Part 20
„Toen ik mij nog het diepst terneergeslagen voelde, naderde de barmhartige Samaritaan reeds! Op zekeren morgen kwam Soesi haastig aanloopen en riep buiten adem: „Een Engelschman! Ik zie hem!” Met deze woorden maakte hij weer rechtsomkeert om den vreemdeling tegemoet te snellen.
„Een Amerikaansche vlag aan het hoofd der karavaan gaf te kennen van welk land zij waren, die daar naderden. Balen van koopwaren, tenten, kookgereedschap, suiker, badkuipen enz. werden meegevoerd, en ik moest onwillekeurig denken: „dat moet een rijk heer zijn, niet zoo’n arme drommel als ik ben.””
56. HOE STANLEY LIVINGSTONE VOND.
Terwijl Livingstone nu voor zijn hut staat, de oogen met de hand beschuttend en de Amerikaansche vlag bekijkend, die van den naasten heuvel, wapperend in den wind nadert, willen wij hooren wat er intusschen in Europa is gebeurd.
Een jong journalist Henry Morton Stanley genaamd, in dienst van het groote dagblad „The New York Herald” wiens eigenaar de Amerikaansche millionnair Gordon Bennett was, bevond zich in 1869 in Madrid. Op zekeren morgen wekte zijn bediende hem met een telegram, dat slechts de woorden bevatte: „Kom voor een gewichtige aangelegenheid naar Parijs, Gordon Bennett.”
Met den eersten trein ging Stanley naar Parijs en haastte zich naar het hotel van Bennett. Deze ontving hem met de vraag:
„Waar denkt gij dat Livingstone nu zal zijn?”
„Dat weet ik werkelijk niet,” antwoordde Stanley.
„Gelooft ge dat hij nog leeft?”
„Misschien—maar misschien ook niet.”
„Ik geloof dat hij leeft,” zeide Bennett, „en gij moet hem zoeken.”
„Wat,” riep Stanley, „ik moet naar Afrika?”
„Ja, ik zou willen dat gij daarheen ging en Livingstone opzocht. Misschien lijdt de oude man gebrek; neem dus alles mee wat hij zou kunnen gebruiken. Handel geheel naar eigen goedvinden, maar—vind Livingstone!”
Stanley bracht nog alleen in het midden: „Zulk een reis kost geld.” Maar Bennett antwoordde hem: „Laat f 12000 van de bank halen, en als gij die hebt uitgegeven neemt gij weer f 12000 op en zoo verder, zoo lang als het noodig is, maar—vind Livingstone!”
„Goed,” zeide Stanley. „Ik zal met Gods hulp doen wat ik kan.”
En zoo ging het dan naar Afrika. Stanley had van Gordon Bennett nog eenige andere opdrachten ontvangen, die hij onderweg ten uitvoer moest brengen. Hij reisde den Nijl op, bezocht Jeruzalem, ging naar Trapezund en Teheran en dwars door Perzië naar Boesjir, langs denzelfden weg dien de lezers van het eerste deel bekend is, en bereikte pas begin Januari 1871 Zanzibar.
Hier maakte hij allereerst grondige voorbereidselen voor de reis naar de binnenlanden. Hij had van Afrika slechts Abessinië leeren kennen en was nooit in de binnenlanden van het zwarte werelddeel geweest, maar als verstandig en moedig man stelde hij zich van al het wetenswaardige op de hoogte en gelijk een speurhond was hij niet van zijn plan af te brengen. Hij kocht zooveel stoffen, dat honderd man zich daarmede twee jaren lang zouden kunnen kleeden. Kralen, metaaldraad en andere voorwerpen van welke de zwarten houden, verder zadels en tenten, geweren en patronen, een boot, geneesmiddelen, werktuigen, proviand en ezels. Twee Engelsche zeelieden sloten zich bij de expeditie aan, maar beiden stierven in het koortsland. Zwarte dragers werden gehuurd en twintig man, die Stanley zijn soldaten noemde, werden van geweren voorzien. De groote bagage werd op booten geladen en onder zeil ging het van Zanzibar naar het Afrikaansche vasteland. Te Bagamoyo werd de laatste hand aan de uitrusting gelegd, en nu moest er haast gemaakt worden om den marsch nog voor den regentijd te kunnen beginnen.
In twee afdeelingen, te zamen honderd twee-en-negentig man, trok de groote en rijke karavaan naar het Westen. Leider van de laatste afdeeling was Stanley zelf, en toen hij, met de Amerikaansche vlag voorop, op weg ging, was geheel Bagamoyo op de been. In de diepe schaduwen der mimosahagen marcheerden de soldaten met het geweer op den schouder en zongen vroolijke liederen, voor hen lag de wildernis, de binnenlanden van Afrika met hun donkere raadselen!
Op tijd bereikte de vroolijk zingende troep de eerste kampplaats. Hier groeide de hooge maïs in het rond, en op uitgestrekte velden werd de maniokplant geteeld. Hun groote knollen bevatten voor het grootste deel stijfsel, maar ook een giftig, meelachtig sap, dat doodt als men de wortels zoo maar opeet. Maar bij juiste behandeling wordt het sap gemakkelijk verwijderd, en de fijngewreven wortel geeft dan een meel, waaruit een soort brood wordt bereidt. Rondom de nabijgelegen moerassen stonden lage waaierpalmen en accacia’s tusschen weelderig gras en onbeweeglijke varens.
Den volgenden dag marcheerde de karavaan onder ebbenhoutboomen en kalabasboomen; uit de basten der vruchten maken de inboorlingen vaatwerk, want door uitwendige bewerking laat de vrucht zich gedurende haar groei in elken vorm brengen. Faisanten en kwartels, moerashoenders en duiven vlogen verschrikt op, toen de lange reeks zwarte mannen zich door het hooge gras slingerde. In de waterpoelen, die men over moest trekken, lagen nijlpaarden, die in het geheel niet schuw waren en behaaglijk snoven.
Maar lang duurde het gunstige weer niet; toen trokken de voorloopers van den regentijd met geplas en gekletter over het land. De twee paarden der karavaan bezweken; verscheiden manschappen, wie het in Bagamoyo beter was bevallen, deserteerden, en twaalf dragers kregen de koorts. Ondanks dat verhaastte Stanley zijn marsch zooveel mogelijk, hij zelf sloeg elken morgen op een blikken kan de reveille. Het ging verder door dichte „jungles”. In een klein dal wiegden zich maïsvelden in den wind en zachte koeltjes suisden door het suikerriet, dat nat van den regen was. De hangende bananen geleken op vergulde komkommers en rechts en links van het pad geurden tamarinden- en mimosaboomen. Nu en dan werd in de dorpen, die uit goed gebouwde hutten van gras bestonden, halt gehouden.
Na veertig dagen eindigde de regentijd op den laatsten April. Bosschen van prachtige palmyrapalmen omringden nu de reizigers; deze palmen groeien bijna in geheel tropisch Afrika, in Indië en op de Soenda-eilanden en ze werden reeds in een oud Indisch lied verheerlijkt, omdat hun vrucht, hun bladeren en hun hout, naar men zegt, voor acht honderd en één verschillende doeleinden zouden zijn te gebruiken. Daarna werd het land heuvelachtig en in het Westen verheft zich de eene bergkam boven den anderen. Soldaten en dragers verheugden zich uit het vochtige kustland in droge streken te komen, maar voor de ezels werd de weg nu heel moeilijk. Er werd gekampeerd in dorpen, wier bijenkorfvormige hutten met bamboes en bast waren gedekt en door leemen muren waren omgeven. Eenige einden van den weg waren zoo woest, dat slechts wolfsmelk (euphorbia), distels en doornstruiken in den dorren grond voedsel vonden. Bij een klein meer vond men verscheiden sporen van buffels, zebra’s, giraffen, wilde zwijnen en antilopen, die daar kwamen om te drinken.
In een dorp haalde Stanley een groote Arabische karavaan in, met welke hij het gevreesde, oorlogzuchtige Oegogoland doortrok.
De twee karavanen telden nu te zamen vierhonderd man, die op de smalle paden, die sinds onheugelijke tijden door olifanten en neushoorns in de jungles waren uitgetreden, de een achter den ander moesten verder trekken. In een streek hadden de hutten den vorm van de tenten der Kirgiezen en in een andere streek verhieven zich midden in het bosch rotsen als ruïnen van een slot uit een sprookje.
In Tabora, de hoofdplaats van Oenjamwesi, een der voornaamste nederzettingen in Oost-Afrika, haalde Stanley de voorste afdeelingen van de karavaan in, en de Arabieren bewezen hem alle mogelijke eer. Zij onthaalden hem op tarwekoeken, kippen en rijst, en schonken hem vijf vette ossen, acht schapen en tien geiten. Prachtig bebouwde akkers strekten zich in het rond uit, waarop groote kudden met vee graasden, en men zag het de statige, goedgebouwde mannen niet aan, dat zij ook slavenhandelaars waren.
Het land Oenjamwesi was juist in oorlog. Mirambo, een machtig opperhoofd in het Noord-Westen bedreigde Tabora; de Arabieren verzamelden daarom de Oenjamwesi krijgslieden, om hen voor te zijn, en een leger van tweeduizend tweehonderd man trok ten strijde. Twintig Arabieren trokken met vijfhonderd inboorlingen naar het dorp Mirambos en veroverden het, maar het opperhoofd ontvluchtte met zijn manschappen. De hutten werden geplunderd; met een rijken buit van honderd olifantstanden, zestig balen stof, en tweehonderd slaven keerden de krijgslieden naar hun haardsteden terug. Maar hiermede was de oorlog nog in het geheel niet ten einde. Mirambo en zijn manschappen overvielen Oenjamwesi, doodden alle Arabieren en een menigte inboorlingen en haalden hun eigendom terug. Bij deze gelegenheid werden ook vijf mannen van Stanley gedood.
Toen Stanley Tabora verliet, had hij nog slechts vier-en-vijftig man; hij moest daarom een omweg naar het Zuiden maken, om de stammen te vermijden, die in oorlog waren. Met elken dag nam zijn spanning en zorg toe. Waar was die Livingstone dan toch, over wien de geheele wereld sprak?
Was hij reeds lang dood of zwierf hij nog steeds in de wouden van Afrika, zooals nu gedurende bijna dertig jaren?
Dikwijls moest Stanley een of soms wel twee balen stof aan een opperhoofd als schatting betalen. Een dezer zwarte koningen zond levensmiddelen, voor de karavaan, voldoende om vier dagen lang van te kunnen leven en bezocht daarna met een schaar zijner zwarte krijgslieden Stanley in zijn tent. Men noodigde hen uit plaats te nemen, een poos zaten de zwarten stil, keken den blanken man nieuwsgierig aan, betastten zijn kleeren, keken elkaar aan en barstten in schaterend gelach uit. Gaandeweg werden zij zóó vroolijk, dat zij met de vingers knipten en zoo heftig aan hun ineengestrengelde wijsvingers trokken, dat zij zich bijna de handen ontwrichtten. Daarna mochten zij de geweren en de apotheek bekijken. Stanley liet hun een flesch ammoniak zien, en vertelde hun dat deze medicijn tegen hoofdpijn en de beten der slangen hielp. De zwarte koning klaagde dadelijk over hoofdpijn, maar toen Stanley hem de flesch onder de neus hield, viel hij met verwrongen gelaat lang uit op den grond, terwijl zijn krijgslieden het uitbrulden van lachen en in de handen klapten.
Voor dezen keer had zijne majesteit genoeg van het sterke geneesmiddel!
Toen op een avond, juist onder het eten, Stanley het teeken tot opbreken gaf, kwam het tot een muiterij onder zijn dragers. Deze wierpen, nadat zij een half uur hadden geloopen hun pakken weg en begonnen in dreigend uitziende groepen met elkaar te fluisteren, twee raddraaiers legden zich in hinderlaag en richtten hun geweren op Stanley. Maar deze greep dadelijk naar zijn buks en dreigde hen, dat hij hen op de plaats zou neerschieten als zij niet onmiddellijk hun geweren neerlegden. Het voorval eindigde zonder bloedvergieten en de mannen beloofden opnieuw verder rustig mede naar het Tangajika-meer te trekken, zooals het bij de afreis was overeengekomen.
Nu moest de karavaan door een boschrijke streek waar de tsetse-vlieg al het vee doodde en de kleine honigvogel bedrijvig tusschen de boomen heen en weer vloog. Deze vogel gelijkt op de gewone musch, hij is alleen iets grooter en heeft op elke schouder een gele vlek. Door voortdurend heen en weer fladderen in een bepaalde richting, maakt hij de inboorlingen opmerkzaam op nesten van wilde bijen. Volgt men hem, vriendelijk fluitend, zonder hem door geraas te verschrikken, dan merkt de vogel dat men zijn bedoeling begrijpt. Hoe meer men het bijennest nadert, des te korter einden fladdert hij heen en terug, en als hij zijn doel heeft bereikt, gaat hij op een nabijgelegen tak zitten, om geduldig te wachten op zijn aandeel in den buit. Daarom is de honigvogel zeer geliefd bij de inboorlingen en zij volgen hem waarheen hij hen roept.
Vandaar richtte Stanley zich noordelijk naar een rivier, die in het Tangajika-meer uitloopt. In kleine, gebrekkige booten ging de karavaan er over, terwijl de ezels er overheen moesten zwemmen, waarbij een der dieren de prooi van een krokodil werd.
Daar ontmoette Stanley op zekeren dag een karavaan, die uit Oedjidji kwam, en hoorde, dat zich daar een blanke man bevond! „Hoera, dat kan niemand anders dan Livingstone zijn!” dacht Stanley. Zijn ijver verder te komen werd nu des te grooter. Door hoogere betaling kon hij zijn dragers bewegen langere dagmarschen te maken, en steeds sneller ging het nu van land tot land, van het eene opperhoofd naar het andere.
Eens versperde een troep inboorlingen de karavaan den weg, de zwarten riepen Stanley toe: „Waarom trekt de blanke man zonder groet of gave het dorp van koning Oekka voorbij? Weet hij niet, dat koning Oekka schatting heft voor de toestemming zijn land door te trekken?” Uit een naburig dorp naderden vijftig krijgslieden met een aanvoerder van hooge gestalte.
Hij droeg een kersrooden mantel, een hoofdband en aan een halsketting een stuk ivoor. Allen waren gewapend met speren, knotsen, bogen en pijlen. Met voorname houding trad het zwarte opperhoofd op den aanvoerder der blanken toe en begroette hem vriendelijk: „Hoe gaat het u, mijnheer?” En Stanley antwoordde: „Hoe gaat het u zelf, opperhoofd?” Stanley ging nu op een baal goed zitten en de zwarten legden hun wapenen neer. Na een poosje zeide het opperhoofd: „Ik ben de groote Miouwoe, de eerste man na den koning van Oekka. Wil de blanke man geen schatting betalen aan den koning? De blanke man is sterker dan wij. Hij heeft geweren, wij slechts bogen en speren. Maar Oekka is groot en wij bezitten veel dorpen. De blanke man kan rondzien, alles wat hij ziet, behoort aan Oekka. Verlangt de blanke man oorlog of vrede?”
Op deze plechtige toespraak antwoordde Stanley: „Het groote opperhoofd Miouwoe weet, dat blanke mannen niet tegen zwarten oorlog voeren. Zij komen niet voor de slaven noch voor het ivoor maar om het nieuwe land te zien, de bergen en meren, de menschen en de dieren, en tehuis in hun eigen land daarvan te vertellen. De blanken zijn machtig, hun kogels reiken verder dan gij kunt zien. Maar ik wil geen oorlog, ik wil de vriend zijn van Miouwoe en van alle zwarte mannen.”
Het einde van deze verhandeling was, dat Stanley een groote belasting aan katoen moest geven. Het volgend opperhoofd eischte eveneens hooge schatting en slaven meldden, dat op de volgende dagreizen vijf verschillende opperhoofden dezelfde aanspraken zouden maken. Dat ging te ver! Men kon zich toch maar niet gewoonweg laten plunderen. Daar bood de gids aan, om voor twaalf ellen katoen de karavaan bij nacht door het bosch te brengen, als men zich dan heel stil hield. En werkelijk bracht hij hen door het struikgewas, dat door het maanlicht werd overgoten en de karavaan bereikte zonder verder lastig gevallen te worden zijn laatste legerplaats, voor het Tangajika-meer.
De tiende November van het jaar 1871 brak aan. Het was een prachtige, zonnige morgen en zes uren lang marcheerden Stanley en zijn manschappen naar het Zuid-Westen. Door dicht bamboeriet, leidde het pad naar den heuvel, van waar men den zilver-glanzenden spiegel van het Tangajika-meer voor zich zag en aan den westelijken oever vertoonden zich blauwe bergen, welker nevelige omtrekken in de verte vervaagden. De geheele karavaan slaakte een jubelkreet. Van een laatsten landrug kwam het dorp Oedjidji reeds in het zicht, zijn hutten, zijn paleizen en zijn groote booten, beneden aan den oever. Stanley tuurde als een valk langs den oever. Het gerucht dat een blanke man aan het meer vertoefde, was de laatste dagen steeds beslister geworden. Waar was de hut van den gezochte? Was het Livingstone, leefde hij nog, of was zijn naam nog maar een sage of een droom?
Nu wordt de vlag gezwaaid. De dorpelingen stroomden de naderenden tegemoet onder oorverdoovend geraas; een verwelkoming, een vragen en door elkaar roepen begint. Nog slechts enkele honderden schreden tot aan het dorp.—Voorwaarts! Marsch!
Daar roept iemand uit het gedrang: „Good morning, sir!” Wie kan dat zijn? Een zwarte, in een wit hemd en tulband op het hoofd!
„Wie ter wereld zijt gij?” vraagt Stanley.
„Ik ben Soesi, de bediende van Dr. Livingstone!”
„Dus Dr. Livingstone leeft?”
„Ja, mijnheer!”
„In dit dorp?”
„Ja, mijnheer!”
„Loop dan gauw en haal den doctor!”
En Soesi liep zoo gauw als hij maar kon.
Toen Livingstone het verrassende bericht hoorde, dat een karavaan was aangekomen, daalde hij van de veranda van zijn huis op het erf, waar de Arabieren, die in Oedjidji woonden, zich ook hadden verzameld. Stanley baande zich een weg door de menigte en zag nu voor zich een kleinen man, grijs en bleek met de blauwe muts van een consul, waarvan de band, die eens goud was geweest, geheel verbleekt was, een buis met roode mouwen en versleten grauwe broek. De eerste ingeving van Stanley was op hem toe te snellen en hem te omarmen, maar met het oog op de volksmenigte nam hij zijn hoed af, trad op hem toe en zeide:
„Niet waar, Dr. Livingstone?”
„Ja,” antwoordde deze vriendelijk, terwijl hij even de muts afnam.
„Goddank, doctor, dat het mij vergund is u te ontmoeten.”
Waarop Livingstone antwoordde: „Ook ik dank er God voor, dat ik hier ben om u welkom te heeten.”
De twee gingen nu op de veranda zitten, de in het rond staande inboorlingen keken hen bewonderend aan. Ik heb Stanley eens in Londen, aan een diner, gevraagd, hoe het hem te moede was, toen hij Livingstone in het hartje van Afrika ontmoette; hij antwoordde, dat zijn gevoel veel te overweldigend was geweest, om te kunnen beschrijven. Hij had den beroemden kluizenaar, die gedurende bijna dertig jaren, de wereld verzakend, onder de zwarten had geleefd, steeds weer moeten aankijken en elken rimpel van zijn bleek gelaat gadegeslagen, waarin lijden en ernst, de jaren van eenzaamheid en arbeid, ziekte en zorg gegrift waren, en steeds weer had hij aan de woorden van Gordon Bennett moeten denken: „Het doet er niet toe wat het kost—maar spoor voor mij Livingstone op.”
Nog laat in den avond zaten de twee bij elkaar en spraken samen. De nacht spreidde zijn sluier uit over de palmen, en het werd donker over de bergen van waar Stanley dien dag was neergedaald. Een doffe branding sloeg ruischend tegen den oever van het Tangajika-meer.
57. DE LAATSTE REIS VAN LIVINGSTONE.
Vier maanden bleven Stanley en Livingstone bij elkaar. Zij huurden twee groote booten en roeiden naar het noordelijk einde van het Tangajika-meer. Want, al verlangde Livingstone ook gedurende de laatste zes jaren naar het vaderland en vooral naar zijn kinderen, weigerde hij toch terug te keeren, voordat hij wist of de Loealaba tot den Nijl of tot den Congo behoorde. Nu stelden de beide onderzoekers vast, dat het meer noordelijk geen afvoer had. Maar daarmede was het vraagstuk dat Livingstone zoo zeer in beslag nam, nog volstrekt niet opgelost. Pas twee jaren later gelukte het aan den Engelschman Cameron, de Loekoega te ontdekken, die uit het Tangajika-meer komt, en in de Loealaba stroomt. En daar hij bovendien nog vaststelde, dat Njangwe, aan de Loealaba, honderd en vijftig meter lager ligt dan de Nijl bij zijn uitstrooming uit het Albert Niansa-meer, was hiermede bewezen, dat de Loealaba niets met den Nijl te maken had en dat de veronderstelling van Livingstone, de uiterste bronnen van den Nijl in het Bangweolo-meer te willen vinden, een vergissing was! De Loealaba moest dus naar den Atlantischen Oceaan stroomen, en feitelijk is zij niets anders dan de bovenloop van den Congo.
Maar al te gauw was de tijd van Stanley voorbij. Hij moest naar Zanzibar terug, om aan de wereld mede te deelen, dat Livingstone nog leefde. Zij begaven zich te zamen naar Tabora, waar Livingstone nieuwe voorraden wilde afwachten en Stanley schonk hem van zijn overvloed nog veertig balen katoen, kralen en metaaldraad, een boot van zeildoek, een waterdichte tent, twee achterladers en andere wapenen—en voorzag hem ook rijkelijk van ammunitie, werktuigen en kookgereedschap, voorwerpen die voor Livingstone van onschatbare waarde waren, daar hij nog beslist zoo lang in Afrika wilde blijven, totdat hij zijn taak had volbracht.
Stanley had bovendien aan Livingstone beloofd in Zanzibar eenige vertrouwde dragers te huren en naar Tabora te zenden, waar Livingstone hun komst zou afwachten. Zijn dagboeken, brieven en kaarten had Livingstone den vertrekkende overhandigd, wat voor Stanley zelf van het grootste gewicht was; want toen hij in Engeland terugkwam, betwijfelde men zijn berichten! De dagbladen beproefden hem verdacht te maken, al geloofde het groote publiek zijn woorden ook. Later kreeg hij echter voor dit wantrouwen volkomen voldoening, en niemand twijfelde er meer aan, dat hij met het vinden van Livingstone een schitterende daad had verricht.
Eindelijk kwamen de nieuwe dragers van Livingstone, zeven-en-vijftig man te Tabora aan. Zij waren flink en vertrouwbaar en einde Augustus begon Livingstone nu een nieuwe reis, zijn laatste! Nog eens sloeg hij de richting in naar het Tangajika-meer en met Nieuwjaar 1872 bevond hij zich in de nabijheid van het Bangweolo-meer. De regen stroomde dezen keer als nooit te voren, alsof de hemel al zijn sluizen had geopend, en de karavaan kwam hierdoor op den slibberigen weg slechts met moeite vooruit.
Tusschenbeide marcheerde men urenlang in het water en de rivieren waren slechts door hun golven van de omringende moerassen en het ver in het rond overstroomde land te onderscheiden. De inboorlingen waren ook onvriendelijk, weigerden levensmiddelen en gaven verkeerde inlichtingen omtrent den weg. Zulk een moeilijke reis had Livingstone nog nooit gemaakt!
Zijn plan was het Bangweolo-meer aan de zuidzijde om te trekken en al de rivieren na te vorschen, die er in uitloopen. Vooral ook de Loeapoela, die er uitstroomt en in de Loealaba uitmondt. Hij wilde dan, het naar het Noorden stroomende water volgen, en zich van de richting en het laatste punt overtuigen. Maar welken weg de raadselachtige rivier ook naar de een of andere zee mocht inslaan—het af te leggen eind weg was verschrikkelijk groot en de dagen van Livingstone waren geteld. Na lang ziek te zijn geweest, werd zijn toestand tengevolge van de inspanning der laatste reis ernstiger. Zijn lichaam was gesloopt en verzwakt door voortdurende koorts en onvoldoende voedsel. Maar nog steeds geloofde hij aan het succes van zijn reis en met onvermoeide nauwgezetheid schreef hij zijn waarnemingen neer. De eene maand na de andere sleept hij zich voort. Maar zijn krachten waren niet meer voldoende voor zulk een inspanning. Den 21sten April schreef hij met bevende hand nog slechts de volgende woorden in zijn dagboek:
„Beproefde te rijden, maar ik moest gaan liggen en men droeg mij geheel uitgeput terug in het dorp.”
Er werd nu een gemakkelijke draagbaar voor hem gemaakt, en Soesi en Tschoema waren steeds in zijn nabijheid. Den volgenden dag werd hij twee uur ver door de moerassige grasvlakte gedragen, maar de volgende vier dagen was hij niet meer in staat een regel in zijn dagboek neer te schrijven. Slechts op de kaart verbond hij nog een dorp aan den zuidelijken oever van het Bangweolo-meer met een ander. Den 27sten April staat er:
„Met mij is het geheel gedaan en ik blijf hier.—Moet gezond worden!—Heb uitgezonden om twee geiten te koopen voor de melk. Wij zijn aan den oever van de Molilamo.”
Met deze woorden—sluit zijn dagboek, dat dertig jaren omvat! Geiten waren echter niet te vinden, maar het opperhoofd van de plaats zond andere levensmiddelen als geschenken.
Twee dagen later werd de reis voortgezet en het opperhoofd zond booten om de Molilamo over te steken, een beek, die in het meer uitloopt. De zieke werd in een boot getild en over de sterk gezwollen beek geroeid. Aan den oever snelde Soesi vooruit om in het naburig dorp van het opperhoofd Tschitamba, een hut in te richten. De draagbaar volgde langzaam; telkens moest de zieke zijn manschappen verzoeken de baar neer te zetten en hem te laten rusten. Hij scheen in een verdooving te zijn gevallen, die zijn bedienden schrik aanjoeg. Toen hij eindelijk in het dorp aankwam, hadden de inboorlingen zich verzameld en stonden zwijgend, gesteund op hun speren, rondom de baar, waarop de blanke man rustte, van wiens daden en roem zij zoo dikwijls hadden gehoord. Een hut was ingericht, en tegen den binnenmuur werd van gras en takken een bank aangebracht, waarop het bed werd uitgespreid. Voor den ingang werd een vuur ontstoken, waarbij de knaap Majvara de wacht hield.