Part 16
IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een woordspeling op dien naam.
IV. 1. 99. „Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van Shakespeare’s „Koning Richard III.”
IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.), waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden.
IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel herkomstig is, is onbekend.
IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een anderen.
IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed).
IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters) kan verkocht hebben.
IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven.
IV. 2. 106. Emanuël.—Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien zin meermalen boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst.
IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow; „particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen.
IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald.
IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen en wel voor 99 beesten.
IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels beslagen was.
IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd en met huizen bezet.
IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen, hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken, misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van Brussel.”
IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland uit zijn mond zouden komen.
IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen.
IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge, en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een Franschman, is verbasterd van baise mon cul.
IV. 7. 61. Bona terra, mala gens. Het land goed, maar het volk kwaad.
IV. 7. 66. De liefste streek. In Arthur Golding’s vertaling van Julius Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: Of all the inhabitants of this isle the Kentishmen are the civilest. Sh. spreekt hier ook van the civil’st place.
IV. 7. 131. Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken. In ’t Engelsch staat: take up commodities upon our bills. Bill beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard.
IV. 8. 13. Een oproerling. Hier is de blijkbaar juiste emendatie gevolgd: Or let a rebel etc.
IV. 8. 48. „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.—Het Italiaansche woord vigliacco (lomperd, ellendeling), dat, viliacco geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt, b.v. bij Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van dien tijd) verklaard wordt met a rascal, a base varlet. In de Folio-uitgave, staat villiago, waarvan men ook wel villageois heeft willen maken.
IV. 9. 26. Galloglassen. Evenals Kernen woeste Iersche troepen, ook in Macbeth, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen lichtgewapenden.
IV. 10. 9. Haver in plaats van helm. In ’t oorspronkelijke vindt men een woordspeling met sallet, dat zoowel helm als salade beteekent.
V. 1. 144. Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren. De Nevils, waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal geketenden beer in hun wapen.
V. 2. 28. „La fin couronne les oeuvres.” Cliffords wapenspreuk en oorlogskreet.
V. 2. 59. Medea. Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden broeder Abyssus in stukken, om haar vader bij zijn vervolging op te houden.
V. 2. 68. „’t Kasteel van Sint-Albaans.” Men herinnere zich de voorspelling: „Kasteelen moog’ hij mijden!” blz. 661, I. 4. 38.
KONING HENDRIK DE ZESDE.
DERDE DEEL.
PERSONEN:
Koning Hendrik de Zesde. Edward, Prins van Wales, zijn zoon. Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk. De Hertog van Somerset, de Hertog van Exeter, de Graaf van Oxford, de Graaf van Northumberland, de Graaf van Westmoreland en Lord Clifford, aanhangers des Konings. Richard Plantagenet, Hertog van York. Edward, Graaf van March, later } Koning Edward de Vierde, } Zoons van den Edmond, Graaf van Rutland, } Hertog van York. George, later Hertog van Clarence, } Richard, later Hertog van Gloster, } De Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van Warwick, de Graaf van Pembroke, Lord Hastings en Lord Stafford, aanhangers van den Hertog van York. Sir John Mortimer en Sir Hugo Mortimer, ooms van den Hertog van York. Hendrik, de jonge Graaf van Richmond. Lord Rivers, broeder van Lady Grey. Sir William Stanley, Sir John Montgomery en Sir John Somerville. De Leermeester van Rutland. De Mayor van York, de Slotvoogd van den Tower en een Edelman. Twee Boschwachters en een Jager. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft. Een Vader, die zijn Zoon gedood heeft.
Koningin Margaretha. Lady Grey, later Gemalin van Koning Edward den Vierden. Bona, zuster van de Koningin van Frankrijk.
Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward, Boden, Wachten, enz.
Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk, voor het overige in Engeland.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Het Parlementshuis.
Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed.
WARWICK. ’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.
YORK. Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg, Waarop de groote lord Northumberland, Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden, Het matte leger moed wist in te storten; Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich, Stormde in op onze voorste rij, brak door, Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.
EDWARD. De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader, Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond; Ik spleet hem met een fellen houw den helm; Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.
(Hij toont zijn bloedig zwaard).
MONTAGUE (tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf Wiltshire, Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.
(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.)
RICHARD. Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.
(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.)
YORK. Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.— Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?
NORFOLK. Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!
RICHARD (het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te schudden.
WARWICK. En ik met u.—Zeeghafte prins van York, Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon, Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd, Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God! Dit hier is het paleis des laffen konings, En dit des konings stoel; bestijg hem, York; U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.
YORK. Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het; Want ingebroken zijn wij met geweld.
NORFOLK. Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.
YORK. Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;— En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.
WARWICK. En komt de koning, grijpt niet naar de wapens, Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34
(De Soldaten trekken zich terug.)
YORK. De koningin houdt heden parlement hier. Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren. Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.
RICHARD. Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.
WARWICK. Plantagenet, hertog van York, zij koning, En die beschroomde Hendrik afgezet, Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,— Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.
YORK. Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal; Ik denk bezit te nemen van mijn recht.
WARWICK. De koning, noch wie hem het meest bemint, De stoutste, die voor Lancaster het opneemt, Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick, Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat. Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.— Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.
(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.)
(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.)
KONING HENDRIK. Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling; Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het, Op Warwick steunend, op dien valschen pair, Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.— Northumberland, uw vader viel door hem, Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.
NORTHUMBERLAND. Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!
CLIFFORD. ’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.
WESTMORELAND. Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer! Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.
KONING HENDRIK. Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!
CLIFFORD. Geduld is goed voor lafaards zooals hij; Hij zat daar niet, indien uw vader leefde. Genadig heer, laat ons in ’t parlement Hier op den stam van York een aanval doen.
NORTHUMBERLAND. Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!
KONING HENDRIK. Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen, En troepen krijgers wachten op hun wenken!
EXETER. Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69
KONING HENDRIK. O ver van Hendriks hart steeds de gedachte, Dit parlement een slachthuis te doen zijn! Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging, Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.
(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.)
Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon, Kniel om genade en gunst aan mijne voeten; Ik ben uw heer en vorst.
YORK. Neen! ik ben de uwe.
EXETER. Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.
YORK. Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.
EXETER. Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.
WARWICK. Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad, Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.
CLIFFORD. Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?
WARWICK. Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.
KONING HENDRIK. Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?
YORK. Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.
WARWICK. Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.
WESTMORELAND. Hij is dit, en ook hertog Lancaster; Dit zal de lord van Westmoreland u staven.
WARWICK. En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet, Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden, Uw vaders doodden, met ontplooide vanen Door Londens straten trokken naar ’t paleis.
NORTHUMBERLAND. Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed; En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.
WESTMORELAND. Plantagenet, meer levens zal ik nemen Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.
CLIFFORD. Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden, Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden, Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.
WARWICK. Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!
YORK. Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen; Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.
KONING HENDRIK. Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104 Uw vader was, als gij, hertog van York; Uw moeders vader was de graaf van March;— Mijn vader was de groote vijfde Hendrik, Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn, Hun steden en hun landen heeft veroverd.
WARWICK. Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.
KONING HENDRIK. Dat deed de lord protector, en niet ik; ’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.
RICHARD. Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij. Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.
EDWARD. Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.
MONTAGUE (tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief, Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.
RICHARD. Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.
YORK. Stil, zoons!
KONING HENDRIK. Stil gij, en laat den koning aan het woord.
WARWICK. Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan; En luistert zwijgend en aandachtig toe; Wie in de rede valt, hij zal niet leven.
KONING HENDRIK. Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat, Waarop mijn vader en diens vader zaten? Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken, En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend, Doch nu in England, tot mijn harteleed,— Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords? Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.
WARWICK. Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.
KONING HENDRIK. Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.
YORK. Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.
KONING HENDRIK (ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak. (Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?
YORK. Wat verder?
KONING HENDRIK. Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning, Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords, Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan; Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.
YORK. Hij was in opstand tegen hem, zijn koning, En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142
WARWICK. Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang, Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?
EXETER. Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen, Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.
KONING HENDRIK. Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?
EXETER. Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.
YORK. Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?
EXETER. ’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.
KONING HENDRIK (ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem.
NORTHUMBERLAND. Plantagenet, wat gronden gij ook noemt, Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.
WARWICK. De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.
NORTHUMBERLAND. Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden, In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,— Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,— Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.
CLIFFORD. Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet, Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden; Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden, Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!
KONING HENDRIK. O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!
YORK. Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!— Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?
WARWICK. Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe, Of van gewapend volk vervul ik ’t huis, En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt, Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!
(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.)
KONING HENDRIK. Mylord van Warwick; hoor een enkel woord, Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.
YORK. Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven, En rustig heerscht gij heel uw leven lang.
KONING HENDRIK. Ik neem het aan, Richard Plantagenet, Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.
CLIFFORD. Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!
WARWICK. Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177
WESTMORELAND. Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!
CLIFFORD. Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!
WESTMORELAND. Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.
NORTHUMBERLAND. Ik evenmin.
CLIFFORD. Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!
WESTMORELAND. Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst, In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!
NORTHUMBERLAND. Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf In boeien voor dit man-onteerend doen!
CLIFFORD. Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen, Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!
(Northumberland, Clifford en Westmoreland af.)
WARWICK. Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!
EXETER. Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.
KONING HENDRIK. Ach, Exeter!
WARWICK. Waarom dat zuchten, Heer?
KONING HENDRIK. Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon, Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.— Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik De kroon voor eeuwig u en uwen erven; Met dit beding, dat gij den eed hier doet, Den burgerkrijg te staken en mij steeds, Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren, En noch door open krijg, noch door verraad Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.
YORK (van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem houden.
WARWICK. Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!
KONING HENDRIK. Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!
YORK. Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.
EXETER. Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!
(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.)
YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.
WARWICK. En ik zal Londen met mijn volk bezetten.
NORFOLK. En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.
MONTAGUE. En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209
(York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg af.)
KONING HENDRIK. En ik, met leed en kommer naar mijn hof.
(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.)
EXETER. Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn; ’k Wil henensluipen.
KONING HENDRIK. Exeter, ook ik.
(Hij wil heengaan.)
KONINGIN MARGARETHA. Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.
KONING HENDRIK. Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.
KONINGIN MARGARETHA. Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken? Onzalig man! ware ik als maagd gestorven, Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard, Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk! Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven? Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik, Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed, Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed, Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven, Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt, En dezen uwen een’gen zoon onterfd.
PRINS. Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen; Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.
KONING HENDRIK. Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;— Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.
KONINGIN MARGARETHA. Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen? Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard! Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij, En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht, Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden. Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken, Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven, Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd? Warwick is kanselier, beheerscht Calais, De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee, De hertog is protector nu van ’t rijk, En acht ge u veilig? zulk een veiligheid Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven. Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest, Eer had ik door de krijgers op hun pieken Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit Tot zulk een onderhand’ling had verstaan; Maar gij verkiest uw leven boven de eer; En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat Dit parlementsbesluit vernietigd is, Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd. De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten, Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert; En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad, En ’t gansche huis van York ten ondergang. Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier; Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256
KONING HENDRIK. Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.
KONINGIN MARGARETHA. Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!
KONING HENDRIK. Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?
KONINGIN MARGARETHA. O ja! opdat de vijand hem vermoorde!
PRINS. Als ik van de’ oorlog zegevierend keer, Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.
KONINGIN MARGARETHA. Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!
(Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.)
KONING HENDRIK. Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen! God wreke haar op dezen boozen hertog, Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!— Die afval der drie lords bezwaart mijn hart; Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.— Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.
EXETER. En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een vertrek in het slot Sandal, nabij Wakefield.
Edward, Richard en Montague komen op.
RICHARD. Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,—
EDWARD. Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.
MONTAGUE. Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.
(York komt op.)
YORK. Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen? Waarover hebt gij twist en hoe begon die?
EDWARD. Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.
YORK. Waarom?
RICHARD. Om iets wat u, en ook ons allen aangaat: De kroon van England, die aan u behoort.
YORK. Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.
RICHARD. Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.
EDWARD. Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu; Laat gij de Lancasters op adem komen, Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14
YORK. Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.
EDWARD. Maar eeden mag men breken voor een kroon; Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.
RICHARD. Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!
YORK. Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.
RICHARD. ’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.
YORK. Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.