Part 9
Om acht uur werd de laatste post bezorgd en nog het een en ander in het schuitje van den ballon gebracht. Andrée belegde een krijgsraad. Zijn beide tochtgenooten, de ingenieur Fränkel en Dr. Strindberg verklaarden zich voor de opstijging. Hij zelf sloot zich daarbij aan. Onverwijld toog men aan ’t werk. De bemanning der kanonneerboot „Svenskund”, het schip, dat de luchtvaarders naar het Denen-eiland gebracht had, werd aan land gezet, en om 11 uur begon men met het afbreken van de loods. Reeds was een groot gedeelte van de voorzijde weggenomen. Aan de windzijde werd zeildoek gespannen om eenige beschutting voor den wind te vormen. Uitstekende balken werden met een dikke laag vilt omwikkeld, zoodat ze bij het slingeren van den ballon geen gaten in het omhulsel konden boren.
Gedurende de eerstvolgende uren heerschte er een koortsachtige opgewondenheid. Iedereen deed zijn uiterste best. Aan alle kanten weerklonk het kraken en dreunen van planken, die losgebroken werden. Men repte zich, als gold het een brand te blusschen. Door een scheepsroeper deelde Andrée met de stem van een godheid zijn bevelen uit; aan ieder moest hij zijn bijzondere bevelen geven en naar alle kanten moest hij zijn opmerkzaamheid richten. Intusschen daalden, van de hooge berghellingen achter de loods, zware wolken neer.
Reeds rukte de ballon ongeduldig aan de touwen, en vaak werden reeds alle zandzakken van den bodem opgelicht. Nu werd hij een weinig gevierd om de gondel met de zes draagtouwen aan den ring te kunnen bevestigen. De kooien met de duiven werden in de gondel gezet en de zandzakken voor een groot deel verwijderd. De ballon werd nu alleen nog maar vastgehouden door drie bundels ballastzakken, waarvan de luchtschippers op het laatste oogenblik de touwen zouden doorkappen, en door drie dikke kabels die om eenige balken op den grond heengeslagen waren. Bij elken kabel stond een matroos met een bijl. Twee dozijn zakken met zand werden als ballast ingeladen.
„Alles klaar!”
Andrée dankt allen, die hem geholpen hebben, en neemt haastig van ieder afzonderlijk afscheid. Zonder veel woorden drukt men elkaar stevig de hand. Wanneer de laatste oogenblikken maar eerst voorbij waren, wenscht ieder in stilte. Een onvergetelijk schouwspel moet deze opstijging opgeleverd hebben.
Dan doopt Andrée den ballon met den naam „Ornen” (Adelaar) en hij springt in de gondel waar Fränkel en Strindberg reeds onder de Zweedsche vlag hebben plaats genomen. Met blanke messen in de handen staan ze daar, en met één enkele snede kappen ze de touwen der ballastzakken!
Een rustig oogenblik wordt afgewacht. Er heerscht een diepe stilte. Men waagt het nauwelijks te fluisteren, slechts het suizen van den wind in de bijna ledige loods is hoorbaar. De drie helden leunen tegen den rand van de gondel. Andrée bewaart een onverstoorbare kalmte; geen spoor van aandoening is op zijn gelaat te bekennen. Om halfdrie klinkt zijn stem:
„Kappen—een, twee, drie!”
Op hetzelfde oogenblik springen de kabels los, en statig verheft zich de „Adelaar” uit zijn nest!
„Leve Andrée!” klinkt het daar beneden.
„Groet Zweden van mij!” roept hij met luider stem, terwijl hij zich over den rand van de gondel heenbuigt; met de sleeptouwen die een spoor van schuim in het water achter laten, als het zog van een stoomschip, zweefde de „Adelaar” in noordoostelijke richting over de Hollanderkaap heen. Voordat hij die achter zich had, daalde hij bedenkelijk, wellicht door een sterken luchtstroom naar beneden gedrukt. De gondel kwam zelfs in het water, maar sprong toen weer in de hoogte. Negen zandzakken moesten uitgeworpen worden om te beletten dat de „Adelaar” tegen de klippen zou stooten. Daarmede gingen tweehonderd kilogram ballast overboord!
Nog ernstiger was, dat bij het opstijgen een groot stuk der sleeptouwen scheurde. Daarmee ging meer dan een halve ton ballast verloren! Het geheele fundament, waarop Andrée zijn plannen gebouwd had, scheen vernietigd! Hij was niet meer door de sleeptouwen in aanraking met de aarde, maar zweefde als een speelbal der winden, vrij in de lucht!
De „Adelaar” verhief zich dan ook tot een hoogte van ongeveer zevenhonderd meter. Een tijd lang werd hij door een wolk aan het gezicht onttrokken, maar weldra kwam hij weer te voorschijn. Na verloop van een uur verdween hij achter de rotsige eilanden in het Noordoosten, in de wijde eenzaamheid der poolzeeën—voor altijd.
Zwijgend en ernstig begaven zich de helpers der drie helden weer aan boord van de „Svensksund”.—
23. HET LOT VAN ANDRÉE.
Met welke spanning wachtte de geheele wereld op berichten van Andrée, hoe werd overal de telegraaf in werking gesteld toen het bekend werd dat de held opgestegen, en in noordelijke richting verdwenen was! Op de geheele wereld was er nauwelijks een dagblad dat niet kolommenlange beschrijvingen van de koene opstijging gegeven had. Overal heerschten verbazing en bewondering! Hoe zou het wel afloopen? vroeg een ieder zich af. Atlassen werden te voorschijn gehaald, en onderzoekend liet men het oog gaan over de landen om de ijszeeën. Hoelang zou de zuidenwind aanhouden, en waar zou de ballon weer te voorschijn komen? Te oordeelen naar de manier waarop de „Adelaar” opgestegen was, zou hij, zoo was de algemeene meening, zich hoogstens drie weken in de wolken drijvend kunnen houden! Maar in dien tijd kon hij geweldige afstanden afleggen, en op elke willekeurige plek van de bewoonde wereld weer zichtbaar worden. Juist in dezen tijd van het jaar bevonden zich tal van walvischvaarders en visschers in de noordelijke ijszeeën. De spanning nam met elken dag toe. Niemand dacht meer aan de Noordpool. Waar ook Andrée’s ballon zou landen—hij zou ongetwijfeld den merkwaardigsten tocht gemaakt hebben, waarvan nog ooit een mensch gehoord had.
Nauwelijks waren veertien dagen verloopen, of de eerste verontrustende berichten deden door de pers de ronde. Den 17den Juli zou een Hollander den ballon in de Witte Zee op het water hebben zien drijven! Nasporingen brachten echter aan licht dat de Hollander vrij zeker een doode, opgezwollen walvisch ontmoet had.
Van nu af kwam er echter van alle kanten een stroom van de meest tegenstrijdige berichten. Aan de westkust van Groenland had men vanuit de zee schoten van een buks gehoord; zonder twijfel waren die schoten afgevuurd door Andrée en zijn makkers, die, evenals vroeger de mannen van de „Polaris” op een ijsschots zuidwaarts dreven. Wanneer men op een schip in de herfstnevelen het krijschen van zeemeeuwen hoorde, dan was dat natuurlijk Andrée, die in zijn zeilboot ronddobberend, om hulp riep!
En hoevele bewoners van de landen om de Noordpool heen, wilden den ballon met eigen oogen gezien hebben! De wakkere Russische pelshandelaars, en boeren tot ver in Siberië, bezwoeren met dure eeden, dat ze den „Adelaar” boven dit of dat dorp hadden gezien. Op Sachalin, het eiland der verbannenen in het verre Oosten had men hem stil en geheimzinnig boven de kale rotsen zien drijven. Zelfs de Indianen van Noord-Amerika beweerden, dat ze hem gezien hadden.
Anderen weer, wisten stellig, dat Andrée te Klondyke was, en van daaruit reeds geschreven had. In Britsch-Columbia streek de „Adelaar” over het land heen, en in Canada hadden de Eskimo’s verscheidene blanke mannen ontmoet die hun proviand in een zonderling gevaarte medesleepten. Weer anderen hadden visioenen gehad, en wisten dientengevolge nauwkeurig dat Andrée en zijn makkers in de zee gestort en verdronken waren—ze hadden in den geest de catastrophe mede aangezien. Weer anderen wisten met even groote zekerheid te vertellen dat Andrée nog leefde, maar dringend hulp noodig had.
Op deze wijze had de menschelijke verbeeldingskracht allerwege vrij spel, overal tuurde men met spiedende blikken omhoog, en meende den ballon te zien, zelfs al was ’t slechts een kraai die in den schemeravond voorbijvloog. De beangstigende, maar geweldige werkelijkheid werd langzamerhand tot een wonderbare sage, en bijna ging het met Andrée’s ballons als met het sprookjesschip van den vliegenden Hollander!
Reeds in den herfst werd er vanuit Zweden hulp gezonden, on overal waar Andrée met mogelijkheid zijn kon, werd proviand opgesteld. Een expeditie onderzocht vanuit het nu ledige graf van De Long en zijn makkers een groot deel der kusten van de Siberische IJszee. Professor Rathorst gaf als zijn meening te kennen, dat de luchtschippers Oost-Groenland hadden kunnen bereiken, waar ze zich langen tijd met muskusossen zouden kunnen voeden. Hij rustte derhalve de „Anlactic” uit met het doel om deze kusten grondig te onderzoeken. Weliswaar vond hij Andrée niet, maar hij bracht prachtige kaarten, verzamelingen en het resultaat van belangrijke waarnemingen mede terug.
Zoo verliepen maanden en jaren! Van tijd tot tijd dook een nieuw gerucht op, en steeds vlamde weer een nieuwe straal van hoop op!
Wat was er gevonden van de dertien boeien, die Andrée wilde uitwerpen, en waar waren de duiven gebleven?
Vijf boeien werden twee jaar later gevonden. Drie waren er in het ongereede geraakt, de briefhulzen ontbraken. Twee bevatten een schrijven, en hadden met den stroom een grooten afstand afgelegd, de eene werd op de noordkust van Noorwegen gevonden, de ander op IJsland. Ze waren reeds op den dag van opstijging om 10 uur en om 11 uur uitgeworpen, en behelsden slechts korte berichten over den koers, den toestand aan boord en de plek waar de boei uitgeworpen was. Om 10 uur dreef de ballon in noordelijke richting over vlak ijs heen. „Prachtig weer. Stemming uitstekend.” Om elf uur zweefde hij zeshonderd meter boven het zeeoppervlak „alles wel.”
Van de duiven keerde slechts één enkele weer terug. Een Noorsch schip nam ze reeds vier dagen na de opstijging aan boord. Het bericht, dat ze droeg, was daarom merkwaardig, omdat Andrée het den 13den Juli om half drie geschreven had. De „Adelaar” had toen reeds zes en veertig uur gezweefd, en was dus reeds langer in de lucht geweest dan eenig ander luchtschip! Op het kleine ineengerolde stuk papier stond o.a.: „aan boord alles wel. Dit is de derde duivenpost. Andrée.” De ballon bevond zich toen boven het noordelijk gedeelte van Spitsbergen, maar dreef met een flinke vaart naar het Oost-Zuid-Oosten.
Van dit oogenblik af is er van het lot van den „Adelaar” niets meer bekend;—en, waarschijnlijk zal het ook wel onbekend blijven.
Gedurende tweemaal vier en twintig uren na de opstijging was dus alles aan boord in orde, en de luchtschippers koesterden geen angst voor den afloop van hun tocht. Misschien zweefden ze gedurende verscheidene dagen nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden. Maar elken dag moest de draagkracht van den ballon onvermijdelijk verminderen, totdat tenslotte de „Adelaar” zijn last niet meer kon torsen. Maar, waar hij nederdaalde, dat weet niemand.
Wanneer hij in de buurt van de Noordpool, in de richting van de Behringzee, tusschen het drijfijs geland is, dan was de positie der opvarenden hopeloos, want ze hadden niet voldoenden leeftocht bij zich voor een zoo verren tocht, als in dat geval noodzakelijk zou wezen. Waarschijnlijker is dat de ballon naar het zuidelijk deel van de IJszee, tusschen Frans-Jozefs-land en het schiereiland Kola dreef. Hij moest daarbij steeds slapper worden, en steeds dieper zinken. Ongetwijfeld kapte men alle touwen, en wierp allen ballast overboord. Zoodoende kon hij nog eenige uren, misschien nog een geheelen dag in de lucht blijven. Maar ten slotte moest hij weer dalen, terwijl de donkere zee daaronder den muil opensperde. Nu zal men de laatste boeien opgeofferd, en alles wat men eenigszins kon missen, weggeworpen hebben. Weer verhief zich de ballon, maar verslapte spoedig weer opnieuw, door het minste koeltje heen en weer gedreven. Andrée was een man, die in oogenblikken van gevaar den moed niet verloor; hij en zijn makkers zullen dapper met den dood gestreden hebben!
Indien de winter zijn intocht reeds gedaan had op het noordelijk halfrond, dan had Andrée misschien kans gehad, spoedig hulp te zien opdagen. Dan zou hij een groot gedeelte van zijn leeftocht rustig hebben kunnen prijs geven, dan had hij de duiven kunnen loslaten en hun kooien in zee kunnen werpen. Maar misschien zonk de „Adelaar” op een plek waar geen land te bekennen was. De gondel sleepte over het water en stiet tegen elke oneffenheid; de inzittenden klommen in den draagring en kapten de gondel af. Dan verhief zich misschien de ballon nog eenmaal voor het laatst, om door de winden weer zeewaarts gedreven te worden. Daardoor werd de catastrophe nog slechte enkele uren uitgesteld, want wanneer een ballon zijn grootste hoogte bereikt heeft, daalt hij plotseling. Toen hij weer op de oppervlakte van het water kwam, was de ring het eenige wat nog gekapt kon worden. Hoe ook de omstandigheden mogen geweest zijn, waaronder Andrée en zijn makkers den dood gevonden hebben,—nu, na zooveel jaren weten we het nog niet; laat ons hopen dat hun doodsstrijd kort was! Hun reis was vruchteloos, maar die drie mannen zullen voor altoos toonbeelden blijven van heldenmoed. Ze hebben nieuwe paden betreden, en de tijd is nabij waarop anderen, met betere hulpmiddelen toegerust, hun onzichtbaar spoor door het luchtruim en over de zeeën zullen volgen.
24. IN HAMBURG BIJ HAGENBECK.
Verlaten we thans de dood-aanbrengende hoogere sferen, om ons weer op vasten bodem te bewegen! Na het korte uitstapje in de geschiedenis der Noordpooltochten willen we ons naar Engeland op weg begeven, uit de oneindige eenzaamheid van het eeuwige ijs, der middernachtzon, en der poolstormen naar een der brandpunten van het menschengewoel; naar de wereldstad Londen.
Van Malmö uit, brengt ons een stoomboot over de Sond, naar het groote, vroolijke en bedrijvige Kopenhagen. Daarna doorsnijdt de spoorweg het rijke en vruchtbare eiland Seeland. Hier staan prachtige hoeven tusschen vruchtbare velden, hier graast op welige weiden het kloekgebouwde vee, waaraan Denemarken zijn overvloed van melk en boter dankt: hier breidt zich naar alle kanten de vruchtbare bodem uit, die geen plaats meer overlaat voor de kale zandvlakten en schrale heide, zooals die op de westkust van Jutland voorkomen.
Denemarken is een der kleinste landen van Europa, maar de bewoners weten van de natuurlijke hulpbronnen van hun land partij te trekken en voordeelige handelsbetrekkingen met het buitenland aan te knoopen. Veel uitgestrekter dan het moederland zijn echter zijn bezittingen in de noordelijke zeeën, Groenland en IJsland; helaas zijn deze beide eilanden echter slechts schaars bevolkt, koude en ijs zijn er de eigenlijke heerschers. Van Korsör uit brengt ons een stoomboot tusschen de eilanden Langeland en Laaland door, in enkele uren naar Kiel. Hier betreden we Duitschen bodem; hier is Duitschland’s grootste oorlogshaven.
Door het vruchtbare Holstein heen, spoeden we ons naar het Zuiden, waar de vrije Hanzestad Hamburg aan de Elbe, de grootste havenplaats op het vasteland van Europa, en na Londen en New-York de derde der geheele wereld.
Wat is hier al niet te zien en te bewonderen. De enkele uren oponthoud willen we besteden om iets te zien, dat men overal elders vergeefs zou zoeken: Hagenbeck’s dierenpark.
Het ligt buiten de stad. Uit alle landen der wereld zijn hier wilde dieren bijeengebracht. Maar hier verkwijnen ze niet in een sombere gevangenschap, zooals in menagerieën en zoölogische tuinen, hier kunnen ze zich vrij bewegen over terreinen, die naar gelang van den aard der verschillende soorten, ingericht zijn. Over wijde zandvlakten zwerven de dromedarissen en struisvogels der Sahara, een kunstmatig aangelegde steppe strekt de buffels van Noord-Amerika en de antilopen en zebra’s van Afrika tot verblijfplaats. Tusschen grillige rotsen klauteren de lama’s der Andes, de steenbokken der Alpen en de muffeldieren uit de gebergten van Corsika en Sardinië: de olifanten staan in een gemeenschappelijk hok bijeen, en gaan vandaar uit aan hun arbeid in het park.
In het Poollandschap dartelen walrussen en robben in ruime bassins, op welker randen de pinguins komisch-gewichtig plomp rondwaggelen. Afzonderlijke grotten en koele vijvers strekken den ijsberen tot woonplaats; ze laten zich in ’t water neerplonzen, zwemmen snuivend in ’t rond, slaan elkaar, wanneer ze te dicht in elkaars nabijheid komen, met de klauwen, klauteren dan op een overhangende rots om daar lui op den rug liggend, uit te rusten, en storten zich dan weer, den kop vooruit, in ’t water. Daarboven verheft zich een klein plateau waar een rendierkudde graast.
Het glanspunt van Hagenbeck’s dierenpark is de leeuwenkloof. Aan drie kanten bevinden zich steile rotswanden met grotten en kloven. Aan den vierden kant, naar den toegang, is de kloof open, en hier staan we nu, op een afstand van slechts enkele meters, vlak tegenover twaalf groote leeuwen, zonder ook maar door een draadwerk van hen gescheiden te zijn! Dat is wel buitengewoon gevaarlijk, zou men zoo zeggen. In ’t geheel niet! De dieren zouden ons, zelfs al wilden ze, geen kwaad kunnen doen. Dan zijn ze zeker vastgebonden? Ook dat niet! Ze zijn vrij. Eenigen liggen languit te slapen, anderen zitten voor zich uit te staren, en droomen van Soedan; twee springen met lenige, katachtige bewegingen de rotsen op en af; twee Oost-Afrikaansche leeuwen zonder manen nemen elkaar met vijandige blikken op, terwijl een Zuid-Perzische leeuw op het plateau op den voorgrond rusteloos heen en weer loopt. Ze verwaardigen den toeschouwer met geen enkelen blik, daarvoor zijn die koninklijke dieren veel te trotsch; ’t is alsof ze die menschen vóór zich in ’t geheel niet zien, en toch zijn ze slechts één sprong afstands van hen verwijderd. Maar deze sprong zou te groot zijn! Een gracht tusschen hen en ons is acht meter breed, en zoo ver springt een leeuw niet! Wanneer een van die dieren op ons af zou springen, dan zou hij tegen een gladden muur terecht komen, die zich loodrecht uit de met water gevulde gracht verheft, en van daaruit is geen andere uitweg dan weer naar de kloof terug.
Toen ik eens voor dat eigenaardige leeuwenhol stond, kwam een breed geschouderde oppasser naar me toe en zei: „Wanneer u me tien stuivers geeft, ga ik het leeuwenhol binnen!”
„Best,” zei ik, „maar op je eigen verantwoording.”
„Natuurlijk! Wacht u maar een oogenblik!”
Dadelijk daarop ging er een kleine deur in de rots open, en met kalme, zekere schreden naderde de oppasser de twaalf woestijnkoningen. Men kon terstond zien dat hij ze volkomen in bedwang had. De Zuid-Perzische leeuw stiet een dof gebrul uit, maar bleef heen en weer loopen. De slapenden openden de oogen, spitsten de ooren en verhieven zich. De oppasser sloeg een der dieren met een rijzweep, waarop het dier lenig op een omgevallen boomstam in de kloof sprong. Een tweede leeuw sprong geluidloos en sierlijk over de hem voorgehouden zweep. Toen ze hun kunsten vertoond hadden, kreeg ieder een stuk vleesch, dat de oppasser uit zijn zak te voorschijn haalde, toen greep hij een der grootste dieren stevig bij de manen en schudde hem duchtig heen en weer; een ander pakte hij bij de ooren, en hield zijn gezicht tegen den kop van den leeuw aangedrukt. Deze hoefde slechts zijn muil open te sperren om hem het hoofd van den romp af te scheiden; maar zooals de oppasser me later verzekerde, bij al die gevaarlijke kunststukken klopte zijn hart geen oogenblik sneller. Hij had de leeuwen volkomen aan zich onderworpen; hij speelde met ze, alsof het jonge katten waren, en toch waren er twee bij, die pas zes maanden geleden gevangen waren. Toen de oppasser de kloof verliet, liep hij achteruit, bleef op het eind een oogenblik staan, riep op bevelenden toon een commando, en sloeg met zijn zweep op een rotsblok, om de dieren naar den anderen kant te verdrijven, en verdween toen snel door de deur. Klaarblijkelijk kon hij ze toch niet blindelings vertrouwen, onverwachts kon in deze gevangenen het roofdier ontwaken!
In de nabijheid der wilde dieren vergeet men niet alleen den tijd, maar ook het begrip van plaats. Ik althans vertoefde daar met voorliefde. Hun aanblik verplaatst me in de stilte der woestijn, in het zwijgen der wouden, in de stormen der bergen, in de geheimzinnigheid van Indië’s struikgewas. Ik denk aan karavanen en nachtelijk kampvuur, aan jachten en gevaarvolle avonturen, en ik koester medelijden met de gevangenen, ook al hebben ze ’t zoo goed als in Hagenbeck’s prachtig park in Hamburg.
Maar nu voert de trein ons met razende vaart door Hannover en Westfalen, over den statigen Rijn, en door het Zuiden van Holland. Rechts en links zooveel nijverheid, zooveel rustelooze arbeid! Hier kampen de Hollanders met het water, dat hen steeds met overstroomingen bedreigt. Slechts kort zijn de afstanden tusschen de nijvere industrie-steden. Voorbij! Onverbiddelijk voert ons de trein westwaarts, totdat we het eindpunt, Vlissingen bereiken.
Hier wacht ons de stoomboot. Zoodra alle reizigers aan boord zijn, en hun bagage, benevens eenige wagenladingen vrachtgoed in het ruim geladen zijn, beginnen de raderen te werken en het schip verlaat de haven en vaart het kanaal, tusschen het vasteland en Engeland in. Het weer is prachtig, een zilte bries strijkt over het water, maar zonder dat we last hebben van hooge golven. Nu en dan ontmoeten we een ander stoomschip. Hongerige meeuwen vliegen in sierlijke kringen rondom ons. Een voor anker liggend lichtschip laten we links achter ons liggen, en aan denzelfden kant doemt na eenige uren de kust van het graafschap Kent op. Engeland is in ’t zicht!
25. IN HET GEWOEL DER WERELDSTAD.
Ons schip vaart de breede, trechtervormige uitmonding der Theems binnen, en landt in de haven van Queensborough. Hier nemen we weer plaats in den spoortrein, die ons in korten tijd door een dichtbevolkte landstreek naar het hartje van Londen brengt. Reeds op weg naar het hotel, krijgt men een indruk van de woelige drukte van Engeland’s hoofdstad, die tweemaal zoo groot is als Berlijn, en met haar bijna vijf millioen inwoners het zevende deel der gezamenlijke bevolking van Engeland en Wales herbergt.
Welke keus zullen we nu doen uit deze onuitputtelijke zee van bezienswaardigheden? Men verdrinkt in die menigte musea, kunstverzamelingen, theaters en kerken! Er zijn dorpen, die slechts uit één enkele straat bestaan. Wanneer men de 8000 straten die Londen telt, aan elkaar zou kunnen voegen, dan zou die reuzenstraat zich door geheel Europa, West-Azië, tot aan Samarkand in Turkestan uitstrekken! Maar, gelukkig, zóó lang zijn de Londensche straten niet; ze vormen één groot net, ze eindigen aan de Theems of in uitgestrekte parken en wereldberoemde pleinen. En op al deze straten en pleinen wemelt en krioelt het van voetgangers en voertuigen; maar het drukste verkeer vindt men in Piccadilly, de drukste straat der wereld!
Reeds na twee dagen komen we tot de overtuiging, dat onze zwakke krachten het tegenover de onafzienbare menigte bezienswaardigheden van Londen moeten afleggen, we willen ons dus willoos door het toeval laten leiden. Wanneer men bezoeken moet afleggen bij vrienden en bekenden, dan raadpleegt men eerst den plattegrond om op de snelste en goedkoopste manier te komen waar men moet wezen, en men zorgt er voor vooraf te informeeren, wanneer de familie thuis is om bezoek af te wachten.
Men kan hun geen grooter genoegen doen dan door juist op een ontvangdag te komen, en het gewoel in de salons en om de theetafel te helpen vergrooten. Want het staat deftig om zooveel mogelijk bezoek te ontvangen. Maar, om bezoek te ontvangen moet de gastvrouw zich beijveren om gedurende de overige dagen der week zelve bezoeken af te leggen. Het gevolg hiervan is een rusteloos rondrijden in equipage of automobiel; en nauwelijks tehuis gekomen, moet ze snel voor een diner toilet maken. In Engeland is het warme jaargetijde gewijd aan het maatschappelijk verkeer, hoewel ik persoonlijk in dit opzicht tusschen winter en zomer volstrekt geen onderscheid opgemerkt heb. Want ook ’s winters betoonen de Engelschen den vreemdeling dezelfde gastvrijheid.