Chapter 19 of 24 · 3991 words · ~20 min read

Part 19

RICHARD. York was u lief, en ik ben zoon van York.

EDWARD. Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u.

GEORGE. Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde.

WARWICK. Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht.

RICHARD. Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— 78 Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God! Kon ik hem zoo twee uren levens koopen, Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen, Ik hakte mij de hand af en verstikte Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst Noch York noch jonge Rutland konden lesschen.

WARWICK. Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af, En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat. En nu naar Londen voorwaarts in triomf, En laat tot Englands koning fluks u kronen. Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over, En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin. Zoo knoopt gij beide landen innig saam, En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand, Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan; Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan, Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen. Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt.

EDWARD. Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick; Want op uw schouders bouw ik mijnen troon, En nimmer onderneem ik een’ge zaak, Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.— Richard, tot hertog maak ik u van Gloster, George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf, Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt.

RICHARD. Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster; Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil.

WARWICK. O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen, Daar al onze eer nu in bezit genomen!

(Allen af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een jachtveld in Noord-Engeland.

Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand.

EERSTE BOSCHWACHTER. Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte, Want op deze open plek komt steeds het wild; Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht, En lezen zoo het schoonste hert ons uit.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten.

EERSTE BOSCHWACHTER. Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot. Neen, samen staan wij hier en doen ons best. En om den tijd van ’t wachten u te korten, Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats, Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd.

(Koning Hendrik komt op, vermomd, met een gebedenboek.)

TWEEDE BOSCHWACHTER. Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij is.

KONING HENDRIK. Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, 13 Om liefdevol mijn eigen land te groeten. Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u, Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen, Die balsem, die u heiligde, afgewischt; Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen, Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen, Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken; Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan?

EERSTE BOSCHWACHTER. Ziedaar een hert, welks huid den jager loont; De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten.

KONING HENDRIK. ’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen; Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Wat dralen wij? de hand op hem gelegd!

EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren.

KONING HENDRIK. Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp; En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik, Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo, Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite; Want Warwick is een schrander redenaar, En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk. Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen; Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard; Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst, Met tranen dringt zij in een steenen hart; 38 Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht, En Nero wordt geroerd van deernis, als hij Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet. ’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven; Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen, Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward. Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet; Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond; Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart, Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt, En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind Den koning overreedt, haar niet te hooren, Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen, Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot. Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen En koninginnen praat? 55

KONING HENDRIK. Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest; Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn? En van een koning mag een mensch toch praten?

TWEEDE BOSCHWACHTER. Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt.

KONING HENDRIK. Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon?

KONING HENDRIK. Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd, Met Indische edelsteenen niet bezet, Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid, Een kroon zooals een koning zelden draagt.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Goed, koning van tevredenheid, wees dan Nu met uw kroon tevredenheid tevreden En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij De koning, afgezet door koning Edward; En wij, onze’ eed als onderdanen trouw, Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt.

KONING HENDRIK. En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed?

TWEEDE BOSCHWACHTER. Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet.

KONING HENDRIK. Waar waart gij, toen ik koning was van England?

TWEEDE BOSCHWACHTER. Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn.

KONING HENDRIK. Als kind van negen maanden werd ik koning, Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren; Gezworen onderdanen waart gij mij; En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken?

EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, zeker niet; wij waren onderdanen; Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart.

KONING HENDRIK. Wat! ben ik dood? En adem als een mensch? Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert! Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas, En de adem van den wind het mij terugblaast, En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas, En ook weer toegeeft, als een ander blaast, Steeds door de sterker strooming meegevoerd, Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— 89 Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn. Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last; Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen.

EERSTE BOSCHWACHTER. Den koning zijn wij trouw, den koning Edward.

KONING HENDRIK. Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn, Als hij op koning Edward’s troon weer zat.

EERSTE BOSCHWACHTER. In naam van God, en ’s konings naam, kom mede; Gij moet met ons naar zijn beambten gaan.

KONING HENDRIK. In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond; En wat God wil, dat moge uw koning doen; In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koning Edward, Gloster, Clarence en Lady Grey komen op.

KONING EDWARD. Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag Van Sint-Albaans gevallen en zijn land Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar. Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land, Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen, Omdat de waardige edelman zijn leven Verloor bij ’t strijden voor het huis van York.

GLOSTER. Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan; Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren.

KONING EDWARD. ’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken.

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Ei, staat het zoo? De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan, Aleer de koning haar verzoek wil toestaan.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij kent de jacht; wat volgt hij goed het spoor!

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Stil nu!

KONING EDWARD. ’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw, Kom dus een andermaal het antwoord hooren.

LADY GREY. Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden; ’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven, En wat u zal behagen is mij goed.

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw land, Indien wat hem behaagt, u wel bevalt. Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Voor haar ben ik niet bang, als zij niet valt. 24

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Verhoede God, dat ware een kans voor hem!

KONING EDWARD. Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg?

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind van haar.

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Mijn kop af, liever geeft hij haar er twee.

LADY GREY. Drie, mijn doorluchte heer.

GLOSTER (ter zijde). Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft.

KONING EDWARD. Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen.

LADY GREY. Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun.

KONING HENDRIK. Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje toetsen.

GLOSTER (ter zijde). Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten, Tot u de jeugd verlaat en krukken laat.

(Gloster en Clarence treden terug.)

KONING EDWARD. En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief?

LADY GREY. Ja, even lief als ik mijzelve heb.

KONING EDWARD. En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt?

LADY GREY. Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten.

KONING EDWARD. Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal.

LADY GREY. Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit.

KONING EDWARD. Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven.

LADY GREY. Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten.

KONING EDWARD. Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf?

LADY GREY. Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan.

KONING EDWARD. Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag.

LADY GREY. Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag.

KONING EDWARD. ’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil.

LADY GREY. Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. 49

GLOSTER (tot Clarence ter zijde). Hij dringt haar sterk; veel regen holt den steen.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Zoo rood als vuur! zoo moet haar was wel smelten.

LADY GREY. Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten?

KONING EDWARD. Een lichten dienst, een koning te beminnen.

LADY GREY. Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan.

KONING EDWARD. Nu dan, ik geef het land uws mans u weer.

LADY GREY. Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen.

(Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.)

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Beklonken! zie, die buiging is het zegel.

KONING EDWARD. Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten.

LADY GREY. Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst.

KONING EDWARD. Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin; Om welke liefde meent gij, dat ik smeek?

LADY GREY. Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden, Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft.

KONING EDWARD. Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet.

LADY GREY. Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht.

KONING EDWARD. Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn.

LADY GREY. Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta.

KONING EDWARD. Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats.

LADY GREY. Ronduit dan, liever lig ik in den kerker.

KONING EDWARD. Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet.

LADY GREY. Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed; Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen.

KONING EDWARD. Aldus doet gij uw kindren veel te kort.

LADY GREY. Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort. Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek; Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”.

KONING EDWARD. Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede; Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch.

LADY GREY. Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. 81

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De weduw wil hem niet; zij fronst de wenkbrauw.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Geen christenmensch maakte ooit zoo plomp het hof.

KONING EDWARD (ter zijde). Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik; Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord; Zoo schoone gaven eischen vorstenrang; Een koning is zij waardig, zus of zoo, ’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.— (Tot Lady Grey.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam?

LADY GREY. ’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen; Ik deug als onderdaan misschien tot scherts, Maar nimmer toch om koningin te zijn.

KONING EDWARD. Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon, Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent; Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten.

LADY GREY. En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil. Ik weet, ik ben te laag voor koningin, Maar toch te goed voor liefje van een koning.

KONING EDWARD. Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin.

LADY GREY. ’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons U vader gingen noemen.

KONING EDWARD. Neen, niet meer, Dan zoo u mijne dochters moeder noemen. Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk; En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel, Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak, De vader van een tal van zoons te zijn. Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin.

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De vrome heer is klaar, de biecht gehoord.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Toen hij biechtvader werd, was list aan ’t woord.

KONING EDWARD. Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken?

GLOSTER. Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken.

KONING EDWARD. Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos?

CLARENCE. Voor wien, mylord?

KONING EDWARD. Wel, Clarence, voor mijzelf.

GLOSTER. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.

CLARENCE. Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt.

GLOSTER. Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. 114

KONING EDWARD. Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u, Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt.

(Een Edelman komt op.)

EDELMAN. Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat, En als gevang’ne hier voor uw paleis.

KONING EDWARD. Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;—

(De Edelman af.)

En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft, Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.— Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere.

(Allen af, behalve Gloster.)

GLOSTER. Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.— Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles, Opdat geen groene spruit uit zijne lenden Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag! Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,— Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,— Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward, En al hun onverhoopte lijflijke erven, En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is; Een killende overweging bij mijn plan! Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk, Als een, die op een voorgebergte staat En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht, En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog, De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt, Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen; Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon, En kijf op al wat mij van haar terughoudt, En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen, En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is. Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest, Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren. Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard, Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan? Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot, In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;— Armzalige inval, minder nog bereikbaar, Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen! De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf; En, opdat ik haar zachte wet zou derven, Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len Gelijk een dorre struik, om op mijn rug Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt; Om mij de beenen ongelijk te vormen, Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden, Als aan een warklomp of een berenwelp, Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt. En ben dan ik een man, die liefde wekt? O razernij, ooit zulk een waan te voeden! 164 Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen, Die schooner van gestalte zijn dan ik, Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen, En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen, Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd Omtuind is van een glorierijke kroon. Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang, Want vele levens scheiden mij van ’t doel. Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,— De dorens scheurend, zelf er door geschramd,— Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert, Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt, Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,— Zoo martel ik mij af om Englands kroon; En van die mart’ling wil ik mij bevrijden, Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks. Glimlachen kan ik en glimlachend moorden, En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft, En kunstig mijn gelaat met tranen vochten, Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds. ’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf, Meer kijkers dooden dan de basilisk, Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen, Bedriegen, fijner dan Ulysses deed, Een Sinon zijn en nog een Troje nemen; Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen, Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs; Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;— En zou een kroon mij onbereikbaar zijn? Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn!

(Gloster af.)

DERDE TOONEEL.

Frankrijk. Een staatsievertrek in het koninklijk paleis.

Trompetgeschal. Koning Lodewijk en prinses Bona komen op, met Gevolg. De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin Margaretha, Prins Edward en de Graaf van Oxford.

KONING LODEWIJK (opstaande). Doorluchte, schoone koningin van England, Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst, Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit.

KONINGIN MARGARETHA. Neen, groote koning, Margaretha moet Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen, Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte ’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd, Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden, Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu, En ik mij schikken in mijn lage plaats.

KONING LODEWIJK. Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis?

KONINGIN MARGARETHA. Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult, Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt.

KONING LODEWIJK. Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, 15 En zet u naast ons. (Beiden gaan zitten.) Buig den nek toch niet Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort; Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed; Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed.

KONINGIN MARGARETHA. Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken. Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust, Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart, In plaats van koning nu een vlucht’ling is, In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet, Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York, Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd Van Englands echtgezalfden, rechten koning. Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha, Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon, Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend; Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop; Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet; In England zijn èn pairs èn volk verleid, De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid; En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid.

KONING LODEWIJK. Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm, Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken.

KONINGIN MARGARETHA. Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand.

KONING LODEWIJK. Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp.

KONINGIN MARGARETHA. O, ongeduld verzelt steeds waren kommer; En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan.

(Warwick komt op, met Gevolg.)

KONING LODEWIJK. Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon?

KONINGIN MARGARETHA. De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend.

KONING LODEWIJK. Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons?

(De Koning komt van den troon af. Koningin Margaretha staat op.)

KONINGIN MARGARETHA. Wee! nu begint een tweede storm te woeden; Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht!

WARWICK. De roemrijke Edward, koning thans van Albion, Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend, Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde, Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten, Voorts aan te dringen op een vriendschapsband, En dan nog, om die vriendschap te versterken, Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen, Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona, Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden.

KONINGIN MARGARETHA. Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. 58

WARWICK (tot Bona). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig De hand u kussen en u met mijn tong Den gloed beschrijven van mijns meesters hart, Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend, Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd.

KONINGIN MARGARETHA. Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan, Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde, Alleen uit arglist, door den nood verwekt; Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis, Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt? Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk, Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven, Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon. Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt, Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd; Want een geweld’naar moge een wijle heerschen, God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit.

WARWICK. Smaadzieke Margaretha!

PRINS. Waarom niet koningin?

WARWICK. Uws vaders rang is aangematigd, gij Zoo min een prins, als zij een koningin.

OXFORD. Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent, Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet, En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik, Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs, En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik, Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd; Van deze reeks stamt onze Hendrik af.

WARWICK. Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik Al wat de vijfde Hendrik won, verloor? Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten.

OXFORD. Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft, En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen?

WARWICK. Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, 98 Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms? Laat Hendrik varen en noem Edward koning.

OXFORD. Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere, Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader, En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had? Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft, Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster.

WARWICK. En ik aan ’t huis van York.