Chapter 4 of 24 · 3730 words · ~19 min read

Part 4

Het was op den 13den Januari, in den voormiddag, de tijd waarop de manschappen gewoonlijk buiten bezig waren, en moesten wandelen, dat een der matrozen, Kleutzer geheeten, op eigen gelegenheid den nabijgelegen Germaniaberg beklom, om het landschap, in het reeds helderder wordend middaglicht, op te nemen. Boven aangekomen ging hij welgemoed op een rots zitten en zong vroolijk een lied de stille heldere lucht in. Heel toevallig keek hij om; daar stond maar enkele schreden verwijderd een geweldige ijsbeer, die met ernstige uitdrukking den vreemdeling bekeek. De matroos was een even kalm en vastberaden als krachtig man en in gewone omstandigheden zou er niets bijzonders aan de zaak zijn geweest; de beer stond prachtig onder schot en kon niet zoo gemakkelijk gemist worden, maar—Kleutzer was geheel ongewapend en had zelfs geen mes bij zich. Onbegrijpelijk, niet waar? Want nog slechts enkele dagen geleden was een beer bij het schip gezien. En alleen verklaarbaar door de noodlottige zorgeloosheid, welke den matrozen eigen is en door de omstandigheid, dat tot nu toe bijna alle beren voor de ongewone verschijningen der poolvaarders gevlucht waren en de matrozen nog geen respect hadden ingeboezemd.

Kleutzer ziet zich dus ongewapend en ver van zijn makkers, alleen tegenover den beer. Vlucht is de eenige, al is het dan ook twijfelachtige redding en reeds komt de vermetele gedachte bij hem op, zich op goed geluk langs de steile gletscherhelling omlaag te storten. Maar hij neemt toch liever de zachter glooiende zijde en begint nu hard den berg af te loopen. Na een poos kijkt hij om, de beer loopt als een groote hond op zijn gemak hem achterna. Zoo gaat het een tijdlang bergaf, zoo hard als het terrein het toelaat. Stond Kleutzer stil, dan stond de beer ook stil, ging hij verder dan volgde de beer langzaam, en ging hij hard loopen, dan volgde de beer, in hetzelfde tempo. Zoo waren de twee al een goed eind gevorderd en Kleutzer waande zich zoo goed als gered. Het begon den beer zeker te vervelen, hij bleef den vervolgde tenminste dichter op de hielen.

Dat werd den matroos toch te griezelig en terwijl hij steeds voortholde, slaakte hij, om het dier te verschrikken en om hulp te krijgen, een luiden kreet. In het eerst scheen de beer er door verbluft, maar daarna woedend geworden, naderde hij den vluchteling nu steeds meer, zoodat deze den heeten adem van het monster reeds meende te voelen. In dezen ontzettenden toestand kwam Kleutzer de bekende berengeschiedenis in de gedachte, die hem juist kort geleden was verteld, waarin de vervolgde zich redde door den beer kleedingstukken voor te werpen; bij het onderzoek er van hield de beer zich zoo lang op, totdat hulp kwam opdagen. Kleutzer trekt dus, al voortsnellend, zijn buis uit, en werpt het achter zich en ziet, de list helpt. De beer blijft staan en begint een nader onderzoek van het buis, dat hij besnuffelt en heen en weer schudt. Kleutzer vat nieuwen moed, snelt verder den berg af en stoot uit volle borst een kreet om hulp uit, die ver door de stille streek weergalmt. Maar al te gauw is de beer hem echter weer op de hielen en Kleutzer werpt hem nu de muts, dan het vest toe, waardoor hij weer een voorsprong krijgt. Kleutzer ziet reeds dat redding nadert, en eenige kameraden over het ijs toesnellen. Met inspanning zijner laatste krachten loopt en schreeuwt hij weer, maar alle hulp schijnt vergeefs, want steeds sneller nadert de vervolger en Kleutzer moet nu het laatste wat hij nog geven kan, afstaan, zijn wollen doek, welken hij het dier tegen den kop werpt.

Maar de beer, door het geschreeuw opnieuw getergd, werpt den doek door een ruk met den kop, met verachting van zich, en dringt steeds begeeriger op den weerlooze toe, die reeds den kouden, zwarten snuit aan zijn hand voelt. Nu schijnt hij verloren te zijn; de matroos weet geen raad meer,—daar komt hij op een prachtige gedachte: met zijn lederen gordel de keel van het dier dicht te snoeren. Strak kijkt hij in de meedoogenlooze oogen van het beest—een kort oogenblik van wanhoop treedt in, daar—schrikt de beer door iets wat op zij gebeurt, het volgend oogenblik verwijdert hij zich in volle vaart! Het geschreeuw der kameraden die ter hulpe kwamen, had hem blijkbaar verschrikt, en hij vond het ’t verstandigst het op een loopen te zetten. Kleutzer was als door een wonder gered.

Nog veel erger was een aanval op den astronoom der „Germania” in het begin van Maart.

Tegen negen uur in den avond was Dr. Börgen naar buiten gegaan, om een hemelverschijnsel gade te slaan en te gelijkertijd de meteorologische aanteekeningen op te nemen. Juist op het punt aan land te gaan, ontmoette hij kapitein Koldewey. Die twee spreken nog een oogenblik met elkaar, waarop de een naar het observatorium, de ander naar het schip gaat. Op den terugweg van het observatorium, nog vijftig schreden van het schip verwijderd, hoort Dr. Börgen een geruisch links naast zich en staat hij tegenover een op hem toekomenden beer. De aanval geschiedde zoo plotseling, dat Börgen van het geweer geen gebruik kon maken, ja later niet eens kon zeggen, of de beer zich had opgericht en hem met zijn klauwen op den grond geworpen of omvergeloopen had. Het eerste wat Börgen voelde, wat het indringen van het gebit in de huid van zijn hoofd, dat slechts door een dun lakenschen muts was bedekt. De beer spande zich in, zooals hij dat met zeehonden pleegt te doen, den schedel van zijn slachtoffer te breken, maar zijn tanden gleden er knarsend af. Een luide hulpkreet verjoeg het dier voor een oogenblik, het keerde echter onmiddellijk terug en beet nog verscheiden keeren in het hoofd van Dr. Börgen. Dat het gebit den schedel niet verbrijzelde, was stellig toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het geen volkomen volwassen dier was. De hulpkreet was intusschen door den kapitein vernomen. Hij snelde op het dek, alarmeerde de bemanning en allen snelden den in gevaar verkeerenden makker te hulp. Het geraas dat ontstond, joeg den beer schrik aan, en nu beproefde hij zijn slachtoffer, dat hij aan het hoofd vast had, en dat zich door machtelooze stooten in de ribben van het dier trachtte te weren, in zekerheid te brengen. Daar weerklonk een schot; het dier schrok, liet Börgen los en sprong een paar schreden ter zijde, maar eensklaps greep het zijn arm en daarna zijn hand, die in een bonten handschoen was gehuld. Dit oponthoud maakte het den vervolgers mogelijk te naderen, maar toch zou de beer met zijn buit zijn ontkomen, indien hij tegen den oever was opgeklauterd. Maar hij nam zijn weg langs de kust, waar door de oneffenheid van het ijs zijn snelheid van loopen aanmerkelijk werd vertraagd, terwijl de toesnellenden op het gladde ijs snel dichterbij kwamen. Toch werd Börgen ongeveer driehonderd schreden ver voortgesleept en door den doek, waarvan de beer de einden ook beet had gepakt, werd hij bijna geworgd. Eindelijk liet het ondier los; dadelijk daarop bukte kapitein Koldewey zich met een „Goddank, hij leeft nog!” over het lichaam van den geleerde.

Eenige schreden terzijde stond de beer, blijkbaar nog overleggend, wat hem te doen stond, totdat een kogel hem vertelde, dat het hoog tijd werd zich uit de voeten te maken. Aan het vervolgen van den beer dacht echter niemand, daar de allereerste taak nu was, den gewonde aan boord te brengen; het duurde verscheiden weken, voordat deze van de vele wonden, die de ijsbeer hem had toegebracht, genezen was.

10. TWEEHONDERD DAGEN OP EEN IJSSCHOTS.

Het lot van de „Hansa” waarop kapitein Hedemann het bevel voerde en die in dr. Buchholz en dr. Laube twee wetenschappelijke medewerkers aan boord had, was niet zoo gelukkig als dat van de „Germania”. Ze was door een verkeerd begrepen signaal te ver naar het Westen gezeild, en zat spoedig, nadat zij het hoofdschip uit het gezicht verloren had in het ijs vast, dat langzaam naar het Zuiden dreef. Land te bereiken was onmogelijk en men moest voorbereid zijn op een overwintering tusschen het drijfijs. Met of zonder schip? Dat was de moeielijke vraag, van welker beslissing het lot der geheele bemanning die veertien man sterk was, afhing. Ondenkbaar was het niet, met het ijs verder te drijven en in Februari ongeveer bij IJsland weer vlot te worden. Maar hoeveel Groenlandvaarders van vroegers tijden, die eveneens met hun schepen tusschen het ijs der Groenlandsche kusten waren gedreven, waren daarbij niet te gronde gegaan.

De ijspersingen kwamen steeds meer voor en spoedig moest men zich voorbereiden op het verlies van de „Hansa”.

De booten gaven te weinig beschutting tegen storm, koude en sneeuw; in de allereerste plaats moest er dus voor een goed onderkomen worden gezorgd. Vierhonderd vijftig schreden van het schip verwijderd zocht men een stevig stuk ijs, dat geen gaten had, en oogenschijnlijk niet zoo spoedig door de wrijving met andere ijsvelden zou doorbreken. En hier begon men een huis te bouwen. Bouwsteenen waren de voorhanden zijnde briquetten, een uitnemend bouwmateriaal, dat de vochtigheid opnam en de warmte in de binnenruimte hield. Water en sneeuw was de kalk; hoe sterker het vroor, des te beter vorderde het werk; men behoefde slechts in de voegen en spleten der kolensteenen fijne sneeuw te strooien en daar water op te gieten—in tien minuten was alles tot een vaste massa bevroren. De kap van het dak werd getimmerd uit scheepshout en met zeildoek en matten bedekt en om aan het luchtige dak meer dichtheid en vastheid te geven, werd er nog sneeuw opgeschept. De vloer werd eveneens met briquetten belegd, in het huis, dat 3 October na een arbeid van zeven dagen gereed kwam, werd proviand voor twee maanden gebracht; vooral brood en vleesch, conserven, spek, wat koffie en alcohol, brandhout en kolen. Tegelijkertijd werd het schip zelf voor de mogelijke overwintering ingericht.

Intusschen dreef de „Hansa” steeds meer naar het Zuid-Westen. Een laatste poging om te voet tot het land door te dringen bleek onuitvoerbaar door een waterarm, die parallel met de kust liep.

Den 18den October begon het ijs den strijd met het ingesloten schip. In regelmatige tusschenruimten, als door een gelijkmatigen golfslag in het leven geroepen, begon het persen en schroeven der ijsmassa, het dreunen en knallen, piepen en fluiten onder het ijs. Nu eens klonk het als het knarsen van deuren, dan weer als een verward door elkaar spreken van stemmen, dan weer als het remmen van een trein. Het ijsveld, waarin de „Hansa” lag, had zich onder het drijven omgedraaid en drong het schip nu steeds sterker naar het kustijs. De masten schommelden en het was den stuurman boven op zijn brug vaak, alsof iemand hem naklom.

Dat was slechts het voorspel der gebeurtenissen in de eerstvolgende dagen. Onder storm en sneeuwjachten werden de persingen van het ijs steeds sterker, gaandeweg hieven de ijsmassa’s den voorsteven omhoog, terwijl de achtersteven van het schip ingeklemd bleef en een vreeselijken druk had te weerstaan. Elk oogenblik kon de catastrofe plaats hebben en dan was de eenige toevlucht voor de mannen het kolenhuis op het ijs!

In de grootste haast werd nog alles uit het schip gehaald, dat aan kleedingstukken, bedden, brandstof en proviand diensten kon bewijzen. Toen de persing wat minderde, bleek, dat het schip op een onbereikbare plaats een gat had gekregen.

Het pompen was vergeefs en de „Hansa” begon langzaam te zinken. Wat nog maar van eenige waarde kon zijn, werd gehaald en op het ijs gebracht; de tot nu toe bijeengebrachte wetenschappelijke verzamelingen en fotografische opnamen gingen echter verloren; de masten werden gekapt en met al het takelwerk op het ijs gesleept; daarna werden de touwen losgemaakt, waarmede het ijsanker de „Hansa” nog aan het veld vasthield, opdat de ijsschol zelf niet door het zinkende schip werd verbrijzeld. In het rond lagen in chaotische verwarring de meest verschillende zaken door elkaar, met den dood kampende en van koude bevende ratten, die door het water uit het scheepsruim waren gedreven, liepen er tusschen, en in den nacht van den 21sten op den 22sten October zonk de „Hansa” in de ijzige diepte!

Nu moest men zich eenigszins huiselijk in het kolenhuis inrichten. Het niet luchtdichte dak van zeildoek werd door een planken dak vervangen en om licht en lucht in de zwarte woning te brengen, werden twee klepramen in het dak aangebracht, maar die toch het grootste gedeelte van den dag het lamplicht niet onontbeerlijk maakten. Aan beide zijden van de middengang werden britsen om op te slapen geplaatst en tegen den wand houtvoering aangebracht om het vastvriezen der kussens te beletten. Twee kachels zorgden voor voldoende verwarming. Tegen de met zeildoek bekleede muren werden planken getimmerd, waarop boeken, instrumenten en kookgereedschappen geplaatst konden worden; de scheepskisten dienden voor tafel en banken. De vergulde spiegel uit de kajuit prijkte tegen den zeildoeken wand, daaronder een kostbare barometer en de klok. Het grootste deel van de proviand en brandstof werd van de plaats, waar de „Hansa” was gezonken naar het huis gesleept en daar opgestapeld. Daar de sneeuw spoedig zoo hoog als de muren van het huis kwam, werd een vijf voet breede gang rondom de woning gegraven en met zeildoek gedekt. Dat was de eetkamer. Een voor ongeveer twee maanden dienend deel van de proviand werd in de booten gepakt, die elken dag uit de sneeuw moesten gegraven worden. Een valreeptrap diende om in het huis te komen, dat als een vossehol, ternauwernood met het dak uit de sneeuw stak en om sneeuw en wind van dezen ingang verre te houden, werd er nog een voorhal met een slingerende gang in de sneeuw gegraven, waarvan het dak evenals de voorraadschuren was samengesteld.

Met de vernietiging van de „Hansa” scheen de kracht van het ijs ook uitgeput te zijn, de ijspersingen hielden op en het ijsveld met de vreemde nederzetting dreef langzaam langs de ijskust van Groenland, nu eens dichter, dan weer verder van het land verwijderd, een beweging die stellig haar oorzaak vond in ebbe en vloed. De schilderachtige vormen der Groenlandsche rotsige kusten waren meestal duidelijk te zien, zonder dat er eenige mogelijkheid bestond ze te naderen.

De veertien kolonisten waren natuurlijk spoedig begonnen hun drijvend ijsland te onderzoeken, zooals vroeger Robinson zijn eiland. Het bleek in alle richtingen ongeveer dezelfde doorsnede van ongeveer twee zeemijlen te hebben en had boven het water een hoogte van vijf voet, waaruit volgens de ervaring besloten konden worden, dat de sterkte van het ijs onder het water op meer dan veertig voet geschat kon worden. Overigens bood ze slechts het beeld van een gelijksoortig met sneeuw bedekte, gelijke vlakte en als men zich verwijderde, van het diep in de sneeuw begraven huis, dan verdwenen spoedig alle herkenningsteekenen der nederzetting behalve de donkere punten der beide schoorsteenen, de na elke sneeuwjacht weer opengelegde booten en de mast met de wapperende Noord-Duitsche vlag. Maar een afschrikwekkend woest gezicht leverden echter de randen van het ijsveld, namelijk in het Westen en Noord-Oosten. De wrijvingen en persingen met aandrijvende schollen hadden hier muren opgestapeld tot tien voet hoogte. In den zonneschijn glinsterden de sneeuw-kristallen als millioenen diamanten. Het avond- en morgenrood gaf aan de witte vlakten een vaal-groene kleur. De nachten waren prachtig helder, zoodat men het fijnste schrift zonder moeite kon lezen. Het noorderlicht verscheen bijna elken nacht, dikwijls zoo intensief sterk, dat de glans der sterren verdoofde en de voorwerpen op het ijs schaduwen wierpen.

In deze sprookjesachtige ijswereld ontwikkelde nu het kleine hoopje schipbreukelingen een bedrijvige, geregelde werkzaamheid het eenige middel om zich over het tot wanhoop brengend traag voortsluipen der dagen, weken en maanden heen te helpen. ’s Morgens te zeven uur wekte de laatste nachtwacht de kameraden, die zich snel in hun wollen kleederen wierpen, met gesmolten sneeuwwater waschten en hun ochtendkoffie met scheepsbeschuit gebruikten. Dan ging ieder aan zijn bezigheden, het maken van allerlei nog ontbrekende nuttige voorwerpen, het naaien van zeilen, het kloven van hout, herstellen van kleeren, het dagboek bijhouden en lectuur. Bij heldere lucht werden astronomische waarnemingen gedaan en de noodige schriftelijke berekeningen gemaakt. Te één uur werd er gemiddagmaald, het hoofdbestanddeel was een krachtige vleeschsoep en de rijkelijk voorhanden zijnde conserven zorgden telkens voor afwisseling der bijgerechten. Gezouten vleesch en spek werden weinig gegeten; het spek der gevangen walvisch waarop de mannen dikwijls jacht maakten, werd meestal slechts als brandstof gebruikt. Nu en dan leverde een nieuwsgierige ijsbeer kostelijk gebraad in de keuken. Met spiritualiën werd zeer spaarzaam omgegaan, slechts op den Zondag gunde men zich een glas sterken portwijn. De gezondheidstoestand der manschappen bleef dan ook gewoon goed.

Zonder ernstige gevaren ging December 1869 voorbij. Het Kerstfeest werd volgens het gebruik in het vaderland feestelijk gevierd, de matrozen hadden uit dennenhout en berkenrijs een kunstige kerstboom opgericht, en den kapitein zelfs verrast met eigen vervaardigde geschenken. Eveneens werd oudejaarsavond met geweersalvo’s en vroolijke punch doorgebracht, en als ooit gelukwenschen bij het nieuwe jaar met klinkende glazen diepernstig worden gemeend, dan was het hier in den helderen poolnacht op de drijvende ijsschots der Duitsche Hansavaarders.

Met een ontzettend stormweer, zette het jaar 1870 den tweeden Januari in. Reeds in den ochtend van dien dag meenden de kapitein en de officieren een eigenaardig geraas te hooren, alsof iemand met den voet langs den grond krabde.

Toen ’s middags de manschappen zich hadden neergelegd voor de middagrust, klonk hetzelfde geruisch, maar veel sterker. Het was een krabben, stommelen, knetteren, een zagen, steunen en knarsen, alsof griezelige geesten onder de ijsschots aan het razen waren. Opgeschrikt sprongen allen op en stormden naar buiten; zeker was de plaats met proviand rondom het huis ingestort. Maar er was niets te ontdekken en buiten kon men in den sneeuwstorm geen tien pas ver zien. Maar tusschen het woeden van den storm, steeds dit schuiven en kraken van het ijs, en als men het oor op den grond legde was het alsof water onder de schollen vloeide. Er was geen twijfel aan: het ijsveld begon te barsten of aan de kanten af te brokkelen en één oogenblik kon over het leven en den dood der veertien menschen beslissen!

In dezen ontzettenden toestand brachten de in sneeuw en ijs begravenen twee eindelooze dagen door. Toen de storm was uitgewoed, en in den morgen van den vierden Januari de lucht weer helder was, zagen de kolonisten met ontzetting, dat de vorm van hun ijseiland veranderd was, en de doorsnede nu hoogstens één zeemijl bedroeg! Het kolenhuis lag naar drie kanten slechts tweehonderd schreden van den rand van de schots verwijderd, naar den vierden kant nog duizend schreden, tegen drieduizend vroeger. Daarbij waren de randen van het ijsveld zoo met brokken ijs bedekt en vol gewaaid met sneeuw, dat aan een halen der booten en aan redding naar de nabijzijnde kust niet viel te denken. De Hansamannen waren en bleven de gevangenen van het onverbiddelijke ijs! Den 11den Januari stormde ’s morgens vroeg de matroos van de wacht met den alarmkreet: „alle man gereed” het huis binnen; een onbeschrijfelijk gevaar woedde in de naaste omgeving. Opnieuw begon het ijsveld aan alle kanten af te brokkelen; ongeveer vijf en twintig schreden van het huis verwijderd gaapte eensklaps een ijsspleet, het afgebrokkelde stuk verhief zich huizenhoog en dreef met het opgestapelde brandhout naar de woedende zee. De weer kleiner geworden ijsschol met het kolenhuis verhief zich en daalde weer omlaag, en weer scheen het laatste uur der kolonisten te zijn geslagen. Zij namen afscheid van elkaar en verdeelden zich bij twee hunner booten in twee groepen. Zoo stonden zij en hurkten zij neer gedurende een ganschen dag, voorbereid op de laatste ramp. Maar als door een wonder hield juist dat deel der ijsschots, waarop zij zich hadden neergezet nog stand. ’s Avonds legden zij zich eenigszins gerustgesteld in het huis neer, maar omstreeks middernacht schrok weer een angstige kreet de slapers op. Zij gunden zich den tijd niet eerst door de lange sneeuwgang te loopen, maar stieten het dak door en klauterden zoo naar buiten. Vlak naast het huis verhief zich een kolom van reusachtige hoogte—slechts enkele oogenblikken. Toen klonk de geruststellende stem van den kapitein: „Het is voorbij!”

Of het werkelijk een ijsberg was, of maar een luchtspiegeling of misschien de hooge kust, was door de snelheid, waarmede het griezelige spooksel verdween, niet uit te maken.

Maar den 14den Januari werd, door het plotseling openen van een spleet in het ijs, het kolenhuis zelf vernield en de mannen moesten zich in de booten redden! Uit de puinhoopen werd een kleiner woonhuis gebouwd, waarvan het dak den eersten nacht reeds door den storm werd weggewaaid. Er was slechts plaats in voor zes man, de overigen moesten een onderdak in de booten vinden. Volgens het getuigenis van den kapitein, hield de dappere Duitsche schaar zich in die dagen van schrik, toen de dood achter elk ijsblok grijnsde, voorbeeldig, en de eenige vreemdeling onder hen, de Hollandsche kok, behield zelfs zijn drogen zeemanshumor in de angstigste oogenblikken. In al die dagen, toen de schemerachtige koude ochtenduren bij storm en sneeuwjacht steeds nieuwe tooneelen van verwoesting in het rond onthulden, wist hij toch zijn kameraden, alsof er niets gebeurd was, de morgenkoffie klaar te maken, en toen de instorting van het huis hem juist verraste, terwijl hij met de reparatie van zijn ketel bezig was, zeide hij: „Als de ijsschol nu maar zoolang wilde stand houden, totdat ik met mijn ketel klaar ben! Ik wilde nog thee voor den avond klaar maken, opdat wij „voor de afreis” nog wat warms hebben!”

De geweldige ijspersingen in Januari kwamen voornamelijk daardoor, dat de schol met de schipbreukelingen in dien tijd tusschen IJsland en Groenland doordreef, waar de ijsmassa’s, vooral door het veelvuldig vooruitspringen der Groenlandsche kust in talrijke kapen steil op elkaar schoven. Zoodra zij Kaap Dan voorbij waren gedreven, waar de kust van Groenland naar het Westen terugwijkt en in het Oosten de grens van IJsland wegvalt, houdt de ijsopstopperij op en de scènes aan de golf „der Verschrikking”—zoo werd de golf genoemd, waarin den 4den Januari de Hansaschol geheel dreigde te barsten—herhaalden zich niet meer. Maar naast de elken dag dreigende ijsbergen, verhief zich nu een nieuw gevaar. Reeds in Februari begon de zon merkbaar haar invloed uit te oefenen; den 17den April steeg de thermometer tot tien graden warmte! Begin Mei stroomde hevige regen neer en de hut der schipbreukelingen, die vroeger in het dal had gestaan, lag nu na het smelten van de sneeuw op een heuvel.