Part 17
De struisvogels leven in kleine troepen bijeen van vijf of zes stuks. Den morgen gebruiken ze om hun maag te vullen met planten, en ook wel met kleine dieren en insekten. Dan rusten ze, of spelen met elkaar waarbij ze in een kring over het zand loopen, zonder hinder te hebben van de zon en den gloeienden bodem. Dan drinken ze, en des middags gaan ze weer op jacht om voedsel te zoeken. Des avonds zoeken ze hun legerstede op.
Het scherpste zintuig van den struisvogel is het gezicht, hoewel ook hun reuk en gehoor buitengewoon ontwikkeld zijn. Wanneer er gevaar in aantocht is, vlucht hij fladderend weg en neemt dan passen, die een lengte bereiken van drie tot vier meter. Door de waakzaamheid van den struisvogel houdt de zebra zich bij voorkeur in zijn nabijheid op, teneinde tijdig tegen naderend onheil gewaarschuwd te zijn.
De struisvogeljacht wordt van ouds door de Arabieren van Noord-Afrika op snelle paarden of dromedarissen uitgeoefend. Twee of drie ruiters achtervolgen een mannetje, dat na een vlucht van een uur uitgeput is. Weliswaar zijn dan ook de paarden aan het eind van hun krachten, maar een der ruiters dwingt zijn ros tot een laatste krachtsinspanning, en haalt ten slotte den struisvogel in; dan velt hij hem met een slag op den kop terneer. Dan springen de ruiters van hun paarden, villen de dieren en keeren de huid om, die dan dient als een zak, waarin ze de veeren bergen, en zoo keeren ze dan weer naar hun tenten terug.
De veeren van den wilden struisvogel zijn veel mooier en kostbaarder dan die van de tamme exemplaren. Een volwassen struisvogel levert steeds 14 groote, witte veeren op.
De wijfjes leggen haar reusachtige eieren in kuilen in het zand, en, merkwaardigerwijze, zijn ’t de mannetjes die de eieren uitbroeden. Overdag gaan ze uren lang van het nest af, maar dekken de eieren met zand toe. Reeds na anderhalve maand komen de jongen uit, ze zijn dan even groot als jonge hanen, maar een enkel struisvogelei weegt dan ook evenveel als vier-en-twintig kippeneieren tezamen, en heeft in doorsnede een lengte van vijftien centimeter.
De eetlust van den struisvogel is verwonderlijk. Er is bijna niets wat hij versmaadt. De groote dierenkenner Brehm, die er tamme struisvogels op na hield, vertelt dat ze ratten en kuikens verteren, kleine steenen inslikken, en dat tweemaal zijn sleutelbos in een struisvogelmaag verdween. Men vond eenmaal in zulk een maag voor vier kilogram aan „diversen”, en wel: steenen, lompen, metaal, munten, sleutels, enz. Brehm bezat een tamme baviaan, die met alle dieren in vijandschap leefde, alleen niet met de struisvogels; maar op den duur ging ook deze vriendschap over in vijandschap, want wanneer de baviaan op een muur van den hof zat, en zijn staart naar beneden liet hangen, kwam altijd een der struisvogels, die nu eenmaal niets kon zien of hij moest dadelijk probeeren hoe het smaakte, en die hem altijd in dit gevoelige aanhangsel beet. De aap werd dan natuurlijk woedend, en sprong op den struisvogel toe, die er nooit zonder eenige schrammen en geplukte veeren afkwam.
Er wordt wel eens beweerd, dat de struisvogel het domste dier is dat er bestaat. Dit is een bewering die niet door alle Zoölogen gedeeld wordt. De Duitsche onderzoekingsreizer Schillings, die beroemd is wegens zijn moment-opnamen, des nachts van wilde dieren gemaakt, volgde op zekeren keer uren lang het spoor van eenige leeuwen; het spoor bracht hem langs een struisvogelnest waarin een paar jongen waren, die pas waren uitgebroed. De ouden waren klaarblijkelijk niet aanwezig, en, merkwaardigerwijze hadden de leeuwen de jongen ongemoeid gelaten. Spoedig vond hij de oplossing van dit raadsel: de oude struisvogels, die in den helderen maannacht reeds lang van tevoren het gevaar hadden zien aankomen, waren bij het naderen der leeuwen opgesprongen om ze van het nest weg te lokken. Deze list was hun ook gelukt, het spoor wees eindelijk uit dat de leeuwen de vluchtende struisvogels achtervolgd hadden, en zoodoende zich steeds verder van het nest hadden verwijderd. Toen het struisvogelpaar meende dat ze den vijand ver genoeg hadden weggelokt, waren ze omgekeerd om langs een omweg weer naar hun jongen terug te keeren.
50. LEEUWENJACHT.
We begeven ons thans naar Mombas, aan Afrika’s Oostkust, vlak ten zuiden van den aequator. Hier bevinden we ons in het gebied van den Afrikaanschen leeuw. De beste gids die er voor deze streken bestaat, vergezelt ons, namelijk de Engelsche overste Patterson; talrijk zijn de avonturen die hij heeft meegemaakt op zijn leeuwenjachten, en van een dezer avonturen willen we nu vertellen. Hoewel het een verhaal vol van verschrikkingen zal zijn, is ’t toch in waarheid gebeurd, en onopgesmukt, zooals duizenden die er getuigen van waren, zouden kunnen bevestigen.
Overste Patterson was in het jaar 1898 gedetacheerd bij den Uganda-spoorweg, die van Mombas door Britsch Oost-Afrika noordwestwaarts naar het Victoria-Niansa-meer, een der groote meren, waaruit de Nijl zijn oorsprong neemt, loopt. Bij zijn aankomst aldaar liep de spoorweg nog niet verder dan tot aan den Tsavo, een klein zijriviertje van den Sabaki, die ten noorden van Mombas in de zee uitstroomt. Hier aan den Tsavo, waar een houten hulpbrug gebouwd was, die door Patterson vervangen zou worden door een ijzeren brug, kampeerde hij met een paar duizend Indische arbeiders.
Eenige dagen na zijn aankomst hoorde Patterson van twee leeuwen, die de streek onveilig maakten. Aanvankelijk sloeg hij niet veel acht op dit gerucht, totdat na verloop van eenigen tijd een zijner bedienden door een leeuw werd weggesleept. Een makker van den ongelukkige, die in dezelfde tent sliep, had gezien hoe de leeuw midden in den nacht het kamp onhoorbaar binnensloop, de tent binnendrong, en Patterson’s bediende bij de keel greep. De man had geroepen „Laat me los!” en zijn arm om den hals van het roofdier geslagen. Toen was het kamp weer in diepe stilte gehuld. Des morgens kon de overste het spoor van den leeuw gemakkelijk volgen, want langs den geheelen weg hadden de voeten van het slachtoffer door het zand gesleept; daar waar de leeuw zijn prooi verslonden had, lagen nog slechts de kleedingstukken van den ongelukkige, en zijn hoofd; een namelooze ontzetting sprak uit de gebroken oogen.
Diep door dit droevige schouwspel bewogen, zwoer de overste niet eerder te zullen rusten voordat de beide leeuwen gedood waren. Met zijn buks in de hand hield hij den volgenden nacht in de nabijheid van de tent zijner bedienden de wacht. Toen het stil en donker geworden was, weerklonk in de verte een gebrul, dat steeds meer nabij kwam; de leeuwen kwamen om een nieuw offer te halen. Toen werd het wederom stil; de leeuw bespringt zijn prooi in stilte; alleen wanneer hij zijn zwerftochten begint, stoot hij een dof gebrul uit, als om de bewoners der wildernis te waarschuwen. De overste wachtte—daar weerklonk plotseling in het naastbijzijnde kamp, op een afstand van ongeveer honderd meter, een kreet van ontzetting. Dan weer diepe stilte. Weer hadden de roofdieren hun prooi weggesleept.
Nu verborg de overste zich in het andere kamp. Maar ook hier werd hij teleurgesteld. Van uit de verte klonk den volgenden nacht een hartverscheurende kreet—een derde arbeider was weggesleurd.
De Indische arbeiders sliepen in verschillende kampen, en de leeuwen hadden elken nacht een ander kamp uitgezocht, teneinde de menschen op een dwaalspoor te brengen. Toen ze nu bemerkten dat ze verscheidene nachten achtereen ongestraft hun prooi hadden kunnen wegsleuren, werden ze steeds overmoediger, en toonden niet den geringsten angst voor de wachtvuren. Ze stoorden zich zelfs in ’t geheel niet aan de kogels, die hun in de duisternis werden nagezonden.
Men bouwde thans om elk kamp een hooge, stevige omheining van doornstruiken, maar toch gelukte het den leeuwen steeds er over heen te springen of er doorheen te breken. Overdag volgde overste Patterson het spoor in alle richtingen, maar zoodra hij op rotsachtig terrein kwam, hield natuurlijk elk spoor op. Nog ernstiger werd de toestand, toen de spoorweg meer landwaarts gelegd werd, en slechts een paar honderd arbeiders bij de Tsavo-brug achterbleven. De heiningen werden bizonder hoog en stevig gebouwd, de kampvuren gloeiden als brandstapels, overal werden wachtposten uitgezet, de buksen lagen gereed, en in elk kamp moest een man op oliekannen trommelen om de dieren te verjagen. Maar toch verdwenen steeds weer nieuwe offers. De arbeiders waren zóó verlamd van angst, dat ze niet eens konden schieten wanneer de leeuwen vlakbij waren. Eens werd zelfs een zieke uit de hospitaaltent weggesleept. Het volgende offer was een waterdrager, hij had met het hoofd naar het midden der tent, en met de voeten naar de opening gelegen; de leeuwen waren over de heining heen gesprongen, hadden den man bij de voeten beetgepakt, en naar buiten gesleurd. De ongelukkige had zich aan een kist vastgeklemd, dan aan een stuk touw van de tent; het touw was afgebroken, en de leeuw was met zijn buit in den bek langs de omheining geloopen om een open plek te zoeken, waar hij doorheen was gedrongen. Hier vond men des morgens eenige flarden van kleederen en stukken vleesch. De tweede leeuw had aan de buitenzijde gewacht, en samen hadden ze den buit gedeeld. Een hand van het slachtoffer was overgebleven, en daaraan stak een ring, die naar zijn vrouw in Indië gestuurd werd.
Hierop volgde een periode van rust. De leeuwen waren klaarblijkelijk elders bezig, en de arbeiders begonnen reeds wegens de hitte buiten de tenten te slapen. Op zekeren nacht zaten ze rondom het wachtvuur toen de eene leeuw plotseling over de omheining sprong, voor hen bleef staan, en ze aanstaarde. Alles sprong in ontzetting op wierp met steenen en brandende stukken hout naar het ondier. Maar de leeuw deed onversaagd een sprong, pakte weer een der mannen en stormde met hem door de omheining heen, weg. Het andere dier wachtte hem daarbuiten, en op slechts dertig meter afstand van het kamp verslonden ze samen hun prooi.
Een geheele week achtereen hield de overste de wacht in een der kampen, waar het bezoek te wachten was. Er is, zooals hij zelf zegt, niets afmattender voor de zenuwen dan zulk een vruchteloos afwachten. Altijd hoorde hij het waarschuwende gebrul in de verte, wanneer de roofdieren in aantocht waren. Dan riepen de wachters: „Past op, broeders, de duivel komt!” En dan weerklonken altijd weer een oogenblik later de angstkreten van het slachtoffer dat weggesleurd werd! Tenslotte werden de leeuwen zoo overmoedig dat ze beiden tegelijk over de heining sprongen, om ieder voor zich een prooi te maken. Eenmaal gelukte het een der leeuwen niet om zijn buit door de heining heen te sleepen, en hij moest zich tevreden stellen met zijn aandeel in de buit van zijn makker. De man, dien hij had moeten achterlaten, was echter zoo gruwelijk toegetakeld, dat hij reeds stierf voordat men hem in de ziekentent had kunnen brengen. De arbeiders, uitgeput als ze waren door hun voortdurend doodsgevaar en het waken, konden dezen toestand eindelijk niet meer uithouden; ze legden het werk neer. Ze waren naar Afrika gekomen om geld te verdienen bij het aanleggen van een spoorweg, en niet om als voedsel te dienen voor leeuwen. Op zekeren dag hielden ze een trein aan, vulden de wagens met al hun hebben en houden, en vertrokken naar de kust. De enkele dapperen, die bij overste Patterson stand hielden, overnachtten in boomen, in het waterreservoir of in overdekte kuilen, die ze in hun tenten gegraven hadden.
Nu had overste Patterson een Engelschen kameraad uitgenoodigd om bij hem aan den Tsavo te komen en aan de jacht op de beide leeuwen deel te nemen. De trein, waarmede die aankwam, had vertraging en het was reeds donker toen hij zich door het struikgewas op weg naar het kamp begaf. Hij werd slechts door één bediende met een lantaarn vergezeld. Toen hij halverwege gekomen was, sprong plotseling een leeuw van de glooiïng van een heuvel naar beneden, bracht den Engelschman bloedende wonden in den rug toe, en zou hem meegesleurd hebben, wanneer deze niet zijn karabijn had afgevuurd. Door den knal verdoofd, liet de leeuw onwillekeurig los, maar wierp zich nu op den bediende en was het volgende oogenblik met zijn prooi in het struikgewas verdwenen.
Eenige dagen later meldde een Suaheli, de afstammeling van een Arabischen vader en een negerin, dat de leeuw een ezel geroofd had, en nu bezig was, dien vlak in de nabijheid te verslinden. De overste snelde naar de plek, die de boodschapper hem aanwees, en zag reeds vanuit de verte den gelen rug van het dier. Ongelukkigerwijze trad hij op een tak. De leeuw verdween in het ondoordringbare struikgewas. Nu werd iedereen die in de nabijheid was ontboden, en van trommels en blikken kannen voorzien, ondernamen ze een klopjacht, terwijl de overste zich in een hinderlaag legde bij de plek waar het beest waarschijnlijk te voorschijn zou komen. En ja, daar kwam hij te voorschijn, een geweldige leeuw, grimmig en woedend gemaakt door die stoornis. Langzaam liep hij rechtuit; telkens bleef hij stilstaan, en hij was zoozeer in beslag genomen door het lawaai achter zich, dat hij den jager in ’t geheel niet opmerkte. Nu was hij nog slechts op dertien meter afstand; de overste nam zijn buks op—daar hoorde de leeuw de beweging, zette zich met de voorpooten schrap, en bereidde zich, snuivend van woede, voor tot een sprong. De overste richtte zijn buks op den manenlooze kop en—het schot weigerde!
Maar op hetzelfde oogenblik draaide de leeuw zich om en nam de wijk in de struiken; een schot beantwoordde hij met een woedend gebrul. Nu moest de overste tot aan het aanbreken van den nacht geduld hebben. In de haast had hij die verraderlijke buks van iemand geleend; nu was het zaak om op zijn eigen wapenen te vertrouwen. De ezel lag daar nog onaangeroerd. In de onmiddellijke nabijheid van het lijk werd een verhevenheid van vier meter hoogte opgericht, waarop tegen zonsondergang de overste post vatte. Aan den aequator duurt de schemering slechts zeer kort, en wanneer de maan niet schijnt, wordt het snel donkere nacht. Dan heerscht er over Afrika’s vlakten een drukkende, onheilspellende stilte. Patterson zelf bekent dat het hem steeds banger te moede werd, naarmate de uren voorbij gingen. Met het geweer in de hand bleef hij onbeweeglijk staan wachten; hij was er zeker van, dat de leeuw zou komen, om tezamen met zijn makker den ezel te verslinden, want uit de arbeiderskampen waren dezen avond geen angstkreten opgestegen.
Klonk het daar niet alsof er een dunne tak onder een zwaren last brak? Een groot dier drong zich tusschen de struiken door, dat was duidelijk te hooren. Dan weer diepe stilte, nu een dof gesteun, het teeken van honger—het dier was in de nabijheid. Weer een zacht ruischen tusschen de struiken, daarna verbrak een vreeselijk gebrul de nachtelijke stilte. De leeuw had lucht gekregen van de nabijheid van een mensch. Zou hij omkeeren? Integendeel, hij versmaadt nu den ezel, en gaat regelrecht op den overste af!
Twee uren lang kroop het roofdier in steeds enger kringen om de verhevenheid heen. Het werd den jager bang te moede. Plotseling voelt hij hoe iets zachts zijn nek aanraakt—„nu heeft het monster me” dacht hij! Maar ’t was slechts een nachtuil, die de roerlooze gestalte van den overste niet bemerkt had.
Eindelijk besloot de leeuw tot den aanval en maakte zich gereed tot een sprong. Nauwelijks was het dier te onderscheiden van den bodem. Daar knalde het eerste schot door den nacht; de leeuw stiet een ontzettend gebrul uit en vluchtte in het struikgewas, waar hij zich, brullend van pijn, rondwentelde. Maar het gebrul werd zwakker, om eindelijk na een langgerekt gesteun, te verstommen. De rekening met den eersten roover was vereffend!
Nog voor het aanbreken van den dag kwamen de arbeiders aangestroomd, en droegen den overste onder luid gejuich in triomf om den dooden leeuw rond. De tweede leeuw zette evenwel zijn bezoeken voort, maar werd ook spoedig neergeschoten.
Nu kon het werk aan den spoorwegaanleg weer voortgezet worden, en de overste genoot in die streek, die hij van een plaag bevrijd had, de grootste populariteit.
Patterson beleefde een groot aantal van zulke jachtavonturen, niet slechts met leeuwen, maar ook met neushoorns, nijlpaarden, luipaarden, giraffen, krokodillen, enz. Nog een zijner avonturen moge hier een plaats vinden.
Op zekeren dag had hij in een klein station ten noorden van den Tsavo met den politiecommissaris Ryall in een spoorwagen gedineerd, zonder eenig vermoeden te hebben van het lot dat dezen man, eenige maanden later, precies in denzelfden wagen zou treffen. Een leeuw had dit station als zijn jachtterrein uitgekozen, en sleepte den eenen man na den anderen weg. De politiecommissaris begaf zich met twee andere Europeanen daarheen, om de streek van dien roover te bevrijden. Bij hun aankomst vernamen ze, dat het dier nog kort te voren in de nabijheid gezien was, en dat het dus niet ver weg kon wezen. Dus besloten de drie Europeanen om des nachts de wacht te houden. Ryall’s wagen werd afgehaakt, en op een zijspoor geschoven. Hier was de onderbouw nog niet gereed, zoodat de wagen een weinig scheef stond. Na het eten zouden zij afwisselend de wacht houden. Ryall het eerst. In den wagen stonden twee sofa’s die als bedden dienst deden, de eene tamelijk hoog boven den bodem. Ryall had ze zijn gasten aangeboden, maar de eene wilde liever tusschen de beide sofa’s op den grond liggen. Toen nu Ryall meende dat hij lang genoeg gewaakt had, en er geen spoor van den leeuw te bekennen viel, legde hij zich op de lagere sofa ter ruste.
De wagen was voorzien van een schuifdeur die zeer gemakkelijk open en dicht schoof, en niet gesloten was. Toen alles stil was, kwam de leeuw uit het struikgewas in de nabijheid te voorschijn sluipen, sprong op het achterplatvorm van den wagen, maakte met zijn poot de deur open en gleed onhoorbaar naar binnen. Maar, nauwelijks was hij binnen, of de deur schoof tengevolge van den scheeven stand van den wagen, weer dicht, en sprong in het slot. Nu was het beest met drie slapende mannen in den wagen opgesloten! De slaper op de bovenste sofa werd wakker geschrikt door een rauwen angstkreet, en zag hoe de leeuw met de achterpooten op den eenen man, die op den bodem lag, en met de voorpooten op Ryall stond. Met den moed der vertwijfeling sprong hij van de sofa op, om de tegenover liggende deur te bereiken, maar hij kon het dier niet voorbijkomen, zonder op zijn rug te stappen! Tot zijn ontzetting bemerkte hij dat de bedienden, door het leven wakker geschrikt, de deur van buiten dicht hielden. Toch gelukte het hem, met aanwending van alle krachten, de deur te openen, en naar buiten te komen, waarop men ze snel sloot. In hetzelfde oogenblik klonk een verschrikkelijk gekraak—de leeuw was met Ryall in den bek door het venster gesprongen, en, daar de opening te smal was, had hij het houtwerk als glas versplinterd! Den volgenden dag werden de overblijfselen van den ongelukkige gevonden en begraven. De leeuw werd later in een val gevangen, en nog vele dagen lang tentoongesteld, voordat hij werd doodgeschoten.
51. HET NIJLPAARD.
In de meren en stroomen van midden-Afrika leeft het groote, plompe, monsterachtige nijlpaard, de Behemoth uit den bijbel. In oude tijden kwam het ook voor in Beneden Egypte, waar het „rivierzwijn” heette. Tegenwoordig moet men echter al een heel eind zuidelijk van Nubië komen, wil men het aantreffen. Het onderneemt in tal van stroomen tochten, waarbij het zich naar den waterstand richt: wanneer de waterspiegel daalt, dan trekt het dier stroomafwaarts, en wanneer het water weer wast, dan gaat ’t weer stroomopwaarts.
Terwijl andere diersoorten sedert de vroegste zoölogische tijdperken groote gedaante-veranderingen hebben ondergaan, is het nijlpaard in hoofdzaak hetzelfde gebleven. Zoo komt het dat dit dier nog heden een voorwereldlijken indruk maakte. Het ronde, plompe lichaam rust op vier korte, vormlooze pooten, met vier hoeven aan elken poot. De kop is bijna vierkant, oogen en ooren zijn klein, de muil is geweldig breed en de neusgaten zijn groot. De twee centimeter dikke huid is onbehaard en heeft, naar gelang het dier nat of droog is, een grauwe, donkerbruine, of wel vuilroode kleur. Het wordt, de kleine staart niet meegerekend, vier meter lang, en weegt evenveel als dertig volwassen mannen.
De nijlpaarden blijven voor het grootste deel van den tijd in het water; des nachts komen ze aan land, voornamelijk dáár, waar de stroom hun niet veel voedsel biedt. Wanneer men stil over rustig stroomend water heen vaart, dan kan men de dieren vaak verrassen; wanneer ze opduiken om versche lucht in te ademen, dan stijgen de waterstralen uit hun neusgaten naar boven. Dan duiken ze weer, en blijven wel drie of vier minuten onder water. Wanneer ze vlak onder den waterspiegel zijn, ziet men slechts zes kleine stippen: ooren, oogen en neusgaten. Wanneer ze gevaar meenen te bespeuren, dan steken ze slechts met hun neusgaten boven het water uit, en ademen zoo zacht als ze maar kunnen.
Vaak klimmen ze op het droge, om zich in de zon te koesteren, dan hoort men hoe ze voortdurend een gegrom van welbehagen uitstooten. Tegen den avond zoeken ze echter dieper water op, waar ze rondzwemmen, en, met een voor zulke logge dieren groote behendigheid, elkaar najagen. Ze zwemmen steeds in troepen bijeen, en ontwikkelen daarbij een groote snelheid, terwijl ze de lucht met hun gebrul vervullen. Maar ze kunnen ook zoo zachtjes zwemmen, dat men het water in ’t geheel niet hoort ruischen. Wanneer een nijlpaard gewond is, brengt hij het water in zoo heftige beroering, dat kleine booten vaak gevaar loopen te kantelen. Wanneer meerdere oude mannetjes tegelijk hun gebrul uitstooten, weerklinkt het wijd en zijd door het oerwoud, als het rollen van den donder. Er is geen ander dier dat zulk een geluid kan teweegbrengen; zelfs de leeuw blijft dan luisterend staan.
Aan den Boven-Nijl, voorbij Chartoem, waar een welige plantengroei de oevers bedekt, en waar talrijke stilstaande plassen en moerassen zijn, gaat het nijlpaard, evenals de krokodil slechts zelden aan land. Het voedt zich hier met lotusstengels en rietgewassen die in deze moerassige streken voorkomen; van tijd tot tijd duikt het dier onder, en wroet op den bodem van den stroom; wanneer het zijn geweldigen bek met bladeren en stengels gevuld heeft, komt het weer naar boven, waarbij dan het water in stroomen van zijn breeden rug afloopt, en dan ontplooien de geweldige tanden hun kracht. De eetlust van het dier is even groot als zijn geheele wezen.
In streken, waar de oevers door bebouwde velden omzoomd worden, richt hij onder het koren en de groenten groote schade aan, zelfs het leven der menschen wordt daar door hem bedreigd. Wanneer hij door een boot in zijn rust gestoord wordt, laat hij niet met zich spotten. Het gevaarlijkste is het wijfjesnijlpaard, zoolang ze haar jong, dat ze op den rug overal meevoert, bij zich heeft. Een buks moet, om eenige uitwerking te hebben op het dikke huid-pantser, geducht geladen zijn. Wanneer het dier, na getroffen te zijn, snuift en onderduikt, dan is ’t voor den jager verloren; wanneer het zich echter uit het water verheft, om dan weer neer te vallen, dan heeft het een doodelijke wond ontvangen; in dit geval zinkt het onmiddellijk, en de jager heeft niets anders te doen dan een paar uur te wachten, totdat het lijk aan de oppervlakte komt drijven.