Chapter 5 of 24 · 3989 words · ~20 min read

Part 5

Daar vertoonde zich den 7en Mei rondom de schots naar alle kanten water, en het oogenblik der verlossing uit de ijzige gevangenschap scheen gekomen. Nadat de kapitein den geheelen ochtend ijs en weer had gadegeslagen, werden de booten na het eten in koortsachtige haast geledigd en over den rand der schol geschoven, daarna weer geladen en na drie uur was alles „gereed”. Nog een laatsten dankbaren blik op het getrouwe ijseiland geworpen, dat de Hansamannen tweehonderd dagen lang door alle gevaar gelukkig heen had gedragen en na een driewerf hoera gingen de drie booten te 4 uur in den namiddag onder zeil. ’s Nachts werden ze weer op het ijs gehaald, wat telkens groote inspanning kostte; en zoo naderden zij tot op anderhalve zeemijl het land. Maar hier had het kustijs zich tot een ondoordringbare massa samengeschoven, en verscheiden dagen moest er op het ijs worden gebivouakeerd. Met den verrekijker konden zij reeds op het land de beken van de steile hellingen omlaag zien storten, en frisch water stond overal op de schollen; op zekeren dag zoemde zelfs een vroolijke vlieg rondom het zeil. Het bedenkelijk minderen van de proviand dwong de bemanning nu, het kostte wat het wilde, de kust te bereiken, en onder onnoemelijke inspanning en onophoudelijke stortregens, die alle nachtrust beletten, werden de booten voetje voor voetje door het labyrint van ijs geschoven, naar het drie mijlen verwijderde eiland Illuilek. De maaltijden bestonden ’s morgens en ’s avonds nog maar uit een vierde pond brood en een klein stuk spek en het opraken van den voorraad spiritus, maakte het bereiden van warme dranken spoedig onmogelijk, nu er geen zeehonden meer werden aangetroffen met hun brandbaar spek. Daarbij droomden de mannen in enkele uren van onrustigen slaap van prachtige maaltijden en voelden dan bij het ontwaken de leegte van hun maag des te kwellender.

Den 4den Juni gelukte het eindelijk het eiland te bereiken. Vier weken waren verstreken sinds het verlaten der ijsschol, en de proviand zou nu nog slechts voor ten hoogste veertien dagen toereikend zijn. Het eiland was echter niets dan een rotseiland, en vertoonde geen spoor van vegetatie, er nestelden slechts enkele meeuwen en alken!

Den 7den Juni landde de bemanning der „Hansa” eindelijk aan de kust van het vasteland van Groenland en konden de mannen hier tenminste eens grondig uitrusten, zonder het voortdurende gevaar van het opdringende ijs. En na een zesdaagsche zeilvaart kris en kras door de klippen en fjorden der kust, bereikten de drie booten den 13den Juni gelukkig de kolonie Frederickstal aan de westkust, waar zij in het daar aanwezige zendingshuis werden opgenomen en voortreffelijk verpleegd. In Julianahaab troffen zij een Deensch schip en den 26sten Juli lichtten de geredden het anker voor de huisreis.

Den 1sten September 1870 kwamen zij te Kopenhagen aan, en de berichten van den zegevierenden strijd van Duitschland tegen den Franschen erfvijand ontvingen zij, die aan het leven waren teruggeschonken! Denzelfden dag waarop het bericht van den slag bij Sedan de wereld doortrok, betraden zij te Sleeswijk voor het eerst weer den Duitschen bodem, en kwamen Hamburg binnen, juist toen de stad ter eere der overwinning in schitterende verlichting straalde! Zoo waren veertien dappere mannen aan hun roemrijk vaderland terug gegeven na een zwerftocht in het poolijs, rijk aan avonturen en heldendaden.

11. EEN GORDON-BENNETTVAART NAAR DE NOORDPOOL.

Het was de Amerikaansche dagbladondernemer, Gordon-Bennett, wiens naam destijds in aller mond was door den door hem uitgeschreven grooten prijs voor de wedstrijden in automobiel en luchtballon, die eens Stanley naar Afrika heeft gezonden om den verdwenen zendeling Livingstone op te zoeken. Naast het onderzoek van tropisch Afrika, waarvoor hij groote sommen beschikbaar stelde, beproefde hij echter ook de verovering van de Noordpool. Hij had de geschiedenis der Noordpoolreizen bestudeerd en daarbij was hem opgevallen, dat verscheiden schepen, die van den Atlantischen Oceaan naar het Noorden voeren, in een zeestrooming geraakten, die met drijfijs was bedekt en waardoor zij naar het Zuiden werden teruggedrongen. Als dus een schip door de Beringhstraat tusschen Azië en Amerika doorging, moest het nut trekken van deze strooming en kon misschien juist door deze, langs de Noordpool naar de andere zijde van den Oceaan worden gedreven.

Gordon-Bennett kocht dus een schip, dat reeds vroeger dienst gedaan had bij het zoeken naar Franklin. Het kreeg te New-York den naam van „Jeannette” en bij den doop was ook Stanley tegenwoordig, die juist van zijn tweede Afrikareis was teruggekeerd. De „Jeannette” zeilde geheel Amerika om en deed San Francisco aan, om daar haar uitrusting te voltooien. Er werd voor drie jaar proviand ingescheept. De kapitein en leider der expeditie was De Long, de eerste machinist heette Melville, de arts dr. Ambler. Daar kwamen nog vijf andere officieren bij; de bemanning bestond uit vier en twintig man; daaronder bevonden zich twee Indianen, bekwame jagers, en twee Chineezen ter verzorging der keuken. De geheele onderneming kostte 1.080.000 gulden.

De Long kreeg van Bennett drie gewichtige opdrachten mede. Ten eerste moest hij de Noordpool bereiken; bovendien de Noord-West-doorvaart zoeken, in tegenovergestelde richting van de „Vega”. Van het gelukken der Zweedsche expeditie wist men toen nog niets; de „Vega” was sedert een jaar weg en men had nog geen bericht van die expeditie gekregen. Indien het noodig was, zou De Long haar derhalve hulp brengen.

Den 8sten Juli 1879 ging de „Jeannette” in zee. Een geheele vloot stoombooten en jachten deed haar uitgeleide. Mevrouw De Long ging ook mede, totdat men in open zee was. Daar zeiden de beide echtgenooten elkaar voor het laatst vaarwel en de dappere vrouw bleef zoolang bij de borstwering van haar schip staan, als er nog iets van de rookkolommen van het poolschip was te zien. Een afscheid voor eeuwig!

De zee stond bol toen de „Jeannette” in open zee kwam, en toen de klok voor het middageten luidde, begaven zich maar weinigen naar de eetzaal. De meesten lagen liever in de hut, terwijl het stampende schip als een meeuw op de golven schommelde. Zelfs geharde zeelieden moesten den zeegod rijkelijk schatting betalen.

Op witte vleugelen zweefden de stormvogels rondom het schip en daalden nu en dan op de golven neer, als afval over boord werd geworpen. Eenigen werden gevangen; zij fladderden, sloegen met de vleugels en konden zich niet meer van het schip opheffen, omdat de harde, gelijke grond hun geen lucht genoeg bood. Vreemd genoeg werden ook zij zeeziek; ofschoon ze hun leven boven de golven doorbrachten en zoo dikwijls op de golven wiegden, konden zij het schommelen van het schip niet verdragen, maar keerden letterlijk hun maag om. Bovendien zaten zij vol ongedierte, ofschoon de zoutachtige, reine zee hun tehuis was.

De Chinees werd onder de passagiers het ergste ziek. Dr. Ambler moest al zijn kennis aanwenden om hem in het leven te behouden: in de eerst volgende haven werd hij op een ander schip weer teruggezonden.

De dagen vervolgden rustig hun loop. Men deed waarnemingen en begon met het verzamelen van de bewoners der zee. ’s Avonds werd muziek gemaakt op een piano en ’s Zondags leidde De Long een godsdienstoefening op het achterdek. De zee was kalmer geworden en ver in het Oosten moest de kust van Canada reeds liggen. Om kolen te sparen vertrouwde de „Jeannette” zich zoo veel mogelijk aan haar zeilen toe; het duurde daarom lang, voordat zij door de eilandenketen der Aleoeten de Behringstraat inliep.

Op de kust van Alaska werden Eskimohonden aan boord genomen; maar negen er van werden dadelijk door hun makkers opgegeten en moesten door nieuwe worden vervangen. De twee Indianen waren meegenomen voor de verzorging der honden en voor de jacht. Het hondenhok was op het voordek en daar heerschte voortdurend een helsch geraas, dat maar een korten tijd minder werd als een der Indianen zijn zweep op het gezelschap liet neersuizen.

Op het eiland St. Lorenz vernam De Long, dat de „Vega” drie maanden geleden gelukkig daar was aangekomen en in zuidelijke richting was gegaan. Een oude Tschiektsch, die zelf aan boord van de „Vega” was geweest, gaf uitvoerig verslag over het winterkwartier van het Zweedsche schip. Om zich van de juistheid der verklaringen te overtuigen, zeilde De Long naar de plaats van het winterkwartier en liet zich daar elke mededeeling door de daar wonende Tschiektschen bevestigen. Er viel dus niet meer te twijfelen aan den gelukkigen uitslag der Vega-expeditie. Twee van zijn eigen opdrachten waren hiermede volbracht: de Noord-Oost-doorvaart was gevonden en de mannen van de „Vega” hadden zijn hulp niet noodig. Nu bleef hem nog slechts over de Noordpool te bereiken.

Van San Francisco was een tweede schip naar de Behringstraat gevaren, om kolen en proviand van de „Jeannette”, weer aan te vullen. Daarna werd de „Jeannette” nog maar eens gezien en wel door een Amerikaanschen walvischvaarder; deze vertelde, dat de Poolzee vol drijfijs was geweest en de „Jeannette” zeker spoedig in het ijs was blijven steken. De walvischvaarders, die dat jaar het laatst terugkeerden, hadden het schip niet meer gezien en spoedig begon men er zich ongerust over te maken. Maar pas na bijna twee jaar, in 1881, werden vijf hulp-expedities uitgezonden: naar de Noordkust van Alaska, naar Noord-Groenland, naar Frans-Jozef-land en andere deelen van de noordelijke IJszee en de Russische regeering werd verzocht alle Siberische zeelieden bevel te geven, dat zij naar het schip zouden rondzien, en in geval van nood hulp moesten bieden.

12. DE ONDERGANG DER „JEANNETTE”.

Intusschen was de „Jeanette” reeds in het begin van September 1879 in dicht ijs geraakt, en daar zij geen duimbreed meer verder kon, werd het schip aan een veld drijfijs voor anker gelegd en de vuren onder de stoomketels werden uitgedoofd. Den volgenden morgen was ze reeds aan alle kanten ingesloten en gevangen—een en twintig maanden lang! De zeelieden namen het lot kalm op en hoopten, dat het ijs zich spoedig in beweging zou zetten. Op de bevroren zoetwaterplassen, die zich op de ijsschollen vormden, reden de manschappen schaatsen; de een hield zich bezig met lezen, de ander ging op de jacht. Twee walrussen en eenige ijsberen werden neergeschoten. Toen een der Indianen zijn eerste walrus had gedood, stak hij zijn arm in den muil van het nog niet koud geworden dier, trok er hem weer met bloed bedekt uit, en bestreek toen zijn voorhoofd eerst met bloed, daarna met sneeuw; dit, had zijn vader hem verzekerd, bezorgde hem geluk op de jacht.

Spoedig bemerkte men door waarneming van den hemel, dat het schip slechts schijnbaar stil lag in het ijs. Een onregelmatige strooming der zee dreef het geheele ijsveld noord-westelijk. Indien het slechts wat sneller was gegaan, zou men niet gemakkelijker het poolijs door hebben kunnen varen! Maar het ging wanhopig langzaam. Dikwijls dreef het ijsveld in kromme lijnen en cirkels en van het Wrangeleiland naar de slechts ongeveer duizend meter verwijderde groep der Nieuw-Siberische eilanden had men bijna twee jaar noodig!

Zonder gevaar was deze gevangenis der „Jeannette” volstrekt niet. Het ijs perste ontzaglijk. Het roer werd weggenomen maar de schroef liet men nog zitten en de dreigende ijsblokken in de nabijheid er van werden weggeslagen en weggezaagd. De instrumenten werden op een afstand van eenige honderden meters op het ijs ondergebracht, waar een observatorium werd gebouwd, dat met het schip in telefonische verbinding stond. De „Jeannette” lag tusschen twee meter dik ijs, maar daar hier en daar de ijsvelden, door de ontzaglijke persing op elkaar waren geschoven, bedroeg de dikte van het ijs op enkele plaatsen tot zes meter. Bij zulke opschuivingen der ijsmassa’s dreunde het rondom de „Jeannette” als donder en de grootste voorzichtigheid was noodig.

Tot dusverre had men gedacht, dat het eiland Wrangel zich noordelijk naar de Pool als een tweede Groenland uitstrekt. De drift van de „Jeannette” toonde echter, dat het eiland tamelijk klein was en rondom de kusten de zee nog grootendeels open was.

Zeehonden en walrussen kwamen hier in grooten getale voor, maar men ontmoette slechts twee witte walvisschen.

In het begin van November werd het kraken van het ijs, dat onophoudelijk van positie veranderde, hoogst beangstigend. De honden huilden van schrik, noch zij noch hun meesters hadden ooit zulk een geraas gehoord. Soms scheidden de ijsschollen zich en dan dreef de „Jeannette” een korten tijd op het water. Spleten en gleuven openden zich hier en ginds en gedurende eenige dagen verkeerde de bemanning van het schip in zulk een opwinding, dat ze er ternauwernood toe konden komen thee te drinken.

Den 10den November begon de winternacht van drie maanden, een tijd van rust, dien men eenigszins gezellig inrichtte. Te zeven uur ’s morgens klonk de reveille, dan werd het vuur aangemaakt. Te negen uur werd het ontbijt gebruikt en van elf tot een uur moesten allen op de jacht gaan om beweging te nemen. Te drie uur werd er voor het middagmaal geluid, daarna liet men het keukenvuur uitgaan om kolen te sparen. Te acht uur was er thee en koude keuken, daarna ging men slapen. Het menu bracht tamelijk veel afwisseling: tweemaal in de week was er gebraden ijsberen- en robbenvleesch. Wijn werd slechts bij feestelijke gelegenheden gedronken.

Met Kerstmis verschenen de manschappen in groot tenue aan den bak om de officieren geluk te wenschen en werden door hen aan het middageten genoodigd. De avond werd gevierd met de opvoering van een tooneelstuk en verder hield men de manschappen bezig met voordrachten, precies als op de „Vega”.

In Januari 1880 was de „Jeannette” aan zulke ontzettende ijspersingen blootgesteld, dat ze lek werd. Waar het lek was, wist men niet, maar in het voorruim kwam het water zoo hoog, dat de pompen in werking gebracht moesten worden. Van toen af werkten ze volle achttien maanden!

Begin Februari werd een witte vos geschoten. Wat ter wereld had die hier buiten te zoeken? Het eiland Wrangel was nog steeds een groot eind verwijderd. Meester Reintje had misschien de honden gespeurd, en zich naar hier laten lokken. Op een anderen keer beproefde een ijsbeer een bezoek aan boord te brengen; ontvangen door de woedende honden, maakte hij volstrekt niet, dat hij wegkwam, maar joeg zijn tegenstanders op de vlucht. Het dappere dier had wel een beter lot verdiend, dan in kleine porties op de tafel der „Jeannette” te verschijnen.

Toen de zon, door stormachtig gejubel begroet, terugkeerde, waren de gevangenen verbaasd te zien hoe bleek en grauwgeel zij er uitzagen. De koude daalde tot bijna vijftig graden; het was hier dus nog vier graden kouder dan in het winterkwartier van de „Vega”.

In Mei vertoonde zich nu en dan een meeuw, ook soms een verdwaalde eidergans of een wilde eend. Gedurende den zomer was het heerlijk weer. De honden vonden den voortdurenden zonneschijn zelfs hinderlijk warm en lagen hijgend aan de schaduwzijde van het dek.

Zoo dreef de „Jeannette” van maand tot maand in haar ijsveld steeds verder naar het Noorden, en indien zij stand had kunnen houden tegen het ijs, dan was zij zeker de Noordpool voorbij of althans in haar nabijheid gekomen! De waarnemingen der zeelieden schenen aan te toonen, dat de geheele Poolzee met een mantel drijfijs bedekt was, dat, althans in de nabijheid der Siberische kusten, langzaam den tegenovergestelden weg van den wijzer eener klok aflegde, namelijk van het Oosten over het Noorden naar het Westen.

Daarna begon de tweede nacht, die drie maanden duurde. De gezondheid der gevangenen leed meer dan in den eersten winter. Teekenen van scheurbuik, de vernielende ziekte der poolstreken, waaraan reeds zooveel menschenlevens ten offer waren gevallen, vertoonden zich en de scheepsdokter had handen vol werk.

Den 18den Mei zag de loods van zijn uitkijk aan den top van den grootsten mast, in het Zuidwesten, waar tot nu toe nog geen land bekend was, een kust. Het was slechts een klein eiland; het kreeg voor goed den naam van het in het ijs gevangen gehouden schip. Eenige dagen later kwam weer een eiland in het zicht, waar de „Jeannette” langzaam voorbij ging. In het begin van Juni openden zich rondom het schip gapende spleten in het ijs. Den avond van den 10den werden heftige stooten gevoeld en gedurende de uren van den zonhelderen Juni-nacht barstten de ijsvelden overal in het rond, alom vertoonden zich groote watervlakten, en de „Jeannette” was bijna vlot. Het roer werd weer aangezet, onder den stoomketel het vuur gestookt, en men verheugde zich in de hoop eindelijk weer uit het pak-ijs te komen.

Met het vlot worden van de „Jeannette” eindigt het logboek van kapitein De Long, maar in zijn dagboek vervolgt hij het verslag. De „Jeannette” kwam den 11den Juni in den voormiddag geheel vrij van ijs en allen waren vervuld van een gevoel, alsof het schip zoo juist van stapel was geloopen! De geheele bemanning stormde uit de kajuiten naar het dek en jubelde over het kristalheldere, blauwe bekken, waarin de „Jeannette” zwom.

Men ging voor anker liggen in de verwachting van een vaarwater, dat zich zou openen. Maar men wachtte vergeefs! Weer schoof het ijs aan alle kanten te zamen en den 12den Juni zat het schip erger dan ooit in het ijs bekneld. Het weer was prachtig. Toen men weer eenigszins van het persen van het ijs was bekomen, ging een deel der bemanning op jacht en gedurende hun afwezigheid begon het persen van het ijs opnieuw. Het vlaggesignaal van De Long riep allen terug aan boord en toen de laatste jager, een Indiaan, hijgend aankwam met een zeehond op den schouder, dien hij had geveld, perste het ijs reeds zoo, dat het schip overhelde. Allen verkeerden in de grootste opwinding. Zonder eenigen twijfel moest de „Jeannette” als glas tot splinters gaan, als het ijs met al zijn kracht verder perste en het drong stormachtig nader. Het schip streed zijn doodstrijd; het werd zoo samengedrukt, dat het dek zich als een golf verhief en de trap naar de commandobrug instortte. De machinist verliet eveneens zijn post met den kreet van schrik: „Het ijs dringt in het kolenruim”.

Daarna hoorde men nog slechts het water alle lekken binnen stroomen. Officieren en manschappen werkten als galeislaven. De Long deelde zijn bevelen uit vanaf de commandobrug, de matrozen stonden halverwege in het water en reikten elkaar kisten met proviand toe. Maar toen het water onder het dek steeds hooger kwam, moesten zij hun plaats verlaten. Sleden, booten en een voorraad levensmiddelen had men reeds geruimen tijd te voren op een veilige plaats van het schip verwijderd, gereed gehouden. Nu moest nog slechts gered worden, wat op de een of andere wijze geborgen kon worden. Officieren en manschappen hadden hun eigendommen bij elkaar gepakt en het werd hoog tijd, deze te halen, want het water stond reeds in de kajuiten en salons. Op den bezaansmast werd de vlag geheschen—voor den ondergang.

Wat gered was, werd naar het kamp gedragen, waar de tenten opgeslagen waren. Intusschen drong en drong het ijs het schip sterk naar stuurboordzijde; het was reeds tot boven toe vol water en werd nog slechts door den druk van het ijs gehouden.

De laatste manschappen waren van het dek gesprongen, dat langzaam door het water werd overstroomd; nu verliet ook de kapitein, als allerlaatste, de commandobrug van zijn zinkend schip! Den 13den Juni te drie uur in den morgen stond de geheele scheepsromp onder water, de schoorsteenen verdwenen in de golven, de masten staken nog alleen omhoog. Knallend versplinterden de raas tegen de ijskanten en ten slotte gaapte een wak, als een graf; nog slechts enkele boeien en planken dreven rond. De bemanning der „Jeannette” stond zoo stil en zwijgend als bij een begrafenis, de honden huilden klagend. Daarna schoof langzaam een ijsschots over het wak, als een ijzeren deksel van een crematorium!

Zwijgend gingen de mannen naar het kamp, waar alles dooreen lag opgestapeld. Er waren levensmiddelen voorhanden voor twee à drie maanden: vleesch, brood, suiker, thee, chocolade, vleeschextract. Zij hadden verscheiden geweren en twee duizend patronen. Twee sloepen, en een walvischboot, sleden en tenten waren eveneens gered.

Verlaten en woest lag in het rond het ijslandschap. Geen spoor meer van het schip, dat zoolang het tehuis der mannen was geweest. Zij voelden zich als arme sukkels, die door den kwaden huisbaas op straat waren gezet. De ongeluksdag was een Zondag; op den gewonen tijd riep De Long de zijnen bijeen voor de godsdienstoefening.

Daarna werd het kamp in orde gebracht en de tenten geriefelijk en warm ingericht. De Nieuw-Siberische eilanden waren zoo nabij, en over de zee zou men zonder al te groote moeilijkheden de Lenadelta aan de Siberische kust kunnen bereiken. ’s Avonds zongen de matrozen bij de klanken der harmonica.

De Long gaf zijn mannen zes dagen den tijd om zich gereed te maken voor het opbreken. De booten werden op de grootste sleden vastgesnoerd en met tenten, kisten proviand en de overige bagage gevuld. Logboeken, aanteekeningen en kaarten verloor de kapitein niet uit het oog. Niemand mocht overbodige en al te zware zaken medenemen; elk pak mocht niet meer bevatten dan twee vilten dekens, twee paar kousen, ondergoed, wanten, twee mutsen, schoenen om te verwisselen, een sneeuwbril, een pak tabak met een pijp en lucifers en enkele kleinigheden. Toen alles tot den afmarsch gereed was, telde men 28 man en 23 honden.

13. DOOR DE IJSWOESTIJN.

Onder aanvoering van den ijsloods, die vooruitging om den besten weg met zwarte vaantjes af te steken, begon de tocht door de ijswoestijn nu. Er werd gedurende de nachtelijke uren geloopen, te middernacht werd halt gehouden om te eten; de zon stond dag en nacht aan den hemel. De sleden waren zwaar en de onderstukken raakten vast in de diepe sneeuw. Men moest daarom elk eind verscheiden keeren afleggen om al de bagage gaandeweg verder te krijgen. Ontelbaar waren de oponthouden en de onderbrekingen van den marsch, daar maar al te dikwijls breede spleten en open watersleuven hun weg kruisten. Elke sleuf moest op ijsvlotten herhaaldelijk worden afgelegd, om de eene slede na de andere er over te brengen. Het gesmolten water op het ijs kwam de mannen tot aan de knie. Daarbij was de gloed der zon om te stikken, allen liepen in hemdsmouwen en het dampte rondom elken man, die hier om het leven streed. De honden trokken de kleine sleden: indien men geen wild vond, dan werden zij met geconserveerd vleesch gevoerd. Nadat de mannen tot bezwijkens toe een week lang hadden gewerkt, bleek het, dat het ijsveld waarop ze liepen, driemaal zoo veel zuid-waarts was gedreven, dan zij meenden naar het Zuiden te zijn gedrongen! Inplaats dichter bij te komen, verwijderden zij zich steeds meer van het doel! Daar dit ontzettend feit vernietigend op al de mannen zou hebben gewerkt, vertrouwde De Long het slechts aan de officieren toe.

Voortgezet moest de marsch in elk geval worden en weer zocht men wat gemist kon worden uit de bagage. Nu gold het voor alle dingen open water te bereiken.

Midden Juli klaarde de droeve positie der reizigers op. Twee robben, een walrus en een ijsbeer werden geveld; dus voor eenigen tijd versch vleesch genoeg en ook de honden smulden aan de beenderen. Maar nog hoopvoller was, dat zich eindelijk in het Zuid-Westen land vertoonde. Na oneindige moeilijkheden bereikte men door een nevel, die elk uitzicht benam, een eiland, dat den naam Gordon Bennett kreeg. Een vlag werd geheschen, en een driewerf hoera weerklonk.

Op het Bennett-eiland werd eenige dagen gerust. Daar men nu per boot verder zou gaan, had er een nieuw onderzoek van al de bagage plaats. Ook de sleden werden vernietigd en daar de honden dientengevolge onnutte ballast waren, werden zij die het minst waard waren, dood geschoten. Twaalf werden mede in de booten genomen, zij verzetten zich echter tegen de zeevaart en verkozen op de ijsschollen te springen, op welke de een na den ander weggedreven werd! Maar twee volgden hun meester—tot het einde.

Bij het verlaten van het eiland verdeelden zich de officieren en manschappen, levensmiddelen en uitrusting in drie booten. Die van den kapitein was zes meter lang, had mast, zeil en roer en nam veertien man op, onder wie Dr. Ambler, de physicus Collins, de matrozen Nindermann, Noros en Erikson, een Indiaan en een Chinees.