Chapter 12 of 24 · 3982 words · ~20 min read

Part 12

KONINGIN MARGARETHA. Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes? Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?

SUFFOLK. Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197 Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig, Dat ik wil schuren in diens giftig hart, Die met het purp’ren merk van moord mij hoont. Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick, Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.

(De Kardinaal, Somerset en Anderen af.)

WARWICK. Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?

KONINGIN MARGARETHA. Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet boeien, Geen afstand doen van drieste lastertaal; Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.

WARWICK. Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;— Want ieder woord, om zijnentwil gesproken, Brengt smaad op uwen koninklijken naam.

SUFFOLK. Gij lord met stompen geest en boersche zeden, Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog, Dan nam uw moeder in haar zondig bed Een kinkel op, en werd op eed’len boom Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt. Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!

WARWICK. Beschermde u niet de bloedschuld van den moord, En roofde ik aan den beul niet zijn belooning, Tienduizendvoudige oneer u besparend, En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht, Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar, Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken, Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet En gij in bastaardij geboren zijt; En na die afgedwongen hulde gave ik U dan uw loon en zond uw ziel ter hel, Bloedzuiger en belager in den slaap!

SUFFOLK. Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten, Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!

WARWICK. Terstond dan, of ik sleep u weg van hier. Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen, Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.

(Suffolk en Warwick af.)

KONING HENDRIK. Welk harnas is er als een vlekk’loos hart? Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt, En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’, Wien ongerechtigheid het hart verpest.

(Gedruisch buiten.)

KONINGIN MARGARETHA. Wat is dat voor gedruisch?

(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.)

KONING HENDRIK. Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel? Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?

SUFFOLK. De valsche Warwick en het volk van Bury, ’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241

(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.)

SALISBURY (tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning zeggen.— (Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij, Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht, Of buiten Englands schoon gebied verbannen, Dan wordt hij met geweld van hier gerukt En sterft een langen, zwaren marteldood. Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven, Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem; En ’t is de drang van liefde en echte trouw, Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet, Alsof zij tegen uwen wil zich kantten, Die hen doet dringen op zijn ballingschap. Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij, Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en Bevolen had, dat niemand u zou storen, Op straf van ongenade, op straf des doods, Het toch, ondanks dat streng gebod, indien Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong, Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit, Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken, Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring, Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte; En daarom roepen zij, trots uw verbod, Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden Voor zulke slangen als de valsche Suffolk, Door wiens venijnige’, onheilvollen steek Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog, Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.

HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!

SUFFOLK. ’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop, Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt; Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden, Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt; Maar de eenige eer, die Salisbury daar won, Is, dat hij afgezant was van een bende Van ketellappers aan zijn heer en koning.

HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen binnen!

KONING HENDRIK. Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij, Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank; En ware ik ook door hen niet zoo vermaand, Ik had alreeds besloten, wat zij vragen; Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand; En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem, Wien ik niet waardig ben hier te vervangen: Niet langer dan drie dagen zal zijn adem De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288

(Salisbury af.)

KONINGIN MARGARETHA. O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!

KONING HENDRIK. Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen! Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor, Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen. Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord; Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.— Indien gij na drie dagen wordt gevonden Op eenig grondgebied, door mij beheerscht, Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.— Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij; ’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.

(Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.)

KONINGIN MARGARETHA. Onheil en kommer volge u op den voet! U mogen harteleed en bitt’re droefheid Speelnooten zijn en u gezelschap houden! Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde; En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!

SUFFOLK. Staak dit verwenschen, lieve koningin, En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.

KONINGIN MARGARETHA. Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij! Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?

SUFFOLK. Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken? Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet, Dan vond ik bitterbooze woorden uit, Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor, En stiet ze door de opeengeklemde tanden Met zooveel blijk van ingevreten haat, Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd. Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len, Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len, Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan, Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee. En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken, Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank! Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal! Hun liefste schaduw een cypressenwoud! Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken! Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen! Afschuwlijk hun muziek als slanggesis, Door uilen-onheilskreten begeleid! Al de eis’lijkheden van de diepste hel—

KONINGIN MARGARETHA. Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf, Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel Of als een overladen donderbus, terug, En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.

SUFFOLK. ’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien? O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet, Dóórvloeken konde ik heel een winternacht, Al moest ik naakt staan op een hoogen berg, Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat, En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.

KONINGIN MARGARETHA. O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339 Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe; En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!— O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent, Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht, Door welke ik duizend zuchten om u slaak. Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel; ’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat, Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt, ’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,— Ik waag het, dat ikzelf verbannen word; Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen. Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!— O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar, En scheiden, eindloos kussend, duizend keer, Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven! En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!

SUFFOLK. Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen, Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u. Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier; Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk, Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had; Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld, Met elken lust, met elk genot der wereld; En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid. Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven; Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.

(Vaux komt op.)

KONINGIN MARGARETHA. Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?

VAUX. Ik moet aan zijne majesteit gaan melden, Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt; Hem greep een zware ziekte plotsling aan, Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht, God lastrend en de menschenkindren vloekend. Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning, En fluistert tot zijn kussen, als tot hem, Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel; En ’t is mijn last, den koning te gaan melden, Dat hij daar juist geweldig om hem roept.

KONINGIN MARGARETHA. Ga, breng die booze tijding aan den koning.

(Vaux af.)

Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding! Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort, Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend? En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383 In tranen even rijk als zuiderwolken, Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed? Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt; En vond hij u bij mij, gij waart des doods.

SUFFOLK. Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven; En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders Dan als een zoete slaap in uwen schoot? Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit, Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind, Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft; Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind, U roepend, om mij de oogen toe te drukken En met uw lippen mij den mond te sluiten, Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug Of in uw boezem ademde ik haar uit, Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium. Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl, Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven; O, laat mij blijven, kome wat er wil!

KONINGIN MARGARETHA. Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel, Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat. Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren; Want waar gij op het wereldrond ook zijt, Ik zal een Iris hebben, die u vindt.

SUFFOLK. Ik ga.

KONINGIN MARGARETHA. En neem mijn hart met u.

SUFFOLK. Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel, Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft. Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij; Naar dezen kant wacht mij de dood.

KONINGIN MARGARETHA. Hier mij.

(Beiden af, naar verschillenden kant.)

DERDE TOONEEL.

Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort.

Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen.

KONING HENDRIK. Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.

KARDINAAL. Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten; Genoeg om zulk een eiland u te koopen, Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.

KONING HENDRIK. O, welk een blijk van een misdadig leven, Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!

WARWICK. Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.

KARDINAAL. Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt. Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven? Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10 O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.— Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is; Ik geef wel duizend pond om hem te zien.— Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.— Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.— Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker, Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.

KONING HENDRIK. Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt, Zie met genadig oog op dezen worm! O, drijf den rustloos driesten duivel weg, Die thans met macht zijn arme ziel bestormt! Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!

WARWICK. Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!

SALISBURY. O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.

KONING HENDRIK. Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt. Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade, Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.— Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!

WARWICK. Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.

KONING HENDRIK. O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.— Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht; En keeren we allen tot onszelven in.

(Allen af.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Kent. Het zeestrand bij Dover.

Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen; met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen.

KAPITEIN. De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig, Heeft in den schoot der golven zich verscholen; Luid huilend wekken wolven nu de knollen, Die traag de kar der sombre, norsche Nacht Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken Langs graven zwevend, uit hun vochten muil Vuil, giftig duister aad’men in de lucht. Brengt nu de krijgers der genomen bark; Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij Hun losgeld ons voldoen hier op het strand, Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.— Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;— Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;— Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14

EERSTE EDELMAN. Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.

SCHIPPER. Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.

BOOTSMAN. Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.

KAPITEIN. Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam, En noemt en doet ge u voor als edellieden?— Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja! Weegt zulk een kleine som de levens op Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?

EERSTE EDELMAN. Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.

TWEEDE EDELMAN. Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.

WHITMORE. Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld, (Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven; En dezen stierven ook, had ik mijn zin.

KAPITEIN. Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.

SUFFOLK. Zie mijn Sint George; ik ben een edelman; Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.

WHITMORE. Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31 Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?

SUFFOLK. Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood. Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken, En toen gezegd: door Water zoude ik sterven. Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen; Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier.

WHITMORE. Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld, Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt. Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak, Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk, En roep alom mij als een lafaard uit!

(Hij grijpt Suffolk aan.)

SUFFOLK. Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne; ’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.

WHITSTONE. De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!

SUFFOLK. Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk; Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?

KAPITEIN. Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. 49

SUFFOLK (tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed, Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster, Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten. Hebt gij weleer de hand mij niet gekust, Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden, Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier, En door mijn knik gelukkig u gevoeld? Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend, Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal Met koningin Marg’retha was gezeten? Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed, Ja, en het knakke uw onberaden trots. Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal, En wachttet onderdanig tot ik kwam? De hand hier schreef wel eens ten uwen bate, En kluist’re daarom thans uw wilde tong.

WHITMORE. Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?

KAPITEIN. Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.

SUFFOLK. Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.

KAPITEIN. Voer hem van hier ter zij van onze sloep, En sla hem ’t hoofd af.

SUFFOLK. Waagt gij ’t hoofd er aan?

KAPITEIN. Ja, Pole.

SUFFOLK. Pole?

KAPITEIN. Pool’? Sir Pole? lord? Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek De zilvren bron bederft, waar England drinkt. Nu stop ik u dien opgesperden muil, Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen, Die Margaretha kusten, vagen ’t stof; En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet, Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs Nu aan; die fluiten u verachtend uit; Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd, Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst, De dochter van een beed’laar-koning aanzocht, Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat. Groot werdt ge alleen door duivels-politiek, En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla, Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85 Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk; Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers Driest ons gezag verwerpen, Picardije Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht, De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt. De vorstelijke Warwick, al de Nevils, Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot, Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan; En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst, En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,— Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop, De halve zon, door wolken brekend, op, Waaronder staat: „invitis nubibus”. Het volk in Kent is opgestaan, gewapend; In één woord, beed’laars-armoê en beschimping Zijn ingeslopen in des konings slot, En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!

SUFFOLK. O ware ik thans een god, die bliksems schoot, Op deze lage, slaafsche, vuile knechten! ’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch; Hier deze schurk, die op een boot bevel voert, Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman, De sterke Bargulus.—De hommel zuigt Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf Door zulk een lagen dienstman als gij zijt. Uw taal wekt woede, geen berouw in mij. Ik moet naar Frankrijk voor de koningin; En zeg u: voer mij veilig over zee.

KAPITEIN. Walter!

WHITMORE. Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.

SUFFOLK. Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik.

WHITMORE. Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga. Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?

EERSTE EDELMAN. Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.

SUFFOLK. Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong, Weet te gebieden, niet om gunst te vragen. Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige, Dan voor den hoogen God en voor mijn koning; En eer nog danse ’t bloedig op een stang, Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht. Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees; Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.

KAPITEIN. Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. 131

SUFFOLK. Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt, Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten. Vaak sterven groote mannen door verworp’nen: Een vechter en bandiet uit Rome moordde Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.

(Whitmore met Suffolk en Anderen af.)

KAPITEIN. Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is, Één hunner moge voor het geld gaan zorgen; Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.

(Allen af, behalve de Eerste Edelman.)

(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.)

WHITMORE. Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp, Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.

(Whitmore af.)

EERSTE EDELMAN. O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel! Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen; Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij, Aan wie hij dierbaar was, de koningin.

(De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.)

TWEEDE TOONEEL.

Blackheath.

George Bevis en John Holland komen op.

GEORGE. Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij zijn al sinds eergisteren opgestaan.

JOHN. Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.

GEORGE. Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken en keeren en er nieuwe wol opbrengen.

JOHN. Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de edellieden opgekomen zijn.

GEORGE. O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in tel.

JOHN. De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.

GEORGE. Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.

JOHN. Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20

GEORGE. Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan een harde hand.

JOHN. Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit Wingham,—

GEORGE. Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer van te maken.

JOHN. En Dick, de slager,—

GEORGE. Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid gekeeld als een kalf.

JOHN. En Smith, de wever,—

GEORGE. Argo, hun levensdraad is afgesponnen.

JOHN. Kom, kom, ons bij hen aangesloten!

(Getrommel. Jack Cade, Dick de slager, Smith de Wever en een groote hoop volks komen op.)

CADE. Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,—

DICK (ter zijde). Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen gestolen hebt.

CADE. Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden door den geest om koningen en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij stil zijn.

DICK. Stilte!

CADE. Mijn vader was een Mortimer,—

DICK (ter zijde). Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar.

CADE. Mijn moeder een Plantagenet,—

DICK (ter zijde). Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw.

CADE. Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;—

DICK (ter zijde). Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook wel spencers verkocht hebben.

SMITH (ter zijde). Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar mars het land af te reizen, wascht ze te huis voor de menschen.

CADE. En dus ben ik van hoogen huize.

DICK (ter zijde). Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en daar is hij geboren, achter een heg; want zijn vader heeft nooit een huis gehad behalve het landloopershok.

CADE. Moed heb ik;—

SMITH (ter zijde). Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen.

CADE. En ik kan veel verdragen;—

DICK (ter zijde). Buiten twijfel; want ik heb hem drie marktdagen achtereen met de bullepees zien krijgen.

CADE. Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;—

SMITH (ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65

DICK (ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen.

CADE. Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u, dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren, scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden, en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning ben,—want koning zal ik zijn,—

ALLEN. God behoede uw majesteit!