Part 8
De sneeuwstormen loeiden om de beide reizigers heen. Hun tent hadden ze prijs gegeven en ’s nachts kropen ze tusschen de sleden, waar ze een zeil over heen gespannen hadden. Eenmaal liep Nansen op sneeuwschoenen regelrecht het water in, en hij zou stellig verdronken zijn, wanneer niet Johansen hem er nog tijdig uitgetrokken had. Het dunne ijs was met een laag sneeuw bedekt, en was van water doortrokken: zoo kwam het, dat ze slechts langzaam vorderden, want ze moesten eerst begaanbaar ijs opzoeken. Reeds begon de proviand weer op te raken, maar gelukkig krioelde het in ’t water van walrussen. Vaak waren de dieren, die in troepen op ’t ijs lagen, zoo mak, dat Nansen dicht in hun nabijheid kon komen om ze te fotografeeren. Zelfs wanneer er een neergeschoten werd, verroerden de anderen zich in ’t geheel niet. Slechts wanneer er met stokken op los geslagen werd, stonden ze log op, waggelden als eenden achter elkaar naar het water en doken met de koppen naar beneden onder.
Eens was het ijs zoo glad, en de wind zoo gunstig, dat Nansen en Johansen de zeilen heschen, zich op hun sneeuwschoenen er voor plaatsten om te sturen en voort ging het, in suizende vaart, zoodat de wind hen om de ooren floot!
Op een anderen keer zeilden ze met samengebonden kajaks en landden op een eiland, om ruimer om zich heen te kunnen zien. De kajaks werden aan een koord van walrussenhuid vastgelegd. Maar toen ze over het eiland ronddwaalden, riep plotseling Johansen:
„Halt! Daar drijven de kajaks!”
Toen snelden ze naar het water, de wind woei krachtig zeewaarts en dreef met de kajaks al hun bezittingen weg.
„Hier is mijn horloge!” riep Nansen, gooide snel zijn kleeren uit, sprong in het ijskoude water, en zwom de schuiten achterna. Maar deze dreven sneller dan Nansen kon zwemmen. Hij voelde reeds dat hij begon te verstijven; maar hier te verdrinken was niet erger dan zonder de booten terug te keeren! Vooruit dus, met inspanning van alle krachten! Toen zijn krachten hem begonnen te begeven, ging hij een poos op zijn rug liggen; intusschen liep Johansen in vertwijfeling op het ijs heen en weer—maar daar zwom Nansen reeds weer, en ten slotte werd de afstand geringer; Johansen uitte een vreugdekreet, en reeds op het punt van te zinken, gelukte het Nansen nog juist om een der sneeuwschoenen, die buiten de kajuit uitstaken, te grijpen; daaraan klemde hij zich vast en kon tenminste een oogenblik op adem komen. Toen heesch hij zich met moeite in de boot, en roeide terug, door en door verkleumd. Maar toch kwam hij eindelijk aan land; Johansen pakte hem dadelijk in den slaapzak, en dekte hem toe met alles wat voorhanden was. Na een paar uur geslapen te hebben, was de ijzersterke Nansen weer zoo frisch als een hoen, en deed het avondeten alle eer aan. Later bekende Johansen dat het de angstigste oogenblikken geweest waren, die hij nog ooit had doorgebracht.
Steeds meer zuidwaarts leidde hun weg, dwars door het ijs en de golven. Het grootste gedeelte van hun tocht legden zij thans in de kajaks af. Op zekeren dag kwam vlak naast Nansen’s kajak, een walrus aan de oppervlakte, en had bijna de boot met de beide mannen in het zilte nat doen verdwijnen. Toen het dier weer weggezwommen was, voelde Nansen dat op den bodem plotseling alles drijfnat geworden was. Zoo vlug als hij kon, roeide hij naar de naastbijgelegen ijsvlakte, waar de kajak, gelukkig in ondiep water, snel begon te zinken. Om het lek te herstellen hadden zij een geruimen tijd noodig.
Nansen’s tocht is een ongeëvenaard feit in de geschiedenis der noordpooltochten. Van de honderd en dertig manschappen van den „Erebus” en den „Terror” had niet één enkele er het levend afgebracht, hoewel ze hun schepen niet verloren hadden, en hoewel ze vlak in de nabijheid lagen van land, waar menschen woonden, en waar levend wild in overvloed was. De Long was het slachtoffer geworden der ongunstige omstandigheden. Deze beide koene Noren daarentegen, hadden het vijftien maanden lang in de Poolzeeën uitgehouden, zonder daarbij hun leven in te boeten, zonder dat hun ledematen bevroren waren, ja zelfs zonder door uitputting en ontberingen te vermageren! Zelfs hadden ze het nog wel geruimen tijd langer kunnen uithouden, maar—het oogenblik van hun bevrijding was ophanden.
19. NANSEN’S GELUKKIGE TERUGKEER.
Den 17den Juli 1896 stond Nansen op een ijsberg naar het krijschen der vogels te luisteren, die in wijde kringen om hem heen vlogen. Plotseling luisterde hij met gespannen aandacht. Wat was dat? Neen ’t was onmogelijk. En toch,—het geblaf van honden. Of was dat een vogel, die op zoo bijzondere manier krijschte? Neen, ’t kon onmogelijk iets anders wezen, ’t moest het blaffen van een hond zijn! Op een draf ging hij naar het kamp terug, maar Johansen meende, dat hij zich stellig vergist moest hebben. Nadat ze haastig ontbeten hadden, bond Nansen zich de sneeuwschoenen aan, greep geweer, verrekijker en sok, en pijlsnel vloog hij over de sneeuwvlakte voort.
Weldra ontdekte hij het spoor van een hond. Of zou het misschien toch van een vos zijn? Maar neen, van een vos is het spoor veel kleiner. Nu ging het in vliegende vaart over het ijs landwaarts. Daar treft een stem Nansen’s oor, en hij roept met al de kracht van zijn longen, terwijl hij over scheuren en dammen heensnelt, want nu was de redding nabij, en wie weet hoe spoedig men weer in het vaderland terug zou zijn!
En werkelijk—daar komt, luid blaffend een hond op hem toespringen, en daarachter komt een man. Nansen snelt op den man toe, en beide zwaaien met hun mutsen. Wie ook die vreemdeling mocht wezen, hij kon niet anders doen dan dien pikzwarten reus, die daar regelrecht van de Noordpool op hem afkwam, sprakeloos aanstaren.
Nu stonden beiden tegenover elkaar, en reikten elkaar de hand.
„’t Doet me bijzonder veel genoegen u te zien,” sprak de vreemdeling.
„Dank u, mij eveneens,” antwoordde Nansen.
„Hebt u hier een schip?”
„Neen, mijn schip is hier niet.”
„Met z’n hoevelen bent u?”
„Ik heb slechts één tochtgenoot, daarginds op het ijsplateau.”
De vreemdeling was een Engelschman, Frederick Jackson genaamd; hij had zich reeds sedert twee jaren op het Frans Josefs-land gevestigd, teneinde dat land met een goed uitgeruste expeditie grondig te onderzoeken. In het eerst meende hij, dat deze zwarte gedaante op sneeuwschoenen tot de bemanning van de „Fram” behoorde, en verdwaald was. Maar toen hij hoorde dat Nansen in eigen persoon voor hem stond, steeg zijn verbazing nog meer.
Beiden begaven zich naar de woonplaats van Jackson, waar ook Johansen zich na korten tijd bij hen voegde. Het eerste wat de beide Noren deden, was, zich het zoo lang ontbeerde genot van een grondige reiniging met heet water te verschaffen. Ze bewerkten hun lichaam met groene zeep en harde borstels om tenminste het vuil, dat nog niet in de poriën doorgedrongen en op het lichaam vastgekleefd zat, kwijt te raken. Toen lieten ze zich scheren en de haren knippen, en toen ze van top tot teen in schoone kleeren gestoken waren, zagen ze er tenminste weer eenigszins als gewone menschen uit.
In den loop van den zomer kwam een schip om Jackson zijn gewone proviand te brengen. Daarmee voeren Nansen en Johansen naar huis. Reeds in Bardö ontvingen ze telegrammen van hun verwanten, en hun vreugde was grenzenloos. Slechts één ding was er nog waarover ze zich bezorgd maakten: waar was de „Fram?”
Het was te Hammerfest, toen Nansen ’s morgens uit den slaap gewekt werd. Er stond iemand aan de deur, die hem dadelijk wenschte te spreken. Nu, zoolang totdat hij zich aangekleed had, zou die persoon nog wel kunnen wachten, meende Nansen. Toen hij klaar was, ging hij naar buiten. De directeur van het telegraafkantoor stond in hoogsteigen persoon voor hem.
„Ik heb een telegram voor u, dat u ongetwijfeld genoegen zal doen,” zeide deze.
Nansen maakte het telegram open en las: „„Fram” heden veilig aangekomen. Alles wel aan boord. Ga terstond naar Tromsö. Welkom in het vaderland.”
De afzender van dit telegram was de kapitein van de „Fram”, de wakkere Sverdrup!
20. PER LUCHTBALLON NAAR DE NOORDPOOL.
Het was den 16den October 1893, toen ik Stockholm verliet om door Azië een reis naar het verre Oosten te beginnen. Een deel van mijn reisindrukken op dezen tocht heb ik in het eerste deel van dit werk weegegeven. Te St. Petersburg, waar ik eenige inkoopen moest doen, vertoefde ik in het huis van Nobel, waar ik op zekeren dag het volgend telegram ontving:
„Den 19den October streek Andrée’s ballon over de Finsche scheren, en werd door den storm de Oostzee ingedreven. Van Sandhamn uit zag men, hoe de ballon steeds twintig meter boven het zeewater zweefde.”
Hoe ontzettend! Nauwelijks had Andrée Zweden achter zich gelaten, en de woeste Oostzeegolven voor zich, en reeds zou zijn tocht een rampzalig einde moeten nemen? Want omringd door herfstnevelen, was er nauwelijks eenige hoop op behoud voor hem. Persoonlijk kende ik Andrée niet, ik had hem nooit gezien; maar iedereen sprak van hem, want hij had reeds negen gevaarvolle tochten gemaakt in de „Svea”, denzelfden ballon, die hem thans den dood tegemoet voerde. Zulk een man kon de wereld toch niet zoo snel verliezen!
Ik zelf had het grootste vasteland der aarde voor mij. Het was toch iets heerlijks, om tenminste vaste bodem onder de voeten te hebben! Maar Andrée! De gedachte aan hem liet me geen rust. Sedert eenige jaren had hij zichzelf tot een der wakkerste en bekwaamste luchtschippers gevormd; zou dan nu reeds zijn loopbaan een einde nemen, nu reeds, hoewel hij slechts veertig jaar oud was?
Den volgenden dag kwam er evenwel een tweede telegram:
„Andrée gered. Geland op de Finsche kust. Alles wel.”
Goddank! Nu was ik op mijn reis tenminste van deze zorg ontheven.
Twee jaar na dezen, bijna zoo rampspoedig geëindigden tocht, ontwierp Andrée het plan voor een reis, die zich niet tot de Oostzee bepalen zou. De geheele Noordelijke IJszee, van Spitsbergen tot aan de Behringstraat wilde hij doorkruisen, een gebied, dat zich over een afstand van 3700 kilometer uitstrekte; en zoo mogelijk, wilde hij op zijn tocht over de Noordpool heenvliegen! Het was het meest gewaagde plan dat nog ooit een ontdekkingsreiziger beraamd had. En Andrée had zoo lang en zoo grondig er over nagedacht, dat hij nauwkeurig berekend had, hoeveel elke schroef en elk touw van zijn ballon mocht wegen.
De ballon zou vervaardigd zijn van een drievoudige bedekking van Chineesche zijde, en zou, zoowel van binnen als van buiten gevernist worden, teneinde zoo weinig mogelijk van zijn inhoud van 4500 kubieke meters waterstofgas te verliezen. De doorsnede zou twintig meter bedragen en van boven zou een extra omhulsel aangebracht worden, dat beletten moest, dat de sneeuw zich op het netwerk vastzette.
Lange sleeptouwen zouden den ballon gedurig op dezelfde hoogte houden. Ze zouden gemaakt zijn van kokosdraden, zoodat ze op het water konden drijven, en zouden veel gemakkelijker over het ijs heenglijden dan over het land, waar ze vaak aan boomen, of andere voorwerpen konden blijven hangen, en zoodoende den ballon aan menigen gevaarlijken ruk konden blootstellen. Wanneer de helft van het sleeptouw op de aarde ligt, en de andere helft in de lucht zweeft, dan trekt alleen die laatste helft de ballon naar beneden. Zoodra deze daalt, wordt het gedeelte van het touw dat op de aarde rust, grooter, de ballon wordt daardoor verlicht, en stijgt weer omhoog. Maar de sleeptouwen verhinderen dan weer een al te sterke stijging, want hoe langer het touw wordt dat in de lucht hangt, des te meer wordt de ballon weer omlaag getrokken. Zoodoende zal de ballon, zoo berekende Andrée, steeds op een gelijkmatige hoogte blijven zweven.
Maar, de sleeptouwen hebben nog een ander doel. Door hun wrijving aan de oppervlakte van het water of van het ijs werken ze als een rem. Dientengevolge is de snelheid van den wind grooter dan die van den ballon, die niet vrij in de lucht zweeft, maar, om ’t zoo uit te drukken, steeds een voet op de aarde heeft. Door het hijschen van een zeil aan een der beide kanten kan men dan den ballon eenigszins besturen en hem, evenals een zeilschip laten laveeren.
De gondel van Andrée’s ballon bestond uit een teenen korf, en was rond, ruim, stevig en licht, voorzien van een dak, waarop de luchtreizigers als op een balkon konden staan, tot het doen hunner waarnemingen. Door een luik kon men in de gondel afdalen, die voor twee mannen, wanneer ze naast elkaar uitgestrekt lagen, plaats bood.
Twee vensters in het dak gaven uitzicht naar buiten. In de zijwanden bevonden zich tal van vakjes en zakken, waarin alle mogelijke dingen konden opgeborgen worden. Met zes dikke touwen was de gondel aan den draagring bevestigd. Acht ballasttouwen, van zeventig meter lang, moesten dienen om den schok te breken, wanneer een heftige windstoot den ballon tegen de aarde zou slingeren; ze konden ook afgekapt worden, zoodra de ballon zooveel gas verloor, dat ze niet meer in staat was om te bleven zweven. Al deze touwen wogen te zamen ongeveer duizend kilogram.
Andrée’s ballon zou dertig dagen kunnen zweven. Maar wanneer er nu een windstilte intrad, of wanneer men door het drijfijs, dat de Pool omringde, weer teruggedreven werd? Ook met deze mogelijkheid had Andrée rekening gehouden, en hij was erop voorbereid den ballon ergens achter te kunnen laten, en den terugtocht over het ijs te aanvaarden.
Daarvoor zouden sleden en sneeuwschoenen, een tent, een opvouwbare zeilboot en drie geweren met ammunitie meegenomen moeten worden, bovendien voldoende mondvoorraad voor honderd dagen; dit alles was in zakken boven aan den draagring geborgen.
Maar hoe zou men zich daarboven in de koude lucht iets warms kunnen toebereiden? Daarom werd een bijzonder kooktoestel vervaardigd, dat, ter voorkoming van brandgevaar onder aan den ballon zou hangen. Men behoefde slechts een blikje met soep, vleesch of visch in den ketel te doen, de spirituslamp te vullen en de geheele geschiedenis naar beneden te laten zakken; wanneer men aan een bepaald koord trok, dan ontbrandde daar een vlam, die men met behulp van een slang weer uit kon blazen, wanneer het eten gaar was, en men het toestel weer naar boven trok. Teneinde de buitenwereld berichten te kunnen doen toekomen over het verloop der reis, zouden dertien boeien van kurk meegenomen worden, die van buiten met koperdraad omhuld en van binnen een metalen koker bevatten voor het opbergen van brieven. De grootste zou bij aankomst van de Noordpool uitgeworpen worden! Bovendien stelde Andrée zich voor om rechtstreeks schriftelijke mededeelingen te zenden. Daartoe kocht hij ongeveer vijftig postduiven, die vroegtijdig naar den noordelijksten vuurtoren aan de Noordkaap gebracht werden; om ze met den vorm der kust vertrouwd te maken, bracht men ze eerst op een hoogen berg met vrij uitzicht naar alle kanten. Daarna werden ze op zeilschepen een eind de zee ingenomen, en daar losgelaten. Eenigen vlogen terstond naar hun punt van uitgang terug, anderen sloegen de richting naar het Zuiden in, en twee vielen ten prooi van een roofvogel. Gedurende de reis zouden de duiven in kleine teenen kooien geborgen worden, waarin aluminium bakjes met water en kleine korfjes met gerst, erwten en zaad geplaatst waren. Toen men van Spitsbergen uit, drie van deze duiven liet vliegen, stegen ze loodrecht in de hoogte, bleven daar eenige minuten lang volkomen onbeweeglijk, als om het terrein te verkennen, en vlogen toen pijlsnel zuidwaarts. Slechts een dezer postduiven werd bij Ofoten op de Noorsche kust opgevangen. Maar, dat was een bedriegster, ze was op een stoomboot, die naar Noorwegen onderweg was, neergestreken, en toen de kust in ’t zicht was, vloog ze weer op en liet zich met den wind naar Ofoten meevoeren.
De brief, dien zulk een duif draagt, moet licht als een veertje zijn om het vliegen niet te belemmeren. Hij wordt geschreven op zijde-papier en, opgerold, in een waterdichte huls geschoven die met was dichtgekleefd en onder de staartveeren van de duif bevestigd wordt.
Zoo had Andrée alles met groote scherpzinnigheid voorbereid. Er was een geheel boek geschreven, dat uitsluitend de toerusting tot deze reis beschreef. In het begin van Juli, een tijd waarin de zon dag en nacht aan den hemel staat, wilde Andrée met twee tochtgenooten de opstijging wagen vanuit het Denen-eiland, aan de noordkust van Spitsbergen. In dezen tijd van het jaar kon men steeds fotografische opnamen maken wanneer men over onbekende eilanden heen vloog. Ook zou de zon de temperatuur van het gas op gelijkmatige hoogte houden, en zoodoende zou de ballon steeds op ongeveer dezelfde hoogte bleven zweven.
Andrée was vast overtuigd van het welslagen van zijn plan. In het gunstigste geval zou alles immers als vanzelf gaan. Op een zijner proeftochten had hij den afstand van 400 Kilometer tusschen Gothenburg en Gotland in 3 uren afgelegd. Zulk een wind zou hem in negen uren aan de Noordpool kunnen brengen, en, zelfs bij matigen wind zou hij in hoogstens twee dagen de Pool kunnen bereiken! Wanneer hij op Spitsbergen een gunstigen, zuidelijken wind had, dan kon hij, volgens zijn vaste overtuiging, wanneer alles meeliep, reeds na acht dagen aan de Behringzee, of ergens anders, op de Aziatische of Amerikaansche noordkust, kunnen landen!
Maar „de wind blaast waarheen hij wil, en ge hoort zijn suizen wel, maar ge weet niet vanwaar hij komt, noch waar hij henen gaat.” Het eenige vaststaande is het feit, dat de wind aan de Noordpool altijd uit het zuiden komt! Want aan de Pool komen de meridianen allen in een punt te zamen, en wanneer ge aan de Pool staat, dan kijkt ge, wáárheen ge het oog ook richt, altijd naar het Zuiden!
21. VOOR DE OPSTIJGING.
Toen het plan van Andrée’s tocht wereldkundig werd, schoten natuurlijk overal de ongeluksprofeten als paddestoelen uit den grond op. In het buitenland had men niets dan scherpe woorden, en sprak men van onzinnige waaghalzerij. Andrée kon zelf toch wel begrijpen, dat de zeevogels daar in het hooge Noorden het omhulsel van zijn ballon met hun snavels zouden doorboren, dat hij en zijn tochtgenooten, wanneer ze over het bewoonde land heenzweefden door de bewoners met pijlen doorschoten zouden worden, en dat ze, indien ze al de Noordpool bereikten, daar immers toch van koude zouden omkomen! Sneeuw en ijs zouden door hun gewicht het gevaarte omlaag drukken, de sleeptouwen zouden tusschen de ijsschotsen verward raken, vastvriezen en zoodoende den ballon onbeweeglijk vasthouden.
Alleen in Zweden veroorzaakte het plan eerst verbazing, voorts bewondering, en eindelijk geestdrift! Maar—waar zou het geld vandaan komen? Er waren voor de verwezenlijking van het plan 130.000 Kronen noodig. Alfred Nobel bood aan de helft der kosten voor zijn rekening te nemen. Koning Oscar, die alles wat met ontdekkingsreizen in verband stond met milde hand steunde, schonk het vierde gedeelte, en de rest werd door anderen bijeengebracht.
Toen alles in gereedheid was, reisde Andrée naar Spitsbergen. Op het Denen-eiland werd een reusachtige loods gebouwd om den ballon tijdens de vulling te beschutten. Op het einde van Juli 1896 was de vulling afgeloopen, en nu wachtte men slechts op den zuidenwind.
Maar de wind kwam voortdurend uit het Noorden of uit het Westen. Weken verliepen. Mist en sneeuw maakten de vooruitzichten nog ongunstiger. Het wachten was vergeefs—de gunstige wind kwam niet.
Ten Noorden der Denen-eilanden ligt het Amsterdam-eiland, dat naar het Oosten in een vlakke landtong, de Hollanderkaap, uitsteekt. Hier kwam den 14den Augustus een merkwaardig schip voor anker. Andrée en verscheidene andere Zweden voeren er in hun stoomsloep heen. Het was de „Fram”, eerst enkele dagen geleden, uit een driejarige gevangenschap in het poolijs, bevrijd!
„Zou ik Nansen kunnen spreken?” vroeg Andrée, nadat hij Sverdrup en zijn metgezellen begroet had.
„Wat, is Nansen dan nog niet terug?” riepen de Noren.
„Neen, maar waarom is hij niet op de „Fram”?”
„Het is nu bijna anderhalf jaar geleden, sedert hij van ons wegging.”
Aan weerskanten heerschten angst en verslagenheid. Sverdrup keerde zoo snel mogelijk naar Noorwegen terug, vast besloten om, na kolen en proviand ingenomen te hebben, zich naar Frans-Josefs-land te begeven en Nansen te zoeken. Toen hij de eerste haven, een klein Noorsch kustplaatsje, bereikt had, liet hij zich, midden in den nacht, aan land roeien, en ging naar een telegraafkantoor. Daar hamerde hij met zulk een geweld op de deur, alsof zijn leven er mee gemoeid was. Alles was in diepe rust. Eindelijk stak een oud man zijn hoofd uit het venster, en schreeuwde hem toe: „Wat heeft dat gruwelijke spektakel in ’t holle van den nacht te beduiden?”
Sverdrup antwoordde: „Doe maar vlug open, ik ben kapitein Sverdrup, van de „Fram”.”
Dadelijk werden overal de vensters verlicht, en de telegraafbeambte kwam hals over kop naar beneden hollen.
„Ik heb van Andrée gehoord,” zei Sverdrup op bezorgden toon, „dat er nog geen bericht van Nansen gekomen is.”
„Wel,” riep de man, „Nansen? Die is den 13den Augustus te Bardö aangekomen! Op ’t oogenblik is hij te Hammerfest.”
Sverdrup maakte van blijdschap een luchtsprong, draaide zich, zonder een woord te zeggen om, en snelde weg om zijn makkers de blijde tijding te brengen.
Intusschen wachtte Andrée nog steeds op den zuidenwind. Maar, daar het reeds te ver in het jaar was, moest hij wel terugkeeren. De ballon werd leeggemaakt, alles werd ingepakt, en Andrée reisde naar Stockholm terug.
Men kan zich wel voorstellen hoe terneergeslagen hij was. Nog nooit had het plan van een Noordpooltocht een zoo algemeene en warme sympathie genoten. De geheele wereld wachtte met spanning en ongeduld op het vertrek. Toen hij Stockholm en Gothenburg verliet, had men hem als een held gehuldigd, en nu moest hij onverrichter zake weer terugkeeren! Velen dreven den spot met hem, maar de meesten bewonderden toch zijn zelfbeheersching. Het bedrag dat voor een nieuwe poging noodig was, werd terstond bijeengebracht, en wel uitsluitend in Zweden. In het midden van Mei van het volgend jaar wilde Andrée zich wederom naar het Denen-eiland begeven.
Den 10den Mei 1897, kwam ik uit Azië terug. Den dertienden gaf Andrée een diner te zijner eere. Wij waren slechts met ons zessen aan tafel, en ik zag hem bij deze gelegenheid voor het eerst. Tijdens het maal heette hij mij welkom met een rede, die ik mij niet zonder ontroering herinner. Hij sprak er over welk een verschillende toekomst ons beiden wachtte. Terwijl ik mijn groote reis achter den rug had, en rustige arbeid mij wachtte, had hij zijn tocht nog voor zich, en stond op het punt zich toe te vertrouwen aan een onzeker lot in de groote eenzaamheid. In zijn toon was iets weemoedigs verscholen, dat hij vergeefs trachtte te verbergen. In mijn antwoord huldigde ik hem als de ontwerper van een grootsch plan, en sprak mijn overtuiging uit, dat we elkaar onder gelukkiger omstandigheden zouden weerzien!
Het gezelschap ging spoedig uiteen. Andrée had nog veel te doen; over twee dagen zou hij Stockholm voorgoed verlaten.
Ditmaal vond zijn vertrek in alle stilte plaats. Men had hem zoo weinig met rust gelaten, dat het te voorzien was, dat hij, ook bij niet volkomen gunstigen wind, tóch zou opstijgen. Slechts enkele vrienden waren aan het station om afscheid van hem te nemen. Ik drukte hem hartelijk de hand—voor het laatst! Toen voerde de trein hem weg, den helderen nacht in.
In Juni heerschte op het Denen-eiland weer dezelfde bedrijvigheid. In het begin van Juli was alles voor de opstijging in gereedheid. Wederom was het wachten slechts op een gunstigen zuidenwind. Door een heftigen storm werd de ballon zoo hevig in de loods heen en weer geslingerd, dat hij bijna tegen de wanden stuk geslagen werd, en zelfs bijna geheel losgerukt werd.
Dagelijks schreef Andrée eenige regels in zijn dagboek. Op den 8sten Juli 1897 eindigt het—voor altijd.
22. „ALLES KLAAR!”
Den 11den Juli 1897, een Zondag, brak aan. Reeds des morgens om drie uur vertoonden zich bij de Hollanderkaap eenige rimpels op het effen watervlak. Het was een lichte bries, die elk uur in kracht toenam!