alreeds gedood?

EERSTE BURGER. Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij hebben de brug genomen, en dooden alles, wat weerstand biedt. De lord mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, ten einde de stad tegen de muiters te verdedigen.

SCALES. Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst; Maar ik heb zelf de handen vol met hen; Zij waagden reeds een aanval op den Tower. Doch trek naar Smithfield en verzamel volk; Daarheen zend ik tot u Matthias Gough. Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens; En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier.

(Allen af.)

ZESDE TOONEEL.

Aldaar. De Kanonstraat.

Jack Cade komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den Londener steen.

CADE. Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den Londener steen, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het manneke-pis niets anders dan rooden wijn zal geven in het eerste jaar van onze regeering. En verder, voortaan zal het hoogverraad zijn, als iemand mij anders noemt dan lord Mortimer.

(Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.)

REBEL. Jack Cade! Jack Cade!

CADE. Slaat dien kerel dood!

(De Man wordt gedood.)

SMITH. Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade noemen; mij dunkt, hij heeft een mooie waarschuwing gekregen.

DICK. Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht.

CADE. Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de Londener brug in brand steken, en als gij kunt, brandt dan ook den Tower plat. Komt, vooruit!

(Allen af.)

ZEVENDE TOONEEL.

Aldaar. Smithfield.

Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en Matthias Gough valt.

CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!

DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.

CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.

DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen komen.

JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen.

SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas.

CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.

JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem zijn tanden niet uitgetrokken worden.

CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.

(Een Bode komt op.)

BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste oorlogsschatting.

(George Bevis komt op, met Lord Say.)

CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say, gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan. Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen, terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een schabrak, is het zoo niet?

SAY. En wat zou dat? 52

CADE. Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui dan gij in broek en hemdrok rondloopen.

DICK. En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een slager ben.

SAY. Gij mannen van Kent,—

DICK. Wat hebt gij op Kent te zeggen?

SAY. Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens.

CADE. Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.

SAY. Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt. Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren De liefste streek genoemd van heel dit eiland; Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen; Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild, Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent. Niet ik gaf Maine en Normandije prijs, Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr. Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd, Mij roerden beden, tranen,—giften nooit. Wanneer legde ik u lasten op, tenzij Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven? Veel giften schonk ik aan geleerde mannen, Omdat mijn weten bij den koning gold, En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis De vleugel is, die ons ten hemel heft. Zijt gij van hellegeesten niet bezeten, Dan deinst gij van een moord op mij terug. Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven Voor u gepleit,—

CADE. Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?

SAY. Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen, Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.

GEORGE. O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te overvallen!

SAY. Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.

CADE. Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.

SAY. ’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.

CADE. Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den bijstand van een bijl.

DICK. Wat siddert gij, man? 96

SAY. Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.

CADE. Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt. Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.

SAY. Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb; Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek! Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers? Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog? Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt? Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten, In deze borst geen arglist ooit gehuisd; O, laat mij ’t leven!

CADE (ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden, maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier.

ALLEN. Het zal gebeuren.

SAY. Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont, Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan? Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.

CADE. Weg met hem, doet zooals ik u beveel.

(Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.)

De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar wenschen of de tong vertellen kan.

DICK. Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?

CADE. Wel, dadelijk.

ALLEN. O, heerlijk!

(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn Schoonzoon op staken.)

CADE. Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht, want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen zij elkander kussen.—Vooruit!

(Allen af.)

ACHTSTE TOONEEL.

Southwark.

Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel.

CADE. De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood, velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef, alles dood te slaan?

(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.)

BUCKINGHAM. Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen. Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier Des konings aan ’t door u verleide volk; Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe, Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.

CLIFFORD. Wat kiest gij, landgenooten? de genade, Die onderwerping nog erlangt, of moet Een oproerling u voeren in den dood? Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht, Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!” Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert, Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed, Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.

ALLEN. Den koning heil! den koning heil!

CADE. Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij, laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen, en daarmee,—Gods vloek op u allen!

ALLEN. Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!

CLIFFORD. Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36 Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt? Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren, U, zelfs den minste, graaf of hertog maken? Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord, Hij kan niet leven, dan alleen door roof, ’t Bestelen van uw vrienden en van ons. Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht De schuwe Franschman, eerst door u verslagen, De zeeën overstak en u versloeg? Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist, Hoe hij den baas in Londens straten speelt, „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet. Laat eer tienduizend laaggeboren Cades Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt Voor de genade van een enk’len Franschman. Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort, Spaart England, dàt is uw geboortestrand. Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig; God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.

ALLEN. Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met Clifford!

CADE. Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie, dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen, mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen van mij getuigen, dat geen gebrek aan moed, maar alleen het laag en schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten.

(Cade af.)

BUCKINGHAM. Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na; En wie het hoofd diens mans den koning brengt, Zal duizend kronen ter belooning hebben.

(Eenigen spoeden zich heen.)

Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht, Om allen met den koning te verzoenen.

(Allen af.)

NEGENDE TOONEEL.

Het kasteel Kenilworth.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset verschijnen op het terras van het kasteel.

KONING HENDRIK. Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning, Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij? Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen, Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning; Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden, Als ik verlang een onderdaan te zijn.

(Buckingham en Clifford komen op, boven.)

BUCKINGHAM. Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!

KONING HENDRIK. Spreek, Buckingham, is die verrader Cade Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?

(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om den hals.)

CLIFFORD. Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over, En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.