Part 23
Den 18den Maart liep de stoomboot „Madoera” de monding van den Congo binnen. Maar reeds gedurende het eerste eind van Matadi tot aan Stanley-Pool leed de karavaan door desertie en ziekte groote verliezen, en bagage, proviand en ammunitie smolten tot bijna op de helft in. Daarbij veroorzaakte het verkregen van nieuwe voedingsmiddelen zeer onverwachte moeilijkheden, en daarom moesten in geforceerde marschen vruchtbare streken bereikt worden. Van Stanley-Pool zou het per schip verder gaan, maar de bestuurder van het Zendingsstation was slechts na langdurige onderhandeling bereid, zijn schepen aan de expeditie ter beschikking te stellen, voor de vaart den Congo op tot aan Jamboeja, aan de zijrivier Aroewimi.
Den eersten Mei begon de eentonige vaart. Dag aan dag hetzelfde tooneel: boschrijk land, miriaden met bosch bedekte eilanden, en breede kanalen met doodsch, stil water, die in den strakken glans der zon op stroomen van kwikzilver geleken. Maar de inboorlingen leverden tamelijk bereidwillig levensmiddelen en de gezondheid der expeditie bleef in het begin uitstekend. Maar in Leopoldville moest reeds een deel der bagage achter worden gelaten en in Bolobo bleef zelfs een deel der expeditie liggen: honderd en vijf-en-twintig man, die reeds te uitgeput en ziek waren. Te Jamboeja, waar de zendingsschepen terugkeerden en ook Tipoe Tip zijns weegs ging, moest Stanley weer een keuze onder zijn manschappen doen. En daar in het Oosten wachtte Emin pacha hevig door de Mahdisten in het nauw gebracht op hulp! Voorwaarts dus, het koste wat het wilde! Een voorhoede van gezonden en sterken baant den weg naar het Albert-meer; wie niet mede kan, blijft bij de achterhoede onder majoor Barttelot in Jamboeja. Hun taak is bagage en manschappen uit Leopoldville en Bolobo te halen, en dan ondersteund door de door Tipoe Tip beloofde dragers of in het ergste geval alleen, de voetsporen van Stanley te volgen om zich na eenige maanden weer met hem te vereenigen.
De achterhoede betrok een bestaande kampplaats te Jamboeja, want het verlies der achtergebleven manschappen en hun voor het grootste deel voor Emin pacha bestemde bagage, zou een onherstelbaar verlies voor de voorhoede wezen; men moest dus voorzichtig zijn tegenover de inboorlingen en eveneens tegenover Tipoe Tip, voor het geval deze de voorkeur er aan mocht geven, inplaats zijn loon te verdienen, zich de schatten der expeditie kortweg toe te eigenen.
Den 28sten Juni begon nu de marsch der voorhoede van drie honderd negen-en-tachtig man in de richting van het Albert-meer door een geheel onbekend gebied en door vreemde stammen van inboorlingen. Weer nam een ontzaglijk oerwoud de karavaan op en gedurende honderd en zestig dagen moest zij zich onder ontzaglijke moeite met mes en bijl een pad banen, door kreupelhout en struikgewas, zonder in al dien tijd, ook maar een stuk grasland, zoo groot als de vloer eener kamer te hebben gezien! De marsch ging langs den oever van de Aroewini, en af en toe kwam men in de meegebrachte boot of in van de inboorlingen geroofde kano’s op einden, die vrij waren van watervallen, sneller vooruit. Maar bijna nog gevaarlijker dan de inboorlingen, waren de aanvallen der zwermen wespen, wier nesten vastkleefden aan de over het water hangende takken; vooral de naakte dragers wisten zich ternauwernood tegen hen te verweren. Regen, vereenigd met stormachtige onweersbuien, bemoeilijkten den marsch zeer, en meestal moest de karavaan zich tevreden stellen met de meest schrale voedingsmiddelen, die zij langs den weg vonden. Want de inboorlingen aan de dichtbevolkte oevers gedroegen zich, met enkele uitzonderingen, vijandig of verlangden buitensporige prijzen voor een paar bananen en maïskolven, want dikwijls leden zij ook zelf honger en leefden zij van paddestoelen, wortelen, visschen, slakken of rupsen, een menu, dat zij in het gunstigste geval door eenige porties menschenvleesch van verslagen vijanden verbeterden.
Daarbij toonden velen van Stanley’s manschappen zich zoo weerbarstig en lui, dat zij liever zouden zijn verhongerd, dan met eigen hand de boven hun hoofd hangende bananen af te snijden. De mannen uit Zanzibar toonden zich zeer onverschillig omtrent het verlies van hun bagage, hetgeen noodlottig dreigde te worden voor het lot der geheele karavaan, die in het oerwoud als begraven was. Op het water waren zij geheel onbruikbaar en aan den oever tegenover de hen omringende gevaren van dezelfde stompzinnige onverschilligheid. Ondanks dagelijksche, ja elk uur, gegeven waarschuwingen zwierven zij zorgeloos in het bosch rond en werden dan dikwijls door de vergiftige pijlen en speren der inboorlingen in den rug doorboord. Indien een moedige wilde hen brutaal tegemoet trad, dan wierpen zij het liefst het geweer weg om te vluchten of zij verhandelden hun wapenen tegen een paar maïskolven; daardoor werden de inboorlingen steeds brutaler en weldra moest elke schrede in hardnekkig gevecht met de wilden veroverd worden. De veerkracht hunner bogen was zoo groot, dat de pijlen op korten afstand een lichaam geheel doorboorden, en het gift, waarmede de punten waren bestreken, veroorzaakte na voorafgegane krampaanvallen bij de meeste verwondingen, onder groote smarten den dood.
Bovendien ontmoette de karavaan nu roofzuchtige Arabieren en deze ontmoeting demoraliseerde de troepen van Stanley nog meer dan ziekte en honger het tot nu toe hadden gedaan.
De desertie nam toe, proviand, ammunitie en ruilwaren werden bij massa’s gestolen en aan de Arabieren verkocht. Vele zieken bemoeielijkten den marsch, vooral als de booten op het land getrokken en voorbij watervallen gesleept moesten worden. De desertiekoorts stak zelfs een der laatste ezels aan, ook hij ging op zekeren dag aan den haal.
Intusschen was het nog een geluk voor de geheel uitgeputte en ingesmolten karavaan, dat zij den 16den September in de nederzetting van het Arabisch opperhoofd Oegarrowa aankwam, een voorpost der slavenhandelaars, waar men Stanley vriendelijk ontving. Hij gaf daarom zijn zieken aan de Arabieren ter verpleging; zij zouden, tegen betaling, zoo lang in de nederzetting van Oegarrowa blijven, totdat de achterhoede van majoor Barttelot hen zou bereiken. Door desertie en dood had de voorhoede tot nu toe twee-en-zestig man verloren, en het hoopje van hen, die zich nu gereed maakten verder te trekken, was zeer verminderd.
De aanwezigheid der slaven- en ivoorjagers had bovendien de inboorlingen in het rond verdreven. Zij hielden zich verborgen in ontoegankelijke kreupelbosschen en levensmiddelen waren maar zelden te krijgen. De woeste strooming der rivier maakte het onmogelijk de vaartuigen te gebruiken en spoedig waren de dragers zoo verzwakt, dat zij nog slechts op handen en voeten kropen. Weer moest een troep zieken en uitgeputten achtergelaten worden, en niettegenstaande de buitengewone volharding van Stanley begon deze nu te twijfelen aan de redding der expeditie! Evenals de wilden leefde men van woudbananen, kevers, rupsen, slakken en witte mieren, en een ezel werd zoo grondig verorberd door de half uitgehongerden dat niets dan het vergoten bloed en de haren overbleven. Op de rustplaatsen zaten de lieden dof voor zich heen te staren of spraken met elkaar over het bange voorgevoel dat zij omtrent het hun te wachten lot hadden.
„Weet gij dat die en die dood is; dat die verloren is en een derde misschien vannacht te gronde gaat? De overigen zullen morgen omkomen.” En na het gesprek riep de trompet weer allen op hun post om verder te marcheeren en verder te strijden.
Daar stiet men eindelijk den 18den October weer op de herkenningsteekenen der Arabieren en vond in hun nederzetting Ipoto opname en redding. Maar deze vriendelijkheid der Arabieren was gevaarlijker, dan wanneer zij de expeditie met de wapenen in de hand tegemoet waren getreden.
Tegen levensmiddelen verkochten de mannen uit Zanzibar, wapenen en bagage en vanaf Stanley tot aan den laatsten drager waren allen op het punt weerloos in de handen der Arabieren te vallen! Toch bleef er niets anders over dan om ook hier weer de zieken achter te laten, om nog maar voorwaarts te komen.
Den 27sten October ging de marsch verder naar het Oosten. Het oerwoud werd steeds meer onbegaanbaar. Het vreeselijkste waren de open plekken, die gedeeltelijk door den storm waren veroorzaakt, gedeeltelijk door de inboorlingen ter beschutting hunner dorpen waren gemaakt. In schrikkelijke verwarring lagen stammen en boomen, de een op den ander; verhieven zich de takken tot den eenen heuvel boven den anderen. In deze woestenij van bosch groeiden in den grootsten overvloed bananen, wilde druiven, palmen, rotangs en vele woekerplanten, en door dit alles moesten de manschappen dringen, over neergevallen stammen balanceeren, dan weer op den grond door een warnet van takken kruipen en door moerassen en greppels voorttuimelen. En vooral dreigden, onder bladeren verborgen, vergiftige houtsplinters, die de sluwe inboorlingen tot verweer tegen de vreemdelingen rechtop in den grond plachten te steken! Elken avond pakten zich wolken samen, en hoorde men het rollen van den donder van alle kanten weerkaatsen in het woud; de bliksemstralen flikkerden hier en ginds, braken dagelijks de kronen der boomen en spleten een woud-patriarch van den top tot den wortel, en de regen viel in stroomen neer. Maar gedurende den marsch was de Voorzienigheid weer genadig, de zon scheen en wierp haar zacht licht in millioenen stralen door de takken en wekte de gedrukte stemming der reizigers op, veranderde de stammen der boomen in marmeren pilaren en den dauw en regendroppels in fonkelende brillanten, vroolijkte de onzichtbare vogels op, zoodat zij hun lied deden klinken, wekte de zwermen van papegaaien tot vroolijk geschreeuw en gefluit, en de groote troepen apen tot uitgelaten grappen, terwijl hier en daar een diep gebrul in de verte verkondigde dat een soko- of chimpanseefamilie zich in hun schuilhoek met de een of andere wilde sport vermaakte.
Een troep Arabieren diende op dezen marsch tot gidsen en de brutale overmoed, tegenover de vreemdelingen, die zij reeds geheel in hun macht zagen, werd voor de manschappen een onverdraaglijke marteling. Maar zwak als zij waren, aan wandelende geraamten gelijk, moesten zij zich alles laten welgevallen, totdat zij eindelijk Ibwiri bereikten, waar zij zich weer aan een overvloed van levensmiddelen konden versterken. Alsof zij met een tooverstaf werden aangeraakt, werkte hier op de karavanen het bericht, dat de gevangenschap in het oerwoud op haar einde liep en het grasland in het Oosten nog maar enkele dagreizen was verwijderd. In Ibwiri wachtte Stanley, totdat zij, die in de laatste kampplaatsen waren achtergebleven, zich met hem vereenigden, en toen de voorhoede weer honderd vijf-en-zeventig man telde, zette hij den 24sten November met nieuwen moed en frissche kracht den tocht voort.
65. OP ZOEK NAAR EMIN PACHA.
Den 4den December betrad Stanley met zijn kameraden, na honderd en zestig dagen, voor het eerst weer de open vlakte, en de uitgestrekte landerijen van Aequatoria lagen voor de oogen van de jubelende manschappen, voor wie het een ontspanning was, eindelijk weer eens in looppas te kunnen voortgaan. Achter de blauwe bergen aan den horizon, moest het Albert-meer liggen, het vurig verlangde doel der expeditie, waar Stanley den verdwenen gouverneur hoopte te vinden!
Nieuwe moeielijkheden! Ontzaglijke velden en aanplantingen lagen voor hem, en het eene dorp volgde op het andere; maar de inboorlingen drongen rondom de karavaan in benauwende massa’s: van een vriendschappelijke overeenkomst wilden zij niets weten en dag noch nacht kon men het geweer uit de hand leggen. Dikwijls waren de wilden door strijdlustige honden vergezeld, en wie zich alleen van de karavaan verwijderde, was reddeloos ten doode opgeschreven.
Bij elke hindernis in den weg, bij elken overgang over de rivier lagen de wilden in hinderlaag, en als Stanley, hun eigendom sparend, voorbij trok, zagen zij dat voor lafheid aan en werden zij nog brutaler. Het krijgsgehuil weerklonk onophoudelijk, elk vooruitspringend gedeelte van een berg, elke heuvel was zwart van de menschen, en op de vlakten krioelden zij dooreen als mieren. En al deze gevechten en deze slachtoffers slechts door een misverstand! De inboorlingen zagen de vreemdelingen aan voor bondgenooten van den zwarten koning Kabba-Rega, die hun gebied schatting liet betalen en Emin pacha ook bedreigde.
Onder onophoudelijke gevechten naderde men eindelijk het Albert-meer en op zekeren dag rustten aller oogen op een grauwe wolk beneden in het dal. Wat is dat? De nevel trok gaandeweg op, en de glinsterende vlakte van het meer lag voor hen! Door geestdriftig gejubel, werd den 13den December 1887 de ontdekking gevierd.
Maar wat nu? De voorhoede bezat geen vaartuig, want de booten had men in Ipoto moeten achterlaten. Op de rotsige hellingen van de het meer omgevende bergen, groeiden noch bananen noch eenige boom, die voor den bouw van kano’s gebruikt konden worden. Nergens was een aanplanting te zien, de bewoners der oevers leefden van vischvangst en van de bereiding van zout. Indien Emin pacha nu zelf niet met zijn stoomboot en levensmiddelen hen tegemoet kwam, dan was de karavaan hier vlak bij het doel prijsgegeven aan den hongerdood. Maar hoe ijverig Stanley zijn tolken ook liet navragen en hoe onvermoeid hij elk punt van den oever met zijn verrekijker ook afzocht—geen spoor van den gouverneur en zijn manschappen! Zou nu de geheele zending met al haar offers aan bloed en leven toch vergeefs zijn geweest?
Wat bleef er anders over dan intusschen naar Ibwiri terug te keeren! Den 16den December begon de terugtocht, en den 8sten Januari 1888, werd Ibwiri weer bereikt. Hier bouwde Stanley eerst het fort Bodo, bezette het sterk en zond een afdeeling uit, om de verschillende achterblijvers uit de Arabische nederzettingen te halen. Rondom het fort liet hij het bosch ontginnen en maïs en boonen zaaien, opdat de later hier achterblijvende bezetting eenige levensmiddelen zou hebben. Wel verwoestten de inboorlingen de nieuwe aanplantingen dikwijls en het fort geleek meer op een belegerde vesting.
Daarbij overvielen gansche legers van mieren en ander ongedierte, de hutten en tenten, en het wemelde er van giftige slangen.
Den 8sten Februari kwamen de achterblijvers uit Ipoto gelukkig met de boot aan. Zij hadden in de legerplaats der Arabieren ontzettend geleden! De slavenhandelaars hadden hen slechts dan spaarzaam van voedingsmiddelen voorzien, als zij in de aanplantingen werkten, en de zwakken en zieken hadden zij eenvoudig laten verhongeren. Door diefstal en geweld hadden de roovers een deel der wapenen van de expeditie in hun bezit gekregen. Wat was onder deze omstandigheden het lot der achterhoede en van majoor Barttelot geweest? Niemand had een spoor van haar gezien. Zeer verontrust zond nu Stanley een troep vrijwilligers de Aroewimi weer af, om de verdwenenen op te zoeken. Maar terwijl hij op hun terugkomst wachtte, kreeg hij zelf koorts en lag drie-en-twintig dagen onder den invloed van morphine, bijna voortdurend bewusteloos!
Intusschen schoot op de bebouwde akkers de jonge maïs op, en was weldra zoo hoog als het kreupelhout in het woud; fort Bodo beloofde een rijke graanschuur voor de bezetting en de geheele karavaan te worden. Stanley herstelde weer, maar niets bevrijdde hem van de kwellende zorgen over zijn manschappen. De weken gingen voorbij. Geen spoor van de achterhoede! Geen bericht van de verkenners! Allen schenen reddeloos begraven te zijn onder de altijd groene golven van het oerwoud! En aan het Albert-meer wachtte Emin pacha in wanhopig verzet op hulp en redding!
Zoodra Stanley zich weer krachtig voelde begon den 2den April 1888 de tweede marsch naar het Albert-meer. Nog eens door de legioenen van zwarte krijgslieden Emin pacha tegemoet! Maar dezen keer werden zij niet ontvangen door het krijgsgeschreeuw der inboorlingen. De machtigste opperhoofden kwamen nu de karavaan als bondgenooten tegemoet. Twee maanden na Stanley’s terugkeer van het Albert-meer was een hen bevriend blanke Mallejoe genaamd of de „Gebaarde” in een groote ijzeren kano op het meer verschenen! „In het midden stond een groote, zwarte boom, waaruit rook en vonken vuur kwamen,” vertelden het opperhoofd Masamboni en zijn krijgslieden. „En er waren veel vreemde lieden aan boord en er liepen geiten heen en weer als op de markt in een dorp en kippen in met staven gesloten kisten en wij hoorden de hanen even vroolijk kraaien als tusschen onze gierstvelden. Mallejoe vroeg met diepe, diepe stem naar u, zijn broeder. Daarna voer hij weer weg met zijn groote, ijzeren kano, die zooveel rook in de lucht deed gaan, alsof ze in brand stond. Twijfel er niet aan, heer, u zult hem spoedig vinden.”
Dat waren de eerste berichten, die Stanley van Emin pacha kreeg. Van de vele berichten, die Stanley reeds uit Zanzibar, langs de meest verschillende wegen, naar den gouverneur had gezonden, had er hem dus niet één bereikt. Maar de opperhoofden der inboorlingen zonden hem nu hun hardloopers na, en binnen enkele dagen moest Emin pacha er van op de hoogte zijn, dat de expeditie er was. Intusschen marcheerde Stanley naar Kavalli, overal begroet en aangeroepen door de vriendelijke inboorlingen, die nog enkele maanden geleden de vreemdelingen beschimpt en niet weinigen gedood hadden. Nu trok een voorhoede van honderd vijftig inboorlingen vooruit en vrijwillige, zwarte dragers namen de lasten der karavaan over.
Wel was de plechtig gesloten vrede van de inboorlingen een welkome gelegenheid zich te verrijken met de geschenken der vreemdelingen en zelfs de opperhoofden werden vaak onbeschaamde bedelaars. Maar zij moesten in goede stemming worden gehouden en Stanley was daarom niet spaarzaam met de producten der Europeesche beschaving, die meegenomen waren om de nieuwsgierigheid der wilden gaande te maken en hen er mee te vermaken. Een handspiegel wekte onder de zwarten eerst de grootste verwondering en vrees. Toen zij hun eigen gelaat weerspiegeld zagen, geloofden zij dat een vijandelijke stam uit de aarde tegen hen optrok en zij liepen in den grootsten schrik weg.
Daarna kwamen zij op de teenen terug en lieten nog eens het vreemde visioen over zich heen gaan. „De gezichten zien er als die van ons uit!” fluisterden zij tegen elkaar, en nu legde Stanley hun uit, dat hetgeen zij zagen niets anders was dan het spiegelbeeld van hun eigen buitengewoon innemende trekken, bij welk compliment het opperhoofd, Mpinga van trots gloeide. En nu overwon de persoonlijke ijdelheid in enkele oogenblikken de aanvankelijke vrees. Zijn geleiders drongen zich om hem heen, en allen sloegen met onuitputtelijk genoegen gade hoe waar de spiegel de kenteekenen van elk gelaat weergaf. „Zie eens het litteeken, het is precies zoo; maar zie toch je breeden neus, Mpinga. O, dat is heel precies. Ja, en zie de groote veer, die wuift werkelijk! Het is te vreemd! Waar kan het van zijn gemaakt? Het ziet eruit als water, is toch niet vloeibaar; en op den rug ziet het zwart. Ah, wij hebben vandaag een ding gezien, dat onze voorvaderen nooit zagen!”
In Kavalli kreeg Stanley eindelijk een brief van Emin, die hem echter tot zijn verbazing beval te blijven waar hij was, totdat de gouverneur met zijn manschappen bij hem zou komen. Den 29sten April kwam eindelijk de stoomboot van Emin, op het Albert-meer, in het zicht. Stanley zond hem boden tegemoet, en onder algemeen gejubel en talrijke begroetingssalvo’s, naderde de verdwenen gouverneur met zijn geleide in het duistere avonduur, de legerplaats. Maar laat ons nu Stanley zelf laten vertellen:
„Ik schudde alle aangekomenen de hand en vroeg, wie Emin pacha was. Toen wekte een wat kleine, tengere gestalte mijn opmerkzaamheid door de in ’t uitnemend Engelsch gesproken woorden:
„Ik ben u veel dank verschuldigd, mijnheer Stanley en ik weet werkelijk niet hoe ik dien zal uiten.”
„Ah, u zijt Emin pacha! spreek over geen dank, maar kom binnen en neemt u plaats. Het is hier buiten zoo donker, dat wij elkaar niet kunnen zien.”
„Wij zaten aan den ingang der tent, een waskaars verlichtte die. Ik had volgens de beschrijving van verschillende reizigers een groote, magere gestalte van militair voorkomen verwacht, in afgedragen Egyptische uniform, maar zag in de plaats daarvan een kleine, tengere gestalte met een goed onderhouden fez en in een helder, goed gestreken en uitnemend zittend pak uit katoenen dril. Een donkere, met grijs doorweven baard, omlijstte het gelaat dat een Hongaarsch type had ofschoon een bril het een ietwat Italiaansche of Spaansche uitdrukking gaf.
„Het gelaat vertoonde geen spoor van ziekte of zorg, integendeel, slechts gezondheid en kalme gemoedsrust waren er op te lezen. Korte mededeelingen over onze lotgevallen, de gebeurtenissen in Europa; de voorvallen uit de streken om den aequator, alsmede persoonlijke lotgevallen, namen nagenoeg twee uren in beslag; daarna werden, om het gelukkige wederzien te vieren, vijf halve flesschen champagne ontkurkt, en op de voortdurende gezondheid van Emin pacha en zijn metgezellen geledigd! Daarop brachten wij het gezelschap naar de boot, die hen naar het stoomschip terug bracht.”
De rollen der beide groepen waren dus juist omgekeerd! Naast het welverzorgde militaire geleide van den pacha, scheen de karavaan van Stanley een erbarmelijk armoedige bende, die veel eerder hulp noodig scheen te hebben dan de gouverneur, ter wiens redding zoo vele kameraden het leven gelaten hadden!
In de positie van Emin pacha was namelijk weer een gunstige wending gekomen, daar het scheen alsof zijn gebied niet meer onmiddellijk bedreigd werd. Daarom was hij ook nog volstrekt niet besloten om zich door Stanley te laten redden. Het viel hem zwaar om plotseling zijn levenstaak niet verder voort te zetten, en ook zijn troepen dachten er niet aan hun vaderland op te geven; en aan den anderen kant kon hij het niet over zijn hart verkrijgen om zijn mannen in den steek te laten. Het werd ook spoedig duidelijk, dat hij van zijn soldaten en hun inlandsche officieren afhankelijker was dan wel voor een gouverneur, met de macht van onder-koning bekleed, paste; hij verklaarde dan ook dat hij zijn besluit afhankelijk zou maken van den wensch zijner manschappen. Hij moest derhalve eerst naar zijn residentie Wadelai terugkeeren; en zelfs indien in het gunstigste geval de Egyptische troepen zich bereid verklaarden om zich by Stanley aan te sluiten, dan zouden er toch nog weken en maanden moeten verloopen, voordat zij ter plaatse waren.
Ook Stanley zelf had een tijd van rust noodig. Hij kon zijn uitgeputte manschappen niet dadelijk blootstellen aan het onzekere lot, dat hen wachtte op de onbekende wegen naar de oostkust; maar bovenal moest de achterhoede, waarvan hij nog niet het geringste levensteeken had ontvangen, gered worden.
Stanley betrok derhalve in Nsabe een versterkt kamp, liet een zijner officieren, Jephson, met verscheidene manschappen by Emin achter, en begon den 24sten Mei zijn verschrikkelijken marsch teneinde de achterhoede te ontzetten!
66. HET LOT VAN DE ACHTERHOEDE.
Ten tweeden male het donkere oerwoud in! Den 8sten Juni was Stanley reeds weder in het fort Bodo, waar hij alles in den besten toestand aantrof. De gewassen waren uitstekend opgekomen, de oogst was binnengehaald, en er was opnieuw gezaaid. De bevelhebber van het garnizoen, luitenant Stairs, had de invaliden uit het kamp van Oegarrowa gehaald, maar tengevolge van de schandelijke behandeling der Arabieren, waren er van de zes-en-vijftig man slechts veertien levend in het fort Bodo aangekomen!
Den 16den Juni begon de opmarsen naar Jamboeja, en weerklonk dagelijks de waarschuwende roep der gidsen: „Roode mieren onderweg! Pas op, een boomstronk, o! splinters! Een kuil, rechts! Pas op, links! Pas op, doornen! Een wortel! Roode mieren in aantocht! Pas op de roode mieren! Een boomstam! Splinters daaronder!”
Zoo ging het verder, van het eene kamp naar het andere. Toen Stanley den 21sten Juni te Ipoto aankwam, waren de Arabieren aldaar niet weinig geschrokken, daar ze bang waren voor een wraakoefening wegens de wijze waarop ze zijn invaliden behandeld hadden. Maar Stanley hield zich in, want eerst moest de achterhoede gered worden, en hij mocht het fort Bodo met zijn bezetting van zestig man niet blootstellen aan een overrompeling door Arabische roovers. Derhalve vergenoegde hij er zich mee, een deel der geroofde wapenen te doen uitleveren, en trok toen verder de Aroewini stroomafwaarts.
De lastdragers die hem door Emin medegegeven waren, hadden het meeste van de vermoeienissen der dagmarschen te lijden; bij een heftigen stortregen, vielen er plotseling drie dood neer, alsof ze door een kogel getroffen waren, en dagelijks waren er meerderen die ditzelfde lot deelden.