Part 18
Enkele negerstammen aan den Witten Nijl graven kuilen om daarin de nijlpaarden te vangen. Langs de stroomen, die in den noordelijken oever van het Ngami-meer uitmonden, maken de inboorlingen jacht op deze dieren met harpoenen, die voorzien zijn van scherpe, ijzeren weerhaken. Door middel van een lang touw is aan den harpoen een stuk kurk bevestigd. Op een rieten vlot zijn twee kano’s vastgemaakt, daar tusschen in hurken de zwarte jagers met hun harpoenen en lichte speren. Het vlot drijft geruischloos stroomafwaarts. In de verte hoort men de dieren snuiven en in het water rondplassen. Het gesprek der jagers verstomt, ieder moet op zijn post zijn. Daar ziet men de donkere gestalten, die gedeeltelijk boven het water uitsteken. Ze vermoeden geen gevaar van dat vlot dat door den stroom langs hen heen gedreven wordt. Vlak naast het vlot komt een nijlpaard opduiken. Op dit oogenblik verheft zich een harpoenier, en stoot het dier bliksemsnel zijn wapen in de zijde. Het dier duikt onder, maar het stuk kurk dat op het water blijft drijven, duidt de plek aan waar het zich bevindt. Zoodra het weer boven komt, wordt het met een hagelbui van speren ontvangen door de jagers die inmiddels hun kano’s van het vlot in het water hebben geschoven. Weer duikt het dier onder en laat een bloedroode streep in het water achter. Wanneer het nog eens naar boven komt en weer door een hagelbui van speren ontvangen wordt, komt het vaak voor, dat het woedend wordt, zich tegen zijn vervolgers richt, en een kano die zich wat al te dicht in zijn nabijheid gewaagd heeft, met de tanden versplintert, of wel met den kop omstoot. Soms koelt het verwonde nijlpaard zijn woede niet alleen aan de kano, maar werpt zich ook op de mannen, en menige koene jager is door hem reeds verscheurd.
Wanneer echter het dier uitgeput is, dan vischt de jager het stuk kurk op, roeit aan land, bindt een touw om een boomstam, en trekt zoolang tot hij zijn buit op het droge gekregen heeft.
Het vleesch van nijlpaarden wordt met graagte gegeten. Het vleesch der jongere en het vet van oudere exemplaren wordt voor bijzonder smakelijk gehouden; de tong is een lekkernij. Uit de huid vervaardigd men zweepen en schilden en nog tal van andere zaken; ook de groote hoektanden zijn van waarde. Vele diergaarden in Europa bezitten nijlpaarden die als jongen gevangen zijn. Wanneer men een jong wil bemachtigen, moet men eerst de moeder dooden, want ook in het gevaar verlaat het jong de moeder niet, het gaat zelfs niet van haar lijk weg. Deze jonge dieren, die voor zoölogische tuinen gevangen worden, worden met bijzonder ingerichte harpoenen gewond, die zoo gemaakt zijn, dat de wond niet diep in de huid doordringt en dus spoedig weer geneest. In den eersten tijd wordt het jong met koemelk gevoed; voor een enkelen maaltijd gebruikt het de melk van vier koeien. Maar, vaak kwijnen ze weg in de gevangenschap; ze droomen van Afrika’s meren en stroomen, waar ze lagen tusschen kokosbladen en riet. In plaats van den ruischenden stroom, moeten ze zich thans tevreden stellen met een armzalig bassin. En toch is, volgens den bijbel, het nijlpaard het eerste van Gods schepselen.
52. DAVID LIVINGSTONE.
In een eerlijk en vroom, maar arm arbeidersgezin in Blantyre bij Glasgow in Schotland werd voor honderd jaar een jongen geboren, wiens naam later wereldberoemd zou worden. Hij heette David Livingstone, en werd niet slechts de ontdekker van onbekende landen en volksstammen, meren en rivieren, maar ook een der edelste menschen die ooit hun eigen leven ten beste hunner medemenschen hebben opgeofferd.
Op de dorpsschool leerde hij zonder moeite in korten tijd lezen en schrijven; maar daar zijn ouders niet in staat waren om hem te laten studeeren, deden ze den jongen toen hij tien jaar oud was op een spinnerij, waar hij van ’s morgens 8 tot ’s avonds 10 uur moest werken. Deze zware arbeid brak evenwel zijn moed en zijn weetgierigheid niet, en terwijl de machines om hem heen snorden, en de spoelen door het garen heen en weer vlogen, zwierven zijn gedachten over de fabrieksmuren heen en hielden zich bezig met de natuur en het leven daarbuiten. Vlijt en nauwgezette arbeid bezorgden hem spoedig een hooger loon, en voor het geld dat hij opspaarde, kocht hij tal van boeken, die hij tot diep in den nacht bestudeerde. Teneinde zooveel mogelijk zijn kennis uit te breiden, bezocht hij een avondschool, en op de feestdagen maakte hij met zijn broeders lange wandeltochten.
Zoo groeide David op tot een jongeman, en op zekeren dag verklaarde hij zijn ouders dat hij zendings-arts wilde worden, om de volkeren in het Oosten en Zuiden te bezoeken, de zieken te verplegen, en allen die hem wilden hooren het evangelie te prediken. Om zich de noodige middelen te verschaffen tot studeeren, spaarde hij van zijn fabrieksloon, en toen hij voldoende had voor zijn onderhoud gedurende het eerste semester, ging hij naar Glasgow, waar hij voor anderhalve gulden per week een kamer huurde, en in de medicijnen studeerde. Na afloop van het eerste semester keerde hij weer naar de fabriek terug om weer voldoende te verdienen voor een volgend semester. Op deze wijze sloeg hij er zich door heen, en deed eindelijk met schitterend gevolg zijn examens. Op zekeren dag vergezelde zijn vader hem voor de laatste maal naar Glasgow, om daar voor altijd afscheid van hem te nemen! De jonge zendings-arts reisde af naar Afrika.
Eerst begaf hij zich naar de Kaap, en vandaar naar Koeroeman, het noordelijkste zendingsstation in Betschoeana-land. Van hieruit maakte hij tal van reizen het binnenland in, om de inboorlingen en hun taal te leeren kennen, om hun zieken te helpen, en hun vertrouwen te winnen. Toen hij eens van zulk een reis terugkeerde, vond hij, toen hij 250 K.M. van zijn doel verwijderd kampeerde, een klein, zwart meisje onder zijn wagen gehurkt.
De kleine was haar bezitters ontloopen, om niet als slavin verkocht te worden, en was te voet den wagen van den zendeling gevolgd. Livingstone verkwikte haar met spijs en drank, toen ze plotseling luid begon te huilen. Ze had een man gezien met een buks die haar achterna gezonden was om haar terug te halen, en die nu dreigend naderde. Maar Livingstone nam het meisje in bescherming, en zorgde er voor dat ze ook later voor de slavernij bewaard bleef. Dit kind was voor hem een symbool van Afrika, de bakermat van den slavenhandel, en Livingstone begreep zijn roeping; tot aan zijn dood arbeidde hij, als vele jaren later Gordon, aan de bevrijding der slaven. Hij bestreed de heidensche gebruiken en het botte bijgeloof der inboorlingen, en hoopte mettertijd volgelingen te zullen krijgen die zijn leer verder zouden verbreiden. Livingstone bewees den zwarten dat de tooverkunst hunner medicijnmannen, die tegelijkertijd regenmakers waren, slechts bedrog was, en dat hij hun zelf water kon verschaffen voor hun velden, niet door tooverformules, maar door kanalen die het water van naburige stroomen afleidden. Talrijk waren de zieken die hij hielp, en wier moed en koelbloedigheid hem vaak met verbazing vervulden. Zonder een spier te vertrekken, of een enkelen kik te geven, lieten ze zich gezwellen wegsnijden of andere ingrijpende operaties verrichten. Dan zei hij wel eens: „Maar schreeuw dan toch, kerel, ’t doet toch pijn;” maar de inboorling antwoordde: „Een man schreeuwt niet, dat doen alleen kinderen.”
Zoo won hij langzamerhand het vertrouwen, en een bijzondere macht over de zwarten. In sommige streken hield men hem voor een toovenaar, die over geheime krachten beschikte en dooden kon opwekken. Daar hij nooit dacht aan eigen voordeel, maar altijd slechts aan het welzijn der zwarten, die hij altijd vriendelijk behandelde, en nooit met harde woorden aansprak, verwierf hij zich de liefde en bewondering van deze wilden, die maar één ding niet konden begrijpen, en wel, dat een zoo machtig opperhoofd zichzelf tot dienaar van anderen maakte, inplaats van, zooals ze dat gewoon waren, de zwakkeren te onderdrukken en uit te buiten. De ergste bedreiging, die hij tegenover hen kon gebruiken, was dat hij ze zou verlaten wanneer ze hem niet gehoorzaamden; en wanneer hij dan werkelijk naar een anderen stam moest verder trekken, dan gaven de stamhoofden hem hun eigen zonen en betrouwbare mannen als gidsen mede.
In 1843 stichtte Livingstone het zendingsstation Mabotsa, niet ver van de tegenwoordige stad Mafeking, tegenwoordig gemakkelijk van Kaapstad uit per spoorweg te bereiken. Het stamhoofd van die streek was gaarne bereid hem een stuk grond te verkoopen, waarvoor hij kralen en andere voor hem waardevolle zaken, kreeg. Zeventig jaar geleden was deze streek echter nog geheel een wildernis, en vaak was Livingstone’s leven in gevaar. Zoo was er eens een leeuw in het dorp ingebroken, die geweldig onder de schapen huishield. Onder leiding van Livingstone maakten de inboorlingen jacht op hem. De indringer werd zwaar verwond, en trok zich in het struikgewas terug, maar plotseling stormde hij weer uit de struiken tevoorschijn, en stortte zich op Livingstone, wien hij het vleesch van den schouder afhaalde en den linkerarm brak. Reeds rustte zijn poot op het hoofd van den zendeling, toen een inboorling op het dier toesprong, dat nu zijn slachtoffer losliet om zijn nieuwen aanvaller eveneens toe te takelen. Het beest was echter zoo zwaar gewond, dat zijn kracht uitgeput was, en het dood neerstortte. Nog dertig jaar later voelde Livingstone het litteeken van den beet, en hij heeft zijn linkerarm nooit meer hooger dan tot den schouder kunnen opheffen.
Nadat zijn wonden geheeld waren, bouwde hij eigenhandig het nieuwe zendingshuis, waarbij door een vallenden steen de nauwelijks geheelde arm weer zwaar gekwetst werd. Toen het huis gereed was, betrok hij het met zijn jonge vrouw, de dochter van den bekenden reiziger en zendeling Moffat in Koeroeman.
Te Mabotsa woonde nog een tweede zendeling, die het er nu op toelegde Livingstone het leven te verbitteren. Deze wilde echter de zwarten niet tot getuigen maken van het schouwspel dat twee blanken met elkaar ruzie hadden; hij ruimde dus het veld en trok met zijn vrouw verder, zeventig kilometer noordwaarts. Het huis in Mabotsa had hij van zijn eigen opgespaard geld gebouwd, want van de duizend gulden, die hij jaarlijks van het Engelsche Zendingsgenootschap ontving, kon voor het bouwen van huizen niet veel overblijven. Toen hij wegging, waren de inboorlingen wanhopend. Nog toen de ossen reeds voor den wagen gespannen waren, smeekten ze hem om toch te blijven, terwijl ze beloofden een nieuw huis voor hem te zullen bouwen. Maar, hij bleef bij zijn voornemen, en begaf zich naar het dorp Tschonoeane, waar de hoofdman Setschala leefde.
Deze ontving Livingstone met groote vreugde, en hoorde oplettend naar zijn prediking. Hij beloofde zelfs den geheelen stam tot het Christendom te zullen bekeeren, en wel met behulp van een flinke zweep. Daar Livingstone echter van zulk een methode van bekeering niets wilde weten, zeide Setschala dat hij zijn onderdanen bezwaarlijk, zonder van een zweep gebruik te maken, zou kunnen bewegen tot het geloof aan Christus! Hij zelf zond evenwel zijn talrijke vrouwen allen op één na weg, waarmee hij zijn eigen aanzien een gevoeligen slag toebracht; want een hoofdman met slechts ééne vrouw vond men bijzonder armzalig!
Van dit punt uit maakte Livingstone een reis oostwaarts, naar het gebied, dat Hollandsche boeren uit Kaapland opgezocht hadden. Ze hadden de Kaapkolonie verlaten, daar de Engelsche regeering geen slavenhandel duldde en de vrijlating der Hottentotten beval. De Boeren stichtten derhalve een eigen republiek, Transvaal genaamd, daar ze aan de overzijde van den Vaal, een zijstroom van de Oranje-rivier, gelegen is. Hier meenden ze de zwarten ongestoord tot slavenhandel te kunnen dwingen; ze bezetten alle bronnen en de inboorlingen waren in hun eigen land van vreemden afhankelijk.
Livingstone had in zijn nieuwe nederzetting de handen vol; hij bouwde, verzorgde zijn tuin, bezocht de zieken, herstelde zijn wapenen en wagens, maakte tapijten en schoenwerk, predikte, gaf les in een kinderschool, hield voordrachten over geneeskunde en gaf les aan inboorlingen, die eveneens zendeling wilden worden. Zijn vrijen tijd gebruikte hij voor natuurwetenschappelijke verzamelingen, die hij naar het vaderland zond; bovendien bestudeerde hij de giftige tsetse-vlieg en de ziekte, die door deze teweeggebracht wordt, en hij arbeidde onverdroten aan het uitvinden van middelen om die beide te bekampen.
Zijn nieuwe woonplaats had echter een ernstige schaduwzijde; er was gebrek aan water; daarom besloot Livingstone nog zeventig kilometer noordwaarts naar Koboleng te trekken, waar hij nu voor de derde maal een eigen huis bouwde. Ook ditmaal waren zijn zwarte vrienden geheel verslagen over zijn besluit. Daar ze hem er niet toe konden overhalen te blijven, pakte de geheele stam zijn have en goed bijeen, en trok met hem mee. In Kolobeng bleef Livingstone vijf jaren, de langste en tevens laatste rusttijd van zijn leven. Ook hier won hij het vertrouwen en de vriendschap der inboorlingen, want wanneer het gold een zieke te helpen, dan reed hij bij dag en nacht mijlen ver, zonder om gevaar te denken. In Kolobeng smaakte hij ook de groote vreugde met zijn eigen kinderen, die hier ter wereld kwamen, te kunnen spelen.
De nabuurschap der Boeren vernietigde echter het succes van zijn arbeid. Ze haatten hem wegens zijn bestrijding der slavernij, en beschuldigden hem er van Setschala’s stam van wapenen te voorzien en tegen de Boeren op te hitsen. Ze dreigden alle zwarte zendelingen, die zich in Transvaal zouden vertoonen, zonder meer te zullen dooden, en ook lieten ze geen middel onbeproefd om Livingstone uit den weg te ruimen. Derhalve besloot deze nog verder naar het noorden te trekken, waar blanke mannen die christenen heetten, maar die inboorlingen als dieren behandelden, hem niet bij zijn arbeid zouden storen. Een in Kolobeng uitbrekende hongersnood versterkte hem in zijn besluit. Een groote droogte had den oogst doen mislukken en de bedding der rivieren volkomen uitgedroogd. De inboorlingen moesten er op uit om van de jacht te leven, en de vrouwen verzamelden sprinkhanen als voedingsmiddel. Geen kind bezocht meer de school, en de kerk stond des Zondags vergeefs open. Zoo begaf zich dan Livingstone nogmaals op weg om zich elders te vestigen.
53. DE ONTDEKKING VAN HET NGAMI-MEER.
Reeds toen Livingstone voor het eerst Afrika betreden had, en in Koeroeman vertoefde, hoorde hij, dat er ver in het Noorden, een groot zoetwatermeer was, dat men Ngami noemde. En op een zijner latere tochten was het hem zelfs gelukt om dit meer, dat nog nooit door Europeanen bezocht was, tot op tien dagreizen te naderen. Maar hij moest toen omkeeren, omdat onder zijn trekossen de runderpest uitbrak. Nu kwam echter op zekeren dag te Kolobeng een bode bij hem van den zwarten koning Letscholetebe, wiens gebied aan het Ngami-meer gelegen was; deze liet den zendeling verzoeken om tot hem te komen en beloofde hem een goed onthaal. Ook was er in zijn land veel ivoor. Toen de menschen van Livingstone van ivoor hoorden, waren ze terstond tot de lange reis bereid, en den 1sten Juni 1849 ging het weder noordwaarts. Een vriend van Livingstone, de Engelschman Oswell ging mee; als een welgesteld man had hij verscheidene wagens, tachtig ossen, twintig paarden en vijf-en-twintig dienaren medegenomen. Een dezer laatsten diende als gids, want reeds na twee dagen voerde de weg langs streken die nog nooit door een Europeaan betreden waren. Aan den woestijnrand kampeerden ze; overal in de rondte waren de bronnen uitgedroogd. Slechts in een kuil, waar een neushoorn zich in het zand rondgewenteld had, stond nog zooveel water, dat elk paard een slok kon nemen, maar voor de ossen was het niet toereikend, en daar de weg, tot aan de volgende rustplaats honderd en twintig kilometer lang was, en dwars door de beruchte Kalahari-woestijn liep, werden de ossen weer teruggedreven naar een veertig kilometer verder terug gelegen bron. Toen ze terugkwamen, had men echter reeds verscheidene waterrijke bronnen opgegraven, en toen de karavaan opbrak, hadden alle dieren zooveel gedronken als ze maar wilden.
Verlaten en dor strekte de woestijn zich voor hun oogen uit. De uitgedroogde wagens knarsten over de zandvlakte, en de raderen zonken diep in het mulle zand. De ossen, die gebrek hadden aan water, verloren snel hun krachten. Na een tocht van drie dagen door de Kalahari, had men pas zeventig K.M. afgelegd. Toen raakte plotseling de gids de kluts kwijt, en wanneer men hem vroeg hoever het nog was tot aan de naaste bron, dan antwoordde hij op goed geluk af: vijftig kilometer. Een somber vooruitzicht voor de reizigers! Voordat ze zoover kwamen, zouden alle ossen allang van dorst omgekomen zijn! De paarden moesten vooruitgezonden worden, dan bleven die tenminste gespaard. In geval van nood kon men dan, wanneer de geheele karavaan omkwam, met de paarden verder trekken en van de jacht leven. Bovendien zouden de ossen het spoor van de paarden kunnen volgen, en misschien, door hun instinct geleid, een bron vinden.
De paarden en hun berijders waren echter nauwelijks een uur weg, of ze kwamen aan een oase, en spoedig verried het kwaken van kikvorschen de aanwezigheid van een waterplas, die allen het leven redde.
Na een tocht van twee maanden bereikte Livingstone de oevers van het Ngami-meer, dat nog nooit door een Europeaan aanschouwd was. De koning Letscholetebe bleek evenwel niet zoo vriendschappelijk gezind te zijn als men gehoopt had. Toen hij hoorde dat Livingstone nog verder noordwaarts wilde trekken, naar het groote stamhoofd Sebitoeane, was hij bang dat deze van de blanken vuurwapenen zou krijgen en strooptochten in zijn gebied zou ondernemen. Dientengevolge moest de expeditie weer naar Kolobeng terugkeeren. Maar Livingstone’s volharding kende geen hinderpalen; hij kwam nog een tweeden keer aan het Ngami-meer terug, vergezeld van zijn familie en van Oswell. Op dezen tocht kwam hij ook in het gebied van den machtigen Sebitoeane, die hem gastvrij ontving. Dit stamhoofd, in dit deel van Midden-Afrika als een goedhartig mensch bekend, was blij een blanke te zien, en begreep terstond dat deze zendeling hem en zijn stam goed gezind was. Reeds den eersten Zondag woonde hij de godsdienstoefening bij, en luisterde aandachtig naar Livingstone’s woorden. Eenige dagen later kreeg Sebitoeane echter een longontsteking, en het duurde niet lang of Livingstone zag dat het stamhoofd op sterven lag. Zijn laatste woorden golden Livingstone’s kleinen zoon: „Breng hem in de hut van de vrouwen en geef hem wat melk!” Toen blies Livingstone’s nieuwe vriend den laatsten adem uit.
Nu zetten de beide reizigers hun tocht noordoostwaarts voort, naar het groote dorp Linjanti, en ontdekten spoedig daarop een groote rivier, de Zambesi. Haar benedenloop was den Europeanen reeds lang bekend, maar niemand kende haar bovenloop. Het klimaat van deze streken was zeer ongezond, aan het oprichten van een zendingsstation viel hier dan ook niet te denken. Het Makololo-volk, de stam van het doode opperhoofd, beloofde hem weliswaar grondbezit, hutten en ossen, wanneer hij daar wilde blijven, maar Livingstone had grootere plannen. Voordat hier aan een zendingsstation gedacht kon worden, moest er eerst een eerlijke handel bloeien; ook het Makololo-volk was begonnen slaven te verkoopen, teneinde in het bezit te komen van vuurwapenen en andere begeerlijke zaken uit Europa. Wanneer men ze nu er toe kon brengen om met ivoor en struisvederen handel te drijven, dan konden ze evengoed alles wat hun hart begeerde van de Europeanen in ruil bekomen. Maar daartoe ontbrak in de eerste plaats een weg naar de kust, hetzij van den Atlantischen, hetzij van den Indischen Oceaan, en het was Livingstone’s plan, zulk een weg te zoeken. Later, zoo meende hij, wanneer de slavenhandel voor een eerlijken handel had plaats gemaakt, zou het nog altijd tijd genoeg wezen om hier het christendom te prediken.
Zoo trok hij dan weer zuidwaarts. Vrouw en kinderen konden hem op deze moeitevolle tochten niet vergezellen; hij zond ze naar Engeland. In Kaapstad nam hij van de zijnen afscheid, daarop reisde hij alleen naar Koeroeman, en begaf zich langs een omweg naar Kolobeng. Hij had onderweg veel oponthoud, en ditmaal was dat zijn geluk. Want intusschen had de eerste President der Boerenrepubliek, Pretorius, met zeshonderd Boeren, en zevenhonderd aangeworven zwarten Kolobeng verwoest, Livingstone’s geheele have geroofd, zijn vee weggedreven, alles wat ze niet konden meenemen, tot zelfs de meubels, stuk geslagen, zijn boeken verscheurd, de dorpen der inboorlingen overvallen, en zestig menschen met kanonnen neergeschoten. De verwachting der Boeren, om Livingstone zelf in handen te krijgen, werd gelukkig niet verwezenlijkt. De zwarten hadden zich echter dapper verweerd, en vijf-en-dertig dooden hadden de Boeren moeten achterlaten. Deze overval moest een straf voor de zwarten zijn, omdat ze Engelsche reizigers vrijen doortocht verschaft hadden. Daarbij waren deze Boeren Christenen, maar ze sloten hun land voor alle Europeanen, teneinde ongehinderd zelve de zwarten te kunnen mishandelen en uitzuigen, en ze als slaven te kunnen gebruiken, terwijl ze zelf rustig thuis zaten, hun pijp rookten, en in kalme gemoedsrust—den Bijbel lazen!
54. VAN KUST TOT KUST.
In het jaar 1853 begon Livingstone zijn verderen tocht naar de Westkust, en kwam eerst bij het Makololo-volk. Hier heerschte thans Sebitoeane’s zoon Sekeletoe, die hem vriendelijk ontving, en hem het liefst in het geheel niet meer had laten gaan. Toen Livingstone toch langs de Zambesi stroomopwaarts verder trok, begeleidde de koning hem met tal van krijgers. Na eenige dagmarschen stiet men op den halfbroeder des konings, die Mpepe heette; deze was een slavenhandelaar en stond Sekeletoe reeds lang naar het leven, om daardoor zijn eigen macht te vergrooten. Tweemaal poogde Mpepe zijn stiefbroeder te dooden, en eenmaal was het Livingstone, die den koning voor een speerworp behoedde. De strijd tusschen deze beide mededingers eindigde met den dood van Mpepe.
Nog verder stroomopwaarts aan de Zambesi woonde de vader van den gedoode. Deze verbond zich nu met het opperhoofd van een naburigen stam, om gezamenlijk zijn zoon te wreken. Bij het eerste samentreffen werden eerst vreedzame onderhandelingen gevoerd, totdat plotseling Sekeletoe een teeken gaf; terstond omringden zijn krijgers de beide vijandelijke stamhoofden, en voordat Livingstone het kon verhinderen, werden ze door de mannen van Sekeletoe neergehouwen. De lijken werden in stukken gehakt, en den krokodillen in de Zambesi voorgeworpen. Livingstone was over deze verraderlijke daad zoo verontwaardigd, dat hij terstond deze streken verliet, en verder trok.
Nu maakte Livingstone zijn gedenkwaardigen tocht van Linjanti naar Loanda aan de Westkust ten zuiden van de uitmonding van den Congo. Nog geen Europeaan had voor hem dezen weg afgelegd. Zijn geleide bestond uit zeven-en-twintig Makololo-manen, en zijn bagage uit bijna niets anders dan kralen en stukken goed, de in Afrika gangbare munt. Proviand had hij niet meegenomen, omdat hij van plan was dat men zou leven van wat er onderweg zou worden geschoten of gevangen.
Het was een inspannende, moeitevolle tocht waarbij men door het gebied van tallooze wilde stammen trok. Eerst ging het stroomopwaarts langs de Zambesi, en dan langs den anderen oever. Tengevolge van hevige regens moest men telkens over sterk gezwollen beken en door verraderlijke moerassen trekken.
Sedert Livingstone eens met een boot droevige ervaringen had opgedaan, liet hij zich steeds door een os door het natte element dragen.
Wolken muskieten zwermden boven den vochtigen grond en de koorts ondermijnde Livingstone zoo hevig, dat hij niet eens meer op zijn os kon zitten. Maar onder al deze plagen verzuimde hij niet de natuur rondom hem gade te slaan en de kaart van den door hem genomen weg uit te werken. Zijn dagboek was een dik deel met sterken omslag en voorzien van een slot. Hij schreef daarin fijn en sierlijk, alsof het gedrukt was. Men zou hebben gedacht, dat het de mannen uit Makololo moede zou zijn geworden door onbekende streken en volkeren te trekken; maar niets was in staat hen hun heer en leidsman te doen verlaten.
Reeds bij het begin van deze lange reis had Livingstone een schaar van achttien aan elkaar geketende slaven bevrijd, en hoe verder hij door de bosschen drong, des te vaker moest hij zien, hoe de slavenhandel de menschen verwilderde, hen wantrouwend en vijandig maakte. Meermalen bevrijdde hij troepen slaven door den drijver eenvoudig te bevelen, de gevangenen te laten loopen.