Chapter 1 of 24 · 3857 words · ~19 min read

Part 1

SVEN HEDIN

VAN POOL TOT POOL.

TWEEDE REIS.

VAN DE NOORDPOOL NAAR DEN AEQUATOR.

GEAUTORISEERDE UITGAVE.

W. DE HAAN—UTRECHT.

1. NAAR HET LAND VAN DE MIDDERNACHTZON.

Na even uitgerust te hebben van onzen tocht door Azië, kiezen wij het hooge Noorden voor ons volgend doel. Wij zijn in Stockholm in den spoortrein gestapt en als wij op het achterbalkon van den laatsten wagen gaan staan, schitteren ons de metalen rails tegemoet, die Stockholm met Narvik in het hooge Noorden van Noorwegen verbinden. Stil droomerig ligt het landschap om ons heen in den helderen avond. De uren gaan voorbij, wij schrijven 27 Juni, den tijd van de heldere nachten. Wie kan dan het besluit nemen, te gaan slapen? Nu eens wordt de blik geboeid door een klein meer, op welks landtongen en eilandjes jonge pijnboomen als in den slaap knikken, dan weer groene weiden, aan welker uitersten rand een reeks witte berkestammen scherp tegen de duisternis van het dennenbosch afsteekt.

Den volgenden morgen zijn wij reeds midden in het land der onuitputtelijke bosschen en der zaagwerken. Overal dennen, sparren en berken, de meren en rivieren bedekt met drijvende houtblokken en vlotten. De nabijgelegen hoogten flikkeren in krachtige, groene tinten; daarachter verdwijnt alles meer en meer in diep blauw. Dikwijls strekken zich tusschen de heuvels vlakke veenstreken uit, omlijst door boomen, die er als verschrompelde dwergjes uitzien. Wel is dit land mijlen ver tot naar het Noorden eentonig, maar toch kunnen wij er onze oogen niet van afhouden; de teere lijnen en tinten en de wazige, trillende spiegelbeelden van het landschap in de heldere golven der blauwe meren stellen volop schadeloos, voor de grootscher bekoring van het hooggebergte, dat ver in het Westen blijft liggen.

Wij hebben reeds meer dan de helft van den weg achter ons en houden ’s avonds te Boden stil, vanwaar wij een uitstapje maken naar Luleå aan de Bottnische golf. Op den weg naar de kust wordt het bosch weer dichter en hooger en spoedig wandelen wij door de straten van Luleâ, de hoofdstad van Norrbotten, die na den laatsten verwoestenden brand nieuw en voornaam is verrezen. De alleeën van berken in de grootere straten zijn niet minder betooverend dan de palmen in Singapore. In het Noorden glinsteren de randen der wolken in verblindend purper. Maar welk een eenzaamheid! Het is klaarlichte dag en toch is er niemand op straat? Is de stad verlaten of betooverd? De klok lost het raadsel op; het is middernacht!

Een kleine stoomboot brengt ons den volgenden morgen naar het eiland Svartö, en spoedig staan wij op een geweldige houten brug, die zich zestien meter boven den waterspiegel verheft. Aan beide zijden ligt een stoomboot met erts voor anker, en nu komt op de brug een trein aangerold. Elk van zijn wagens bevat dertig ton erts. Zoodra de eerste zich boven een opening in de brug bevindt, slaat zijn bodem naar beneden open. Met oorverdoovend geraas stort het erts in een met geslagen plaatijzer bedekte goot om in het ruim van een der schepen te verdwenen. Zoo wordt de eene wagen na den anderen geledigd, de eene trein na den anderen, en elk uur dalen duizenden tonnen erts in het binnenste van een schip. Zoodra het geladen is, stoomt het naar eene vreemde haven, bijv. Rotterdam, vanwaar het erts naar de groote metaalgieterijen in Westfalen wordt verzonden.

Al dit ijzererts komt uit Gellivara en den Malmberg.

Als ’s winters de scheepvaart heeft opgehouden, wordt het op de kade opgestapeld; daar liggen dan ongeveer 600.000 ton. Hier op Svartö vloeit een der twee ertsstroomen van Norrland, de andere gaat over Narvik in Noorwegen en is nog geweldiger, want daar vloeit het erts het geheele jaar door en keert als goudstroom terug.

Te Boden bereiken wij weer onzen trein en richten ons nu meer noord-noord-west naar Lapland. Geen gebergte, geen rivieren. De spoorweg slingert zich tusschen eindelooze moerassen en veengronden, waaruit kleine, ronde heuvels als eilanden uitsteken.

Maar denkt niet, dat deze veengronden waardelooze woestenijen zijn, waarin de spoorweg-stations schaarsche oasen vormen. Zij zijn een kapitaal voor de toekomst, want daaruit wordt zooveel turf gewonnen, dat ze den tegenwoordigen steenkoleninvoer, voor geheel Zweden gedurende tweehonderd jaar kan vervangen!

Het woud krimpt meer en meer in. De dennen zijn zoo klein, dat ze ternauwernood voor kerstboompjes deugen, hun korte takken liggen vlak tegen den stam. Maar zij staan zoo dicht tegen elkaar, alsof een leger dwergen, dat men naar het Noorden heeft gejaagd, opeendrong, om zich gedurende den winter wederkeerig te verwarmen. Zij streven naar de zon, maar kunnen zich niet verheffen, en blijven verschrompeld, mager en ellendig. In den winter verdwijnen zij geheel onder opgewaaide sneeuw.

Schril gilt de stoomfluit der locomotief over het zwijgende dwergwoud. Daardoor maakt de machinist ons opmerkzaam op een merkwaardigheid. Op twee witte borden rechts en links, staat in groote, zwarte letters „Poolcirkel”. Hier zijn wij dus in de Poolstreek, waar de langste dag des zomers, zoowel als de langste nacht ’s winters vier en twintig uren duurt. Van den Poolcirkel af neemt de lengte van den dag naar de Noordpool toe, waar zij zes maanden duurt, om met een even langen winternacht af te wisselen.

Het merkwaardigste, wat ik ooit in mijn leven zag, is Kirunavara, dat wij van af Boden over Malmberg bereiken, een gebergte dat van de geheele wereld het rijkste is aan ijzererts. Hier heeft de aarde aan de bewoners van Zweden bijna onuitputtelijke rijkdommen geschonken, en hij die er voorbijgaat, vermoedt ternauwernood den onmetelijken schat, die onder den golvenden rug van het zoo onaanzienlijk gebergte ligt.

Midden in de wildernis is hier aan de oostelijke zijde van een meer, de plaats Kiruna verrezen, en noordwestelijk er van verheft zich een tweede berg, de Luossavara, die eveneens ontzaglijke massa’s kostbaar ijzererts in zijn binnenste verbergt. Te Kiruna heerscht gedurende een maand heldere dag; een arbeider verzekerde mij, dat voortdurend licht veel onaangenamer aandoet dan een even lange winternacht. Want ook dan, als de diepste duisternis heerscht en de zon zich sedert veertien dagen niet meer boven den horizon vertoond heeft, ziet men toch in het Zuiden den weerschijn van het verdwenen licht, en de vlam van het noorderlicht trilt over de witte sneeuw, waarover de Lappen in hun sleden rijden. Tusschen met sneeuw bedekte bergen, gaat de spoorbaan verder naar het Noorden. Voor ons ontvouwt zich een prachtig uitzicht over het Torne-Träsk. Dit zeventig kilometer lange tot negen kilometer breede meer ligt tusschen geweldige door sneeuw bedekte bergen, die zich aan den noordelijken oever tot 1300 meter hoogte verheffen. Het Torne-Träsk is geen moerassig meer, maar een echt Alpenmeer met 162 meter diepte en wordt in schoonheid maar door weinig meren van Europa overtroffen. Bij Björkliden worden de dwergberken, die de hellingen van den oever bedekken, vijf meter hoog, maar krimpen spoedig weer in tot onaanzienlijke struiken. Een waterval stort schuimend een steilen wand af: hij heet „de Zilveren Sluier” en fladdert en glinstert in den wind als een sluier op het haar van een meisje. Maar nu wordt het uitzicht steeds meer benomen. Muren ter bescherming tegen opgewaaide sneeuw versperren het. Dikwijls sneeuwen de ertstreinen hierboven zoo diep in, dat ternauwernood de bovenste blokken der ertsvrachten nog zichtbaar zijn. Dan moet de trein met schepraderen, die door motoren, op bijzondere, door de locomotief geschoven wagens gedreven worden, uit de sneeuw worden bevrijd.

Opeens ligt een kamp der Lappen voor ons, een tent en een hut, aan een kleine poel! Wat aardig en tevreden zien deze kleine Lappen in hun bonte kleeren, uit rendierenhuid met roode, blauwe en gele banden, er uit! Bijna hadden wij eenige van hun rendieren overreden, die natuurlijk juist over de rails moesten loopen, toen de trein naderde. Sedert duizend jaren volgen de Lappen steeds getrouw hun rendieren en trekken als de dagen lengen over het hooggebergte naar de Noorweegsche fjorden, om in den herfst weer terug te keeren en den winter in Lapland door te brengen. De rendieren bepalen het tijdstip voor het opbreken en de Lappen moeten hen volgen en met behulp van hun vroolijke, waakzame honden de kudden bijeenhouden. Want deze kudden rendieren zijn hun eenig bezit, hun rijkdom. Zij verzorgen ze met liefde en beschermen ze zorgvuldig tegen den wolf, den veelvraat en de stekende insekten. Men telt in Zweden vierduizend Lappen en zij bezitten twee honderdduizend rendieren. Dit volk eens uit Azië hierheen gekomen, kent zijn land in- en uitwendig als de Indianen hun wouden. Elke Lap is een padvinder. Het was ook een Lap, die voor honderdzeventig jaren den ertsberg Kiruna ontdekte en den weg daarheen wees.

Terwijl de trein ons langs het traject tusschen het Torne-Träsk en de grens van Zweden voert, door dit eenzaam en toch betooverend hoogland, langs kleine, nog bevroren meren, tusschen hoog opgewaaide sneeuwhoopen, door en over een bodem, waar geen boom meer wortelt, waar de rendieren buiten in vrijheid schaarsch mos zoeken, en dikke, blauwe rook uit de tenten der Lappen omhoog stijgt, moet ik aan mijn oud Tibet denken. Welk een gelijkenis tusschen beide landen! De natuur, de menschen met hun spleetoogen en hun levenswijze, dezelfde eenzame, golvende landstreken tusschen meren en moerassen, beide worden doorgetrokken door kleine, tevreden Nomaden, die gehard en geduldig een dapperen strijd, met een harde, karige natuur en een grimmig klimaat voeren. Dezelfde omzwervingen met de jaargetijden, dezelfde gewoonten, dezelfde mannelijke kleederdracht voor beide geslachten en dezelfde ronde, naar boven spits toeloopende tenten! De yak en het schaap zijn voor den Tibetaan, wat het rendier voor den Lap is. De bewoners van Tibet zijn even goedaardig en vreedzaam als hun geestverwanten in Zweden en koesteren evenals dezen slechts den eenigen wensch in vrede gelaten te worden.

2. AAN DE NOORDKAAP.

De grens van Zweden is nu bereikt, de wolken liggen dicht als veerenbedden over het station „Riksgränsen” (landgrens) op een hoogte van 520 Meter. Dan gaat het op Noorweegsch gebied omlaag naar de zee. De trein geeft zich nu over aan zijn eigen zwaarte, de machinist behoeft slechts te remmen. Op een 180 meter lange viaduct van tien gewelfde bogen, gaan wij over het woeste Noorddal en rijden dan langs de linkerzijde van het Hondedal. In de diepte schuimt de blauw-groene rivier. De dwergboomen beginnen zich weer in de hoogte te verheffen, hoe dieper wij komen. De bergruggen verdwijnen in de wolken. Maar onder den rand der wolkenmantels storten ruischende watervallen van de rotswanden af. Nog enkele krommingen en wij zijn in de havenstad Narvik, die tusschen hooge, steile bergen ligt. Hier waar het Zweedsche erts de wereld inrolt, wacht ons de stoomboot „Salten”.

Bij scherpen Zuid-Westen wind en nevelig weer, draagt ze ons den volgenden dag de Ofotenfjord uit, om zich dan naar het Noord-Oosten te wenden, tusschen groote eilanden, door smalle zeeëngten en over open vlakken van den Atlantischen Oceaan, waarop men de uitgestrekte wereldzee tusschen de eilanden door ziet schemeren. Elk oogenblik verandert de omgeving. De onderste hellingen der hooge bergen zijn met berkenbosschen en groene weiden bedekt, hier en daar ligt een eenzame hoeve temidden van haar akkers, van welke de gerst zoo hoog in het Noorden niet meer rijp wordt. De hoogten zijn kaal, op de toppen ligt sneeuw, en van de punten der sneeuwvelden dansen de bergbeekjes naar de zee omlaag. Wij ontmoeten eenige visschersbooten, roei- en motorbooten, alle met bruine zeilen. Zij komen van de vischvangst aan de kusten van Finmarken, hebben den buit hunner netten verkocht en keeren nu met hun verdienste naar huis terug. De lichten der vuurtorens op de landtongen en klippen slapen in den hellen zomernacht, het weer was onvriendelijk tegen ons, maar in den nacht klaart de noordelijke horizon op. Slechts een kleine opening breekt door de wolken, maar groot genoeg, dat de zon er door kan zien, en eindelijk kunnen wij ons met eigen oogen overtuigen, dat de dagvorstin op deze hooge breedte niet meer in de zee verzinkt.

Voor ons ligt Tromsö; ginds de kerk en het museum, hier aan den oever houten loodsen op hun palen en aan de landingsbrug visschersschuiten en stoombooten. Uit de berkenboschjes boven de haven komen sierlijke houten villa’s kijken, en als de zon zich weer achter de wolken verbergt, teekent zich de geheele stad donker af tegen den helderen noordelijken hemel. Maar van den ondersten rand der wolken overstroomt het licht als stralen van een geweldig zoeklicht, de zeeëngte. Alles slaapt. Slechts twee jongens staan op een pier en eenige mannen werken in hun boot. Nu valt het zonlicht brandgeel op daken en gevels en in het Zuiden staan de van regen zware wolken donker violet.

Tromsö is een kleine en gezellige, maar vuile stad. Het museum bevat de dierenwereld van de noordelijke zeeën van af den walvisch tot het kleinste wormpje. In den bonthandel van Tromsö spelen de kostbare vellen van den blauw- en zilvervos, van het sabeldier en den hermelijn een groote rol.

Verscheiden Russische zeilschepen liggen voor de stad. Zij kwamen bevracht met hout, van Archangel en hadden de reis van daar tot hier in tien dagen afgelegd. In Tromsö en omgeving koopen zij dan versche dorschen en andere visschen, die aan boord worden ingezouten en met deze lading gaan de schepen weer naar den mond van de Dwina terug. In het gunstigst geval is de winst van zulk een schip op een reis 5000 roebel. De Noorweegsche visschers houden echter niet van de Russische kooplieden. Zij vinden, dat zij te veel verdienen aan de dorschen; bovendien drinken de Russische matrozen naar hun inzicht te veel en leven te ruw in de havensteden.

Slechts ongaarne scheidt men van dit eeuwig wisselend landschap, om gedurende den eeuwigen dag eenige uren te gaan slapen. Als men dan echter buiten op de Loppzee ontwaakt, waar de hooge golven van den oceaan onbelemmerd tegen het schip slaan, dan is men blij nog eenigen tijd te kunnen bleven liggen. Men kan al zeeziek worden als men kleeren en handdoeken heen en weer ziet fladderen, en handkoffers, schoenen en boeken op den bodem van de hut hoort dansen!

Maar nu glijden wij kalm water binnen, waar men slechts zelden een visscher, hier en daar een stoomboot met erts uit de Varangerfjord of een schip met timmerhout van de kust van de Witte Zee ziet. Wij maken een uitstapje naar de Kvänangenfjord en een harer vertakkingen de Jökelfjord in, aan welker uitersten rand ijsschollen rondzwemmen. De gillende toon van een stoomfluit weergalmt tusschen de bergen. Dat is het teeken van een Lap, die zich aan het strand heeft gevestigd en spoedig stoot een boot van den oever af, die ons tegemoet komt en waarvan de bezitter aan onzen loods inlichtingen geeft. Hij is dorschvisscher en kent het vaarwater. Hij is een levendige, kleine, aardige kerel, die ons, terwijl hij wijdbeens met bloot hoofd staat, verzekert, dat wij bij 70 vadem diepgang niet op grond zullen komen! Het zwartgroene water, waartegen de ijsschotsen in stralend wit afsteken, zegt ons ook reeds zelf, dat het nog een flink eind is tot de ankerplaats in den fjord.

Langzaam glijden wij den fjord binnen en voor ons ontrolt zich een grootsch beeld. Over een geweldigen rotswand hangt een gletscher. Als van tijd tot tijd ijsblokken door hun eigen gewicht omlaag storten, vloeien zij aan de voet van den berg weer tot een nieuwe gletschertong samen; deze rekt zich langzaam voorwaarts tot ze den fjord heeft bereikt; hier rolt de kracht van het water den ijsrand uit, en blokken storten omlaag; dan „kalft” de gletscher, zooals men pleegt te zeggen. Maar nu rust hij; de Lap verzekert echter, dat de ijstong ’s zomers elke twee dagen en ’s winters dagelijks „kalft” en als de blokken van den ijswand afstorten, kan men het kraken 60 kilometer ver hooren. De kapitein van de „Salten” laat twee kanonschoten afvuren, om het ijs te schokken, maar vandaag laat de „Jökel”, de gletscher, zich niet in zijn rust storen. Misschien tot ons geluk, want het kalven van den gletscher kan een stortgolf teweegbrengen, die kleine schepen doet kenteren.

Onze loods, de Lap, wordt koninklijk betaald en daar hij buitendien een arm vol boterhammen, vruchten en sigaren ontvangt, wordt hij opgetogen van geluk. Zulke aardige reizigers had hij nog nooit ontmoet, herhaalt hij onophoudelijk! De „Salten” keert langzaam in het binnenste bekken van den Jökelfjord. Hij stevent als hij weer in de open zee is aangekomen, verder noordwaarts, op Hammerfest aan, de noordelijkste stad der aarde; voor welker slechtriekende traankokerijen talrijke Russische zeilschepen liggen, die van hier met visch naar Archangel gaan. In dien avond stoomen wij over een open gat, waar de zee grijsgroen is en hoog gaat. Eenige dolfijnen krommen hun blanke, zwarte ruggen bevallig over de golven.

Het is koud en winderig geworden; voortdurend stroomt een fijne regen op de „Salten” neer; en uit den dichten nevel glanzen slechts de allernaaste rotseilanden, achter welke zij beschutting voor den wind zoeken, om de smalle, schoone zeeëngte tusschen het vasteland en het eiland Magerö binnen te varen. Onze koers gaat oostelijk om Magerö heen. In het Zuiden opent de Porsangerfjord, in het Oosten is Svärholtklubben even zichtbaar met den Vogelberg, een steil omlaaggaande kaap, waarop ontelbaar veel meeuwen nestelen. Daarna wenden wij ons noordwaarts. Aan stuurboordzijde speelt een dolfijn in de golven, die nu door den storm worden gezweept. Het schip stampt onaangenaam; de stoelen op het dek wandelen kris en kras door elkaar en in het rond rommelt het van beweegbare voorwerpen. Wij hebben het middagmaal juist geëindigd, daar slingert het schip heftig, en de tafel is in een ommezien afgenomen. Op den vloer zwemmen de sardinen in den rooden wijn!

Zoo worstelen wij met de golven en rollen langzaam naar ons doel. Voor ons verheft zich de rots van de Noordkaap. Europa’s noordelijkst voorgebergte, dat steil naar de zee afdaalt. Als wij maar eerst gelukkig onder de beschutting der hooge rotswanden zijn, waar reeds twee toeristen-stoombooten voor anker liggen! Het gelukt, weldra zijn wij in veilige beschutting en de zee wordt kalmer.

Slechts de binnenste hoek van de bocht is stil, boven ons huilt de storm en suist in teugelooze woede de steile hellingen af en over de zee heen. Op een hoogte van 300 Meter staat op den top van de Noordkaap een klein paviljoen.

Het middernachtuur is nabij. Er heerscht een geel schemerlicht, loodzware wolkenmassa’s jagen over zee en land. Vergeefs wachten wij op de doorbraak der middernachtzon in het Noorden! Maar misschien nog grootscher dan zij, is het uitzicht, dat wij nu naar het Noorden hebben! Voor ons ligt staalgrijs en koud de witte ijszee, op den achtergrond der blauwzwarte wolken dansen de witte schuimkoppen van de golven der zee, die de Zuid-Weststorm naar Nova-Zembla en het Frans-Jozef-land drijft.

3. DE POOLTOCHT VAN FRANKLIN.

Nu zijn wij onmiddellijk aan de grens van het eeuwige ijs. Alle vastelanden, zeeën en eilanden heeft de ondernemingsgeest van den mensch reeds doorzocht. Slechts de beide Polen en hun naaste omgeving hebben tot nu toe nog aan zijn verder doordringen den hardnekkigsten tegenstand geboden. [1] Maar onvermoeid is de eerzuchtige ontdekkingsgeest aan den arbeid; de wetenschap duldt geen witte, onbeschreven plek meer op de kaart. Daarvoor konden zelfs de onafzienbare ijsvelden op den duur den moed der zeevaarders niet terugschrikken. Het eene schip na het andere ging te gronde, maar steeds nieuwe kielen doorploegden de Poolzee. De Noordpool heeft de grootste aantrekkingskracht, want deze ligt het dichtst bij Europa, midden in de Noordelijke IJszee, die door de kusten van Azië, Europa en Noord-Amerika wordt ingesloten.

De geschiedenis der Poolonderzoeking is buitengewoon rijk aan heldendaden en onheilen; een er van willen wij ons kort in herinnering brengen.

Aan de door het geluk begunstigde poging van Nordenskjöld om langs de kusten van Noord-Azië een Noord-Oost doorvaart te vinden, heb ik reeds herinnerd. Ook de Noord-West doorvaart is een der problemen, die ondanks alle mislukkingen, steeds weer wordt ondernomen. De noodlottigste van deze expedities, was de pooltocht van den Engelschman John Franklin in het jaar 1845.

Franklin was officier van de Engelsche vloot. Hij had te land en te water op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond expedities geleid, in zeeslagen gevochten en kaartopnamen gedaan van aanzienlijke uitgestrektheden der noordkust van Amerika, ten oosten van de Behringstraat. Het grootste deel der kust van het Amerikaansche vasteland was hem dus bekend en het betrof nu nog slechts een bevaarbaren waterweg te vinden, tusschen de groote eilanden, die ten Noorden van de kust lagen. Hij was er natuurlijk, maar of hij geschikt was voor de scheepvaart, dat was de vraag. Een aantal deskundigen besloten een groote expeditie uit te rusten, om de doorvaart te vinden.

Geheel Engeland kwam in geestdrift voor het plan en honderden dappere mannen meldden zich aan om er aan deel te nemen. Admiraal John Franklin was reeds vroeger in deze streken geweest en koesterde den vurigen wensch, leider der expeditie te zijn. Wel vreesde de Admiraliteit dat Franklin met zijn zestig jaren niet opgewassen zou zijn voor de taak. „Maar ik ben pas negen en vijftig jaren”, antwoordde Franklin met nadruk en zoo werd hij de leider der expeditie, van welke noch hij, noch een zijner ondergeschikten zoude terugkeeren.

De schepen, die van de kiel tot aan den mast zeevaardig werden gemaakt, heeten „Erebus” en „Terror” „Onderwereld” en „Schrik”. Franklin heesch zijn admiraalsvlag op de „Erebus”, waar kapitein Fitsjames in rang op hem volgde; bevelhebber van de „Terror” en tweede leider der expeditie, werd kapitein Crizier. Het officierscorps werd met groote zorg gekozen; slechts krachtige door de zee geharde en zeer bekwame mannen werden aangenomen. De bezetting der beide schepen bestond uit drie en twintig officieren en honderd elf man. Levensmiddelen werden voor drie jaren medegenomen en in beide scheepsruimten stoommachines gebouwd, hetgeen destijds nog nooit in de Poolzeeën was beproefd.

Franklin kreeg een voorschrift, waaraan hij zich te houden had; natuurlijk behield hij het recht onder zekere omstandigheden anders te handelen, zijn taak was van de Atlantische zijde Noord-Amerika om te zeilen en door de Behringstraat in den Stillen Oceaan te komen. Met de oplossing van deze taak zou de Noord-West doorvaart gevonden zijn.

Den 19den Mei 1845 verlieten de beide schepen Engeland. Bevelhebber en manschappen waren vol heerlijke verwachtingen op succes, en vast besloten hun uiterste kracht tot bereiking van het doel in te spannen. Allen droomden reeds van de warme winden, die hen in den Stillen Oceaan zouden ontvangen en van den onsterfelijken roem, die hen wachtte, als zij door de smalle zeeëngte, waar Azië en Amerika maar enkele mijlen van elkaar verwijderd zijn, zuidwaarts zouden stevenen.

Op zee hield de admiraal een toespraak tot zijn lieden, verklaarde hen, waarom het ging en sprak de verwachting uit, dat ieder zijn plicht zou vervullen. Zij voeren de Orkney eilanden voorbij en op Sint Jan zagen zij Kaap Farewell, de Zuidkaap van Groenland, verdwijnen. Den volgenden dag stieten zij op het eerste ijs, geweldige drijvende ijsbergen, die woeste, getande vormen toonden en aan de waterlijn door den golfslag klokvormig waren uitgehold. Voor de meesten der manschappen was dit schouwspel nieuw; zij stonden op het dek en bewonderden deze drijvende bergen, waarvan de toppen boven den wimpel van den hoofdmast uitstaken. Nu en dan sloeg een der ijsbergen om en de zee kwam in beroering, als hij zijn door het water stukgeknaagde onderzijde naar boven keerde.