Part 16
Na de afzending van het dagboek daalt op de laatste weken van Chartoem ondoordringbare nacht. Van de hand van Gordon hebben wij geen bericht meer en geen navorschingen zullen in staat zijn, volkomen licht over zijn laatsten strijd te brengen.
Door overloopers zijn nog enkele schaarsche berichten ontvangen. Gedurende de veertig dagen, dat de stad zich na den 16den December staande hield, werden 18000 inwoners in het legerkamp van den Mahdi gezonden, om hen van den dood te redden. Daardoor reikte de proviand voor de achterblijvenden langer dan men had berekend. De overige 14000 burgers en soldaten werden op half rantsoen gezet; de hulpexpeditie moest nu dicht bij zijn! Omdoerman, een fort aan den linker oever van den Witten Nijl, dat reeds lang van de stad was afgesneden, viel en de troepen van den Mahdi drongen van alle kanten op. Ontvluchte slaven hebben medegedeeld, dat de Egyptische officieren zich hadden willen overgeven, maar dat Gordon onder geen enkele voorwaarde zijn toestemming had willen geven. Hij had zijn rekening met de wereld afgesloten, en zoolang hij in leven was, wilde hij de vlag niet strijken, ook al verlieten allen hem. Toen alle proviand op was, leefde men van ratten en muizen, huiden en leer, en ontbolsterde men de stammen der palmen, om de zachte vezels er binnen te eten. Ondanks alles stond de Witte Pacha nog altijd met opgeheven hoofd en onbewolkt voorhoofd, in de voorste gelederen, om zijn manschappen tot heldhaftige verdediging aan te vuren.
Intusschen trok de hulpbrigade zuidwaarts en bereikte 20 Januari 1895 Metemma, 160 kilometer van Chartoem verwijderd. Hier stiet zij op de stoombooten van Gordon, die reeds sedert vier maanden vergeefs hadden gewacht. Vier dagen later vertrokken twee der stoombooten naar Chartoem.
Waarom werd er vier dagen gewacht, terwijl toch elk uur Gordon het leven kon kosten? Nauwelijks een maand geleden had een bode van Gordon het leger bereikt, en had een brief gebracht met de woorden: „In Chartoem alles wel, kan nog jarenlang stand houden.” Daaruit maakte men op, dat de toestand nog niet gevaarlijk kon zijn. Eerst later is men den zin dezer woorden van Gordon goed gaan uitleggen. Hij wist dat de bode door de troepen van den Mahdi zou gevangen genomen worden, en de Mahdi wist, dat de stad elken dag kon vallen. Gordon wilde daarom den bode voor gevangenschap en dood bewaren; de Mahdi moest den man wel met genoegen laten loopen, want zijn boodschap zou den opmarsch van het hulpleger slechts verlangzamen.
Den 24sten Januari verlieten de beide stoombooten Metemma pas; halverwege moesten zij over een waterval en verloren daardoor twee dagen. Pas den 28sten hadden zij de watervallen achter zich en de middagzon scheen helder, toen de Engelsche officieren Chartoem op de landtong tusschen den Witten en den Blauwen Nijl zagen liggen. Alle verrekijkers werden naar het hooge paleis gericht; men dorst niet te spreken, ternauwernood adem te halen. Daar stond het paleis van Gordon, maar—de vlag was gestreken!
Toch stoomden de booten verder. Maar geen vreugdekreten begroetten de bemanning, als vurig verlangde bevrijders. Toen zij in het bereik der kogels waren, begonnen de derwischen op hen te vuren; woeste, door de overwinning bedwelmde scharen, verzamelden zich aan den oever, Chartoem was in de macht van den Mahdi; de hulp kwam acht-en-veertig uren te laat!
Twee dagen te voren, den 26sten Januari, hadden de derwischen, tot uiterste woede geprikkeld door den hardnekkigen tegenstand, hun voortdurende verliezen en den onuitputtelijken regen van kogels uit Chartoem, zich verzameld tot een laatsten stormloop. De aanval geschiedde gedurende de donkerste uren van den nacht, nadat de maan was ondergegaan. De verdedigers werden verrast, bovendien waren zij uitgeput en tengevolge van den honger onverschillig geworden voor hun lot. Zij boden ternauwernood meer weerstand, toen de derwischen de stad binnenstormden en hun wild gehuil in de straten en stegen weerklonk.
Terwijl de razende bende der bloeddorstige derwischen naar het paleis van Gordon drong, luisterde in het kamp van den Mahdi een tweede Europeaan met koortsachtige spanning naar elk geluid, dat van de vestingwerken van Chartoem tot hem doordrong. Met veertien meter lange zware kettingen, met hals- en voetijzers geketend, lag hij voor zijn tent en had al zijn bewonderenswaardige energie noodig, om den hem bespiedenden bewakers zijn opwinding niet te verraden. Op de wallen van de in het nauw gebrachte stad viel voor hem waarschijnlijk ook de beslissing over leven en dood!
Deze gevangene van den Mahdi was een vroeger Oostenrijksch officier, Rudolf Slatin genaamd. Hij was tegen het eind van het jaar 1878, den oproep van Gordon volgend, in dienst der Egyptische regeering gekomen, en dank zij zijn geschiktheid en dapperheid, heerschte hij enkele jaren later als gouverneur en militair commandant over de provincie Darfoer. Hier was het zijn taak de roofzuchtige, als nomaden levende Arabieren, in toom te houden en aan zijn onverschrokken geestkracht gelukte het gaandeweg een reeks oproerige stammen met sterke hand ten onder te brengen. Maar toen de Mahdi het vaandel van den profeet ophief en de volkeren van Soedan tot den heiligen oorlog opriep, vielen ook de tot nu toe getrouwen van de Egyptische regeering af, en na enkele weken stond Slatin met zijn schaarsche en bovendien onbetrouwbare troepen midden in het brandpunt van het oproer, dat bovendien nog door persoonlijken haat en wraakzucht van den strengen gouverneur werd aangewakkerd. Er viel aan geen ontkomen meer te denken, en na een dappere verdediging moest Slatin zich in December 1883 met de overige zijner soldaten overgeven aan de zegevierende overmacht van den Mahdi.
Eerst hield de sluwe Mahdi hem in dragelijke gevangenschap; deze hooge beambte der Egyptische regeering, die men bovendien voor den neef van Gordon hield, was voor hem een maar al te kostbare gijzelaar.
Uit krijgslist had Slatin reeds terwijl hij gouverneur was, den Islam aangenomen: het fanatisme der Mahdisten had daarom dus geen reden meer dezen „christenhond” als zooveel anderen met geweld uit den weg te ruimen.
Slatin had de hoop gekoesterd, bij de belegering van Chartoem naar Gordon te kunnen ontvluchten. Maar de Mahdi doorzag hem, en had hem voor Chartoem in boeien geslagen en streng laten bewaken om elke poging tot ontvluchten en elke verbinding met Gordon onmogelijk te maken. Zoo was deze gevangene de eenige overlevende Europeaan, die de belegering van Chartoem van nabij en met het volle overzicht over de krachten der strijdende partijen meeleefde. Wat aan schriftelijke berichten in handen der derwischen viel, werd hem voorgelegd, want in het leger van den Mahdi was hij alleen in staat, de brieven en rapporten van Gordon te lezen. Slechts zijn ongewone tegenwoordigheid van geest en verbazingwekkende dialektische handigheid, bewaarden hem voor het lot, terwille van zijn eigen redding, door het vertalen van die brieven verraad tegenover de zijnen te moeten plegen. De Mahdi was toch ook door overloopers en door berichten van geheime aanhangers in Chartoem zelf ruimschoots onderricht over den onhoudbaren toestand der belegerde stad. Maar even precies kende Slatin nu den toestand van Gordon en toen den 26sten Januari 1885 het leger van den Mahdi onder de beschutting van den duisteren nacht en zoo geluidloos als maar mogelijk was tot de bestorming van Chartoem uitrukte, maakte zich van den achtergebleven gevangene, die tot nu toe ketenen en honger, verachting en spot, zijner pijnigers met stoïcijnsche onverschilligheid had verdragen, een met het uur groeiende zenuwachtigheid meester.
Toen hij tegen het ochtendgrauwen van afmatting een weinig was ingeslapen, werd hij eensklaps opgeschrikt door het geknetter der geweren en de eerste kanonschoten. Er was in de schemering nog niets te zien. Na eenige salvo’s vielen nog slechts enkele schoten, daarna werd alles weer rustig. Dat kon toch onmogelijk de bestorming van Chartoem zijn?
De zon kwam op, in het rond was alles stil, de bewakers hadden zich, door nieuwsgierigheid gedreven, verwijderd. Plotseling geschreeuw en jubelkreten, de bewakers kwamen terug met het bericht: „Chartoem is bestormd, en in handen der Mahdisten.”
Deze jobstijding dreef Slatin uit zijn tent. Een groote menigte menschen had zich verzameld voor de tenten van den Mahdi en zijn kalifa’s. De menigte scheen zich in beweging te zetten en het staketsel te naderen, waarmede de tent van Slatin werd omgeven. En werkelijk kwamen ze nu in deze richting. Voorop liepen drie negersoldaten, een hunner droeg een bloedigen bundel in de handen. Achter hen aan drong de joelende menigte. De slaven traden binnen de omheining, bleven met grijnzend gezicht voor Slatin staan, de een sloeg den doek van elkaar en vertoonde aan den ontstelden gevangene het hoofd van generaal Gordon!
Het bloed steeg Slatin naar het hoofd, zijn adem stokte; met de uiterste inspanning behield hij echter zooveel zelfbeheersching rustig in het vale gelaat te zien. De blauwe oogen waren half geopend, de mond had zijn natuurlijken vorm behouden, het gelaat was kalm, de trekken niet verwrongen, het hoofdhaar en de korte bakkebaarden waren bijna wit.
„Is dat niet je oom, de ongeloovige?” vroeg de slaaf, het hoofd omhoog houdend.
„En wat zou dat dan?” antwoordde Slatin rustig. „In elk geval een dapper soldaat, die op zijn post is gevallen en opgehouden heeft te lijden. Wel hem!”
„Je prijst den ongeloovige nog! Je zult de gevolgen ondervinden,” bromde de slaaf en verwijderde zich langzaam met het schrikkelijk teeken van den triomf van den Mahdi. De menigte drong brullend achter hem aan.
Slatin sleepte zich terug in zijn tent en wierp zich doodelijk afgemat op den grond. Chartoem gevallen! Gordon dood! Dat was dus het einde van den man, die zijn post met zooveel heldenmoed had verdedigd, een man, die door velen misschien te hoog verheven en verafgood werd, door velen miskend en belasterd, maar door zijn buitengewone eigenschappen, de wereld echter met z’n roem had vervuld! Wat nut had nu de zegevierende voorhoede, wat het geheele Engelsche leger?
Door vrienden, die Slatin zich ook in het leger van den vijand door zijn vrijgevigheid had verworven, vernam hij nu gaandeweg alle bijzonderheden van den schrikkelijken nacht. De overval had Gordon niet onvoorbereid gevonden, maar hij scheen niet verwacht te hebben, dat de bestorming zoo gauw en in het vroege morgenuur ondernomen zou worden. Ter misleiding van den vijand en tot amusement zijner manschappen, liet hij nog den avond te voren een vuurwerk ontsteken, en juist toen de Mahdi den stormloop voorbereidde, stegen de eerste raketten boven Chartoem in bont kleurenspel ten hemel en de muziek speelde vroolijke wijsjes, om de terneergeslagen gemoederen wat op te wekken.
Het vuurwerk was uitgebrand, de muziek zweeg en de verdedigers van Chartoem sliepen. Maar de vijanden waren maar al te wakker! Zij kenden de versterking, wisten precies waar ze sterk, en met geregelde troepen bezet, en waar ze zwak en slechts door de stadsbewoners verdedigd was. Tegen deze zwakke plaatsen der versterking, hoofdzakelijk aan den Witten Nijl, richtte zich bij het eerste ochtendgrauwen de hoofdaanval. De verdedigers vluchtten en toen de soldaten op de muren der vesting staande de Mahdisten in hun rug de stad zagen binnendringen, verlieten ook zij hun post, en gaven zich meestal vrijwillig en zonder strijd over.
De Mahdisten beproefden voor alles de kerk en het paleis te bereiken, omdat men daar schatten en in het laatste—voor alles, Gordon Pacha hoopte te vinden. De dienaren van den generaal, die zich in de benedenverdieping bevonden, werden neergesabeld. Hij zelf wachtte den vijand af op de bovenste trede van de naar zijn vertrekken leidende trap. Zonder zich te bekommeren om zijn groet, stiet hem de eerste aanvaller, de treden opstormend, de lans in het lichaam. Gordon viel met het gezicht naar voren zonder een geluid te geven op de trap, en werd door zijn moordenaars tot aan den ingang van het paleis gesleept. Hier werd zijn hoofd met een mes van den romp gescheiden, en naar den Mahdi gezonden, die beval, dat men het aan Slatin zou toonen; de romp werd prijs gegeven aan de fanatici en honderden van deze onmenschen beproefden de spitsen hunner lansen en de scherpte van hun zwaarden aan den gevallen held, die in enkele minuten een onherkenbare bloedige massa geleek.
Nog langen tijd daarna waren de sporen van deze bloedige daad voor het paleis zichtbaar en de zwarte bloedvlek op de trap van het paleis geeft de plaats aan waar men Gordon heeft vermoord; ze werd pas verwijderd, toen de opvolger van den Mahdi, de Kalief, het regeeringspaleis tot woning voor zijn vrouwen liet inrichten.
Toen men den Mahdi het hoofd van generaal Gordon bracht, zei de huichelaar, dat hij wenschte dat men hem levend in handen gekregen had, want dat hij hem „na zijn bekeering” had willen uitleveren tegen gevangen genomen derwischen. Wanneer het echter werkelijk zijn wensch geweest was, Gordon’s leven te sparen, dan zou geen van zijn volgelingen het gewaagd hebben om in strijd met zijn uitdrukkelijk uitgesproken verlangen te handelen.
De gruwelen, door de derwischen in de veroverde stad bedreven, spotten met elke beschrijving. Gedurende de eerste dagen, tijdens welke de Mahdi Chartoem aan plundering prijsgaf, werden slechts slaven en slavinnen, benevens de mooiste vrouwen en meisjes der vrije stammen gespaard, alle anderen hadden het uitsluitend aan het toeval te danken wanneer ze er levend afkwamen.
Tal van inwoners benamen zich vrijwillig het leven; een nog veel grooter aantal werd door eigen slaven en vroegere vrienden vermoord, of viel ten offer aan het zwaard der verraders, die voor de rooverbenden als gids hadden gediend.
Met het verhaal van al de gruweldaden, die in de weerlooze stad gepleegd werden, zouden, zooals Slatin Pacha zelf zegt, boekdeelen te vullen zijn. Ook de overlevenden gingen een droevig lot tegemoet. Nadat alle huizen bezet waren, begon men naar verborgen schatten te zoeken; geen ontkennen, geen plechtige verzekeringen mochten baten; hij op wien slechts de minste verdenking viel—en bij wien was dit niet het geval?—iets van waarde verborgen te hebben, werd zoolang gemarteld, totdat hij bekend had, of, indien hij werkelijk niets te bekennen had, totdat hij onder de handen zijner pijnigers den laatsten adem uitblies.
En de Engelsch-Egyptische ontzettings-expeditie, waarvan de schepen reeds in ’t zicht van Chartoem lagen? Met den val van Chartoem, en den dood van Gordon, was haar taak afgeloopen, en bovendien waren er onder de inlandsche bemanning der schepen zoovele verraders, dat de Engelsche bemanning genoeg te doen had met er voor te zorgen, dat ze niet door de brooddronken Mahdisten omsingeld werden, temeer daar ze in aantal lang niet tegen deze benden opgewassen waren. Ze maakten daarom zoo snel mogelijk rechtsomkeert, en lieten Soedan aan den Mahdi over, die nu Omdoerman tot hoofdstad van zijn rijk verhief, dat van nu af niets meer van de Egyptische regeering te duchten had.
48. DE VELDTOCHT VAN KITCHENER IN SOEDAN.
Hoe snel volgden daar ginds in het Oosten de gedenkwaardige gebeurtenissen elkaar op! In 1881 had de Mahdi de vaan des oproers geplant, en reeds na vier jaar was hij in het bezit der alleenheerschappij over Soedan. Maar, lang zou hij de vruchten van zijn overwinning niet plukken; den 28sten Juni 1885, juist vijf maanden na den val van Chartoem stierf hij.
Zijn opvolger, Abdullahi, nam den titel van Kalifa aan, en dertien jaren zuchtte het ongelukkige land onder het juk zijner heerschappij! De stammen van Soedan, het Egyptische juk moede, hadden den Mahdi als hun bevrijder begroet. In plaats van Turksche pacha’s kregen ze thans een despoot, die in schandelijke willekeur zijns gelijke zocht. Abdullahi legde op al het bare geld en al het koren beslag, en vaardigde de meest dwaze verordeningen uit. Wie niet gehoorzaamde, werd opgehangen. Het land was ten prooi aan plundering en brandstichting, en meer dan de helft der bevolking werd tijdens zijn bewind uitgeroeid. Met de schatten die hij van zijn eigen volk stal, kon hij een uitstekend leger op de been houden; eenmaal zou het uur der vergelding slaan, en daarvoor moest hij zijn leger bereid houden. Zijn hoofdstad was Omdoerman, waar de Mahdi onder den koepel eener moskee begraven lag. Voordat de christenhonden zoover in zijn rijk waren doorgedrongen, zouden hun geraamten allang verbleekt zijn in het zand der Nubische woestijn.
Maar, het uur der vergelding naderde. Langzaam trok een Engelsch-Egyptisch leger Nijl-opwaarts, en de aanvoerder, generaal Kitchener, de laatste die aan Gordon een brief had kunnen doen toekomen, had zijn maatregelen zoo goed getroffen, dat hij reeds twee jaren van te voren, bijna op den dag af, nauwkeurig het tijdstip had kunnen voorspellen, waarop Chartoem en Omdoerman hem in handen zouden vallen.
Bij den Atbara, een der zijrivieren van den Nijl, versloeg hij, na een moorddadig gevecht, een der legers van den Kalifa. In Augustus 1898 trok de expeditie tegen Metemma op. In de voorhoede trokken de verkenners en de lichte cavalerie, daarop volgden Egyptische troepen, kanonnen en mitrailleurs, Engelsche troepen in lichte grauw-gele uniformen met helmen van kurk, die de beste beschutting tegen de zon opleveren, Egyptische troepen met hun bonte turbans en de rijk met goud versierde uniformen der officieren. Daarop volgden eindelooze karavanen van sterke transport-muilezels, dromedarissen beladen met kisten vol proviand, ammunitie en wapenen, tenten, balen met kleedingstukken, de geheele uitrusting voor een leger van twee en twintig duizend man. Groote kudden slachtvee, ossen, schapen en geiten werden medegevoerd. Het geleek op een lange, zwarte slang die daar over het gele zand langs den Nijloever voortkronkelde. Zoover het oog reikte, niets dan legerscharen; een schouwspel dat deed denken aan een groote volksverhuizing der Israëlieten uit Egypte.
Het leger bereikte zonder schermutselingen Metemma.
Den 28sten Augustus was men nog slechts vier dagreizen van Chartoem verwijderd, waar Engeland’s naam weer in eere hersteld zou worden! Thans naderde de beslissende slag. De grauwe kanonneerbooten voeren langzaam Nijlopwaarts; met verzengenden gloed bescheen de zon het woestijnzand; maar stap voor stap ging het gestadig voorwaarts, en bij het kampeeren werd het terrein zoo gekozen, dat een nachtelijke overrompeling uitgesloten was.
Daar verschenen in de verte bereden troepen derwischen. De weg voert door struikgewas en tusschen twee heuvels door. Reeds komen witte tenten en vaandels in ’t gezicht. Er weerklinkt tromgeroffel;—de Kalifa roept de zijnen ten strijde op. Maar de derwischen trekken zich weder terug; het Engelsch-Egyptisch leger vervolgt zijn weg.
Eindelijk doemt in het Zuiden de koepel op, die zich welft over het graf van den Mahdi; en daar bovenuit verheffen zich de leemen huizen en grauwe muren van Omdoerman. Tusschen de stad en het leger breidt zich een zandvlakte uit. Voor de stad vertoont zich een zwarte streep. Wellicht een schans? Maar neen, het beweegt, de derwischen trekken ten strijde. Thans is voor de blanken het oogenblik van wraak aangebroken, nu begint een tooneel dat geheel Soedan van ontzetting zal vervullen.
Het krijgsgehuil der derwischen nadert, reeds hoort men het kletteren van hun wapenen. Op één kilometer afstand maken ze weer rechtsomkeert. Kitchener laat de nacht rustig voorbijgaan, zijn tijd zal wel komen!
Op den morgen van den 2den September is het leger strijdvaardig. Uit den nevel komen van de heuvels in ’t Zuiden eenige ruiters te voorschijn: Hun aantal groeit steeds aan; een strijdmacht van vijftigduizend derwischen krioelt in bonte verwarring dooreen.
Weer verheft zich hun fanatiek krijgsgehuil ten hemel, het rolt als een loeiende stormwind over de vlakte. Ze komen aanstormen. God moge hun genadig zijn! Zij rijden hun verderf tegemoet. Ze naderen in snellen draf, ze willen zich als een lawine op den vijand storten; nu zijn ze onder schot—daar knetteren duizenden geweren, en plotseling maken de horden halt, terwijl de granaten in hun midden dood en verderf verspreiden.
Maar, slechts voor één oogenblik is de aanval in zijn vaart gestuit, met een onversaagdheid, zooals alleen godsdienstig fanatisme die teweeg kan brengen, rukken ze voort. De Engelsche mitrailleurs vuren zóó onophoudelijk dat men slechts een gelijkmatig geknetter hoort. De soldaten vuren zoo snel achtereen dat hun geweren warm worden, en door anderen moeten worden vervangen. De derwischen vallen bij geheele compagnieën tegelijk, maar de openingen in de gelederen worden steeds weer aangevuld. De lijken in de witte, met bloed bevlekte mantels bedekken de vlakte als de bloesems in het voorjaar na een wervelwind. Eindelijk geven ze den strijd op, en trekken zich terug.
„Voorwaarts naar Omdoerman!” klinkt het Engelsche commando. Nog is de bloedige dag niet ten einde. De derwischen verzamelen zich opnieuw, de vaan van den Kalifa wordt op den heuvel geplant, en daarnaast de groene vaan van den profeet, om de geloovigen tot een laatsten vertwijfelenden kamp op te roepen. De eene linie na de andere stort zich in het vuur, om telkens weer opnieuw door de Engelsche kogels te worden weggemaaid. De derwischen verweren zich als leeuwen, want het gaat hier om de heerschappij in Soedan, Mahdi, Kalifa en paradijs, overwinning of dood!
Toen de dag ten einde was, was het leger van den Kalifa vernietigd, en de vaan die bij Gordon’s dood geheschen was, zonk in het stof.
Elfduizend dooden, zestienduizend gewonden en vierduizend gevangenen! De Kalifa zelf ontkwam. Zijn harem en zijn dienaren verlieten hem, en hij die des morgens nog de alleenheerscher over een onmetelijk rijk geweest was, zwierf bij het aanbreken van den avond eenzaam rond. Hij vluchtte naar het Zuiden, en het gelukte hem een nieuw leger op de been te brengen, dat echter het volgende jaar eveneens volkomen vernietigd werd. Hij zelf sneuvelde.
Thans bleef er voor den overwinnaar nog een dure plicht over. Sedert Gordon’s dood waren dertien jaren en zes maanden verstreken en nu zou de held zijn christelijke begrafenis deelachtig worden. Op het plein voor Gordon’s paleis te Chartoem vormden de troepen drie zijden van een carré; op de vierde zijde stond Kitchener temidden van zijn staf, en omringd door de divisie- en brigade-generaals. Kitchener heft de hand op, de vlag van Groot-Brittannië wordt op het paleis geheschen, begroet door den donder van het geschut der kanonneerbooten. Het muziekkorps der garde speelt het Engelsche volkslied. Dan wappert de vlag van Egypte naast de Engelsche, begroet door de Egyptische volkshymne. Vier geestelijken verrichten den lijkdienst. Dan blazen de Soedaneezen den lievelingsmarsch van Gordon en een laatste hoera van officieren en manschappen geldt den wreker van den gevallene, generaal Kitchener.
In den generalen staf van het Engelsche leger bevond zich ook Slatin Pacha, wien het na twaalfjarige, standvastig verduurde gevangenschap, eindelijk gelukt was de waakzaamheid van den Kalifa en zijn dienaren te verschalken, en na een avontuurlijke vlucht vaderland en familie weer terug te zien. Na de wederoprichting van de Engelsch-Egyptische heerschappij in Soedan werd hij tot generaal-inspector van dit land benoemd
49. DE STRUISVOGEL.
Tegenwoordig is in Soedan alles anders geworden; een spoorweg loopt van de Nijldelta naar Chartoem, en een andere van de Roode Zee naar Berber. Chartoem bezit thans scholen, hospitalen, kerken en andere openbare gebouwen en de stoombooten bevaren den Nijl tot aan de groote meren. Gordon’s plan het Victoria-Niansa meer met Mombas aan de kust te verbinden, is verwezenlijkt, en een spoorlijn doorsnijdt Britsch Oost-Afrika. Kortom van alle kanten zijn de blanken steeds dieper in het zwarte werelddeel binnengedrongen, en hebben zich de heerschappij over bijna geheel Afrika verzekerd. De fauna van dit werelddeel is dientengevolge herhaaldelijk in het gedrang gekomen, en door te grooten ijver der jagers is in vele streken het wild volkomen uitgeroeid; het heeft ontoegankelijke oorden opgezocht, waar het voorloopig nog ongestoord kan voortleven.
In de Sahara, in de Libysche Woestijn, op de vlakke velden aan den boven-Nijl, op de steppen van Zuid-Afrika, overal waar open vlakten zijn, leeft een der schoonste en belangwekkendste vertegenwoordigers van Afrika’s dierenwereld, de struisvogel. Hoewel hij wegens zijn kostbare vederen sedert tal van eeuwen wordt gejaagd, komt hij nog in menigte voor. In de onherbergzame woestijnstreken houdt hij zich evenwel niet op; hij leeft slechts daar, waar water in de nabijheid is.
Deze wonderlijke vogel bereikt een hoogte van twee-en-een-halven meter en weegt in volwassen toestand vijf-en-zeventig kilogram. Hij heeft een kleinen, platten kop met groote, schitterende oogen. Zijn vleugels, waaraan de kostbare vederen zitten, zijn zoo klein, dat zij hem niet in staat stellen, om zich in de lucht te verheffen en te vliegen; maar als vergoeding daarvoor kan hij een duizelingwekkende snelheid bereiken, en laat een paard en ruiter ver achter zich.