Part 13
„Brood en spelen” brulde het naar vermaak dorstende Romeinsche gepeupel, en om bij het volk in de gunst te blijven, lieten de keizers van het Romeinsche rijk prachtige theaters oprichten waarin van tijd tot tijd op groote schaal volksfeesten gevierd werden. Zulk een theater was het Circus Maximus dat aan 200.000 toeschouwers ruimte bood. Hier werden wedrennen gehouden met vierspannen. Op den van goud flonkerenden wagen stond met gebogen knieën de wagenrenner, de teugels in de handen. Geheel Rome, Senatoren, patriciërs en plebejers waren daarbij tegenwoordig, en temidden van zijn hofhouding en gunstelingen zat de keizer in zijn loge. De wagenrenners droegen verschillende kleuren, en bij het wedden op de een of andere kleur werden vermogens op het spel gezet. Een trompetsignaal gaf het teeken tot vertrek, en in het witte zand der arena joegen de voortrazende wagens dichte stofwolken op.
Zulk een theater was ook het circus van Nero. In den zomer van het jaar 64 n. Chr. ging Rome in vlammen op, en in een week tijds was de geheele stad in de asch gelegd. De Campagna werd wijd en zijd door dezen reusachtigen brand verlicht, en onschatbare kunstwerken gingen voor altijd verloren. Nero echter, de grimmige beheerscher van het Romeinsche rijk, genoot van dit gruwelijke schouwspel, en verheugde zich over de woede der vlammen! Hij zette zich een krans op het hoofd en terwijl hij zijn lier bespeelde, zong hij het lied van de verwoesting van Troje.
Maar onder de burgers verspreidde zich het gerucht dat de keizer zelf Rome zou hebben doen in brand steken, om ruimte te krijgen voor zijn waanzinnige bouwplannen, en zijn nieuw paleis. Nero vreesde den haat van het volk, en, om zich van deze verdenking te zuiveren, beschuldigde hij de leden der jonge christengemeente van deze euveldaad; ze hadden immers vaak in het openbaar de ongebonden leefwijze in de hoofdstad vervloekt, en den ondergang van het Romeinsche rijk en de overwinning der christelijke leer geprofeteerd. Wat lag meer voor de hand dan dat zij de schuldigen waren? Nu zouden ze voor hun misdaad boeten. De leiders der christenen, de apostelen Paulus en Petrus werden in ketenen geslagen, en met andere geloovigen in de Mamertijnsche gevangenis gebracht, een verpest onderaardsch gewelf tusschen het kapitool en het Forum. Bij geheele troepen sleepte men de geloovigen uit hun huizen en uit de plaatsen waar ze hun samenkomsten hielden, en dreef ze als kudden in de onderaardsche holen die met den circus van Nero in verbinding stonden. Hier moesten ze hun straf afwachten, en tevens zou het verbasterde gepeupel van een nieuw schouwspel genieten.
In andere, met ijzeren tralies afgesloten, onderaardsche holen, bewaarde men leeuwen, tijgers en andere roofdieren. Dagen achtereen liet men de dieren honger lijden, en om hun bloeddorst nog meer te prikkelen, moesten de circus-beambten bloedige stukken vleesch voor hun hokken heen en weer bewegen. Rome sprak over niets anders dan over het op handen zijnde schouwspel!
De groote dag brak aan. Voorname mannen en vrouwen kwamen in prachtige draagstoelen, gekleed in purperen zijden gewaden; het krioelde van krijgslieden en blanke wapenen, de lucht was doortrokken met den geur van welriekende oliën en zalven. Men spreidde kussens en dekens over de banken uit, en nam zijn plaats in. In de keizerloge verschenen Nero en zijn hovelingen.
De trompetten schallen en terdood veroordeelde krijgsgevangenen betreden de arena voor het gladiatorengevecht. Voor een deel dragen ze helm en pantser, terwijl andere geheel ongekleed zijn. Net en een drietand zijn de wapenen van dezen, terwijl genen voorzien zijn van zwaard en schild. De tweekamp eindigt eerst met den dood van een der beide partijen, tenzij een wenk van den keizer den overwonnene begenadigt. Daarna komt een algemeen gevecht; maar, alvorens op elkaar los te stormen, begeven de gladiatoren zich met statigen tred tot voor Nero’s loge, en roepen: „Heil, U, Caesar, zij die sterven gaan, groeten U!” Zoodra het bloedige spel teneinde is, worden de lijken weggesleept, en versch zand in de arena rond gestrooid om de bloedsporen te bedekken.
Wederom schallen de trompetten, luider dan voorheen. Een christenschare wordt in de arena gedreven. Inplaats van in kleederen zijn ze in dierenvellen gestoken. Slechts hun bleeke, rustige gelaatstrekken zijn zichtbaar; opwaarts blikkend heffen ze een psalm aan, en hun gezang klinkt trotsch en luide over het heidensche Rome.
Nieuwe trompetstooten—en de ijzeren zijdeuren worden geopend; een troep wilde honden stort zich in de arena. In ’t eerst zijn ze schuw, maar met steenworpen en wilde kreten worden ze aangehitst; ze naderen hun prooi, trekken aan de dierenhuiden en besnuffelden het naakte vleesch. Zoodra er een begint, volgen de anderen zijn voorbeeld, en stillen hun honger. Geen der martelaren smeekt om genade, geen keurt Nero één blik waardig. Eerst met den dood van den laatste verstomt het gezang.
Reeds worden nieuwe scharen binnengevoerd, en nu is het de beurt voor de leeuwen om hun honger te stillen. Zoo gaat het bloedige feest voort. Tijgers, panters, beren, wolven en jakhalzen worden op de christenen losgelaten terwijl het gepeupel brult van dolle opwinding, en de lucht van het bloed den geheelen circus vervult.
Wanneer het schouwspel voorbij en het theater ledig is, wagen zich eenige christenen die zich nog in vrijheid bevinden in de arena om het gebeente der dooden te verzamelen en ze te begraven in de grafplaatsen buiten Rome.
Er staat nog een derde theater op zijn oorspronkelijke plaats, het Colosseum, en dit bouwwerk is zoo goed bewaard gebleven, dat men zich nog een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijken toestand kan vormen. Het is het mooiste en grootste bouwwerk uit de oudheid dat Rome bevat. Dit theater, voltooid in het jaar tachtig van onze jaartelling, werd onder de keizers Vespasianus en Titus gebouwd. De rijen banken, die ruimte boden voor 85.000 toeschouwers waren in vier afdeelingen verdeeld, waarvan de achterste en hoogste bestemd waren voor vrouwen en vrijgelaten slaven. Als toegangskaarten deden stukjes elpenbeen dienst, die de ligging der verschillende plaatsen zoo nauwkeurig aangaven, dat ieder dadelijk in het reusachtige gebouw zijn weg kon vinden. De zitplaatsen waren van marmer, en tal van marmeren beelden sierden de muren van het theater.
Daar de spelen gewoonlijk overdag gegeven werden, had men over de arena en de plaatsen der toeschouwers een reusachtigen zijden doek gespannen. Wanneer het theater met publiek gevuld was, bood het een schouwspel van overweldigende pracht. Op de beste plaatsen zaten de Senatoren in purperomzoomde toga, de priesters der verschillende tempels, zwart gesluierde Vestaalsche maagden, en krijgslieden in schitterende wapenrusting. Daarachter kwamen de rijen der Romeinsche burgers in hun witte of bonte toga, het hoofd onbedekt, baardeloos en met kort geknipt haar; ze onderhielden zich met elkaar in een taal die even welluidend was als het tegenwoordige Fransch en Italiaansch. De talrijke vreemdelingen die Rome bezochten, waren aanwezig, gezanten uit alle landen der wereld, staatslieden, kooplieden en reizigers uit Germanië en Gallië, uit Syrië, Griekenland en Egypte.
Nog machtiger indruk krijgt men van dit bouwwerk wanneer met het niet overdag, maar des avonds bij maanlicht, bezoekt. Het plein voor het theater, waar eertijds de gladiatorenkazernen en de lijkenhuizen stonden, is nu leeg en verlaten, en de duistere nacht breidt zich uit over de ruïnen; maar wanneer men de geweldige arena binnentreedt, beschijnt het maanlicht de hooge, grauwe muren en de verweerde banken. Hier en daar gapen donkere holen, ’t zijn de toegangen tot de onderaardsche gewelven waar de christenen en de wilde dieren opgesloten werden. Want ook in dit theater is de bodem letterlijk met bloed gedrenkt.
Geen geluid van de stad, die ter ruste gegaan is, dringt tot ons door. En toch meen ik reeds lang weggestorven stemmen te hooren. Ik hoor het vreugdegehuil van het gepeupel, dat het bloed van de christenen ziet vloeien; ik hoor den strijdkreet der gladiatoren, het gekletter van hun wapenen wanneer zij elkaar op leven en dood bevechten; uit de onderaardsche gewelven stijgt een dof, hongerig gebrul dat de aarde doet beven, en boven dit alles uit stijgt helder en plechtig het overwinningslied der martelaren ten hemel!
Een circus, of een theater van den tegenwoordigen tijd,—dat is slechts speelgoed, in vergelijking met het Colosseum. De oude Romeinen waren meesters in het uitvinden van zulke schouwspelen, die naar den smaak van de massa waren. Geheele wouden werden tevoorschijn getooverd, waarin de gladiatoren op leeuwen en tijgers jacht maakten. In korten tijd kon het geheele tooneel onder water gezet worden, en op dit kunstmatige meer werden bloedige zeeslagen geleverd, totdat het water rood gekleurd was van bloed. Door vernuftige kanalen liep de arena dan in een oogwenk weer leeg, de lijken werden door slaven weggesleept, en het theater werd ingericht voor een nachtelijk feest. Dan werd de arena door fakkels verlicht, en nieuwe scharen gevangen christenen werden gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Toen de Romeinsche keizer Philippus Arabs in 248 het duizendjarig bestaan van Rome vierde, traden twee en dertig olifanten, een groote menigte wilde dieren en tweeduizend gladiatoren in het Colosseum op.
38. IN DE CATACOMBEN.
Niet ver van het Colosseum ligt het begin van een der oudste en beroemdste wegen, die ooit door menschenvoeten betreden zijn, de Appische weg. Hierlangs hielden keizers en legeraanvoerders hun zegevierenden intocht in Rome; hierlangs werden ze na hun dood uitgedragen om op brandstapels verbrand en in hun familiegraven bijgezet te worden. Hierlangs schreden in duisteren nacht de christenen, om de overblijfselen hunner, in de arena omgekomen, geloofsgenooten aan het onderaardsche Rome toe te vertrouwen. Langs den Appischen weg kwam ook Paulus Rome binnen, omstuwd door een schare christenen, die hem, zooals men in het laatste hoofdstuk van het boek der Handelingen lezen kan, tegemoet gegaan waren. Nog heden staat aan de Via Appia een kleine kapel; ze is geheeten „Quo vadis?” („waarheen gaat ge?”); aan deze kapel is de volgende sage verbonden:
Nadat de apostelen Petrus en Paulus negen maanden lang in den Mamertijnschen kerker gevangen gezeten hadden, werd het doodvonnis over hen beiden geveld. Als Romeinsch burger zou Paulus met het zwaard worden terechtgesteld; Petrus echter werd tot den onteerenden kruisdood veroordeeld.
Doch in den nacht, voorafgaande aan den dag waarop het vonnis voltrokken zou worden, kwamen de gevangenbewaarders bij de gevangenen, bevrijdden hen van hun boeien en fluisterden hun toe: „Vlucht, voor het te laat is!” Paulus vluchtte niet, hij was bereid om voor zijn geloof te sterven. Petrus echter kon, volgens de sage, de verzoeking niet weerstaan. Het was een duistere nacht, de regen stroomde kletterend op het marmeren plaveisel van het Forum neer, en de storm huilde door de zuilengangen. Over de verlaten markt voortsnellend, bereikte hij een der stadspoorten en ontvluchtte Rome langs de Via Appia. Wel sprak zijn geweten, maar hij trachtte het tot zwijgen te brengen door te denken aan al de bekeeringen, die hij zou volvoeren, indien hem nog eenige jaren levens vergund werden.
De storm bedaarde en de lucht werd helder. Daar bespeurde Petrus voor zich uit een lichtschijnsel, dat hem tegemoet kwam. Het licht was niet geel, zooals van vuur, maar blauwachtig als het schijnsel van sterren, en toen het nabij gekomen was, zag Petrus dat het licht van een stralenkrans uitging, die het hoofd omgaf van een man, gehuld in een lang wit gewaad.
Petrus gevoelde bij dezen aanblik een wondere ontroering. Toen de onbekende twee schreden aan Petrus voorbij was, wendde hij zich om en zag den apostel met denzelfden weemoedigen zachten blik aan, dien Petrus zich zoo wel herinnerde van drie en dertig jaar geleden, in den hof van den hoogepriester Kajafas. Hij wierp zich voor Jezus’ voeten, en vroeg:
„Heer, waarheen gaat ge?”
En Jezus antwoordde: „Naar Rome, om nog eenmaal gekruisigd te worden!”
Toen boog Petrus het oude, moede hoofd ter aarde, en weende bitterlijk. Toen hij zich weder ophief, was de Meester verdwenen, en de apostel stond alleen op de Via Appia.
Opnieuw was de storm opgestoken, en zware wolken joegen over de Campagna naar de Appenijnen. Zonder aarzeling, keerde Petrus om, en snelde naar Rome terug. Onderweg ontmoette hij een vrijgelaten slaaf, dien hij zelf gedoopt had.
„Heer, waarheen gaat ge?” vroeg de slaaf verbaasd. En Petrus antwoordde: „Naar Rome om gekruisigd te worden!” Met vluggen tred ging hij verder, ging weer over het Forum, en daalde in de Mamertijnsche gevangenis af. Hier liet hij zich door den gevangenbewaarder de ketenen weer aanleggen.
Den volgenden dag bracht men hem naar een heuvel waar het kruis reeds opgericht was. Daar hij zichzelf evenwel voor onwaardig hield om in dezelfde houding als zijn Heiland te sterven, vroeg hij den Romeinschen krijgsknechten om de gunst om met het hoofd naar omlaag aan het kruis genageld te mogen worden.
Langs de Via Appia gaat men ook wanneer men de onderaardsche catacomben wil bezoeken.
Twee monniken met waskaarsen voeren ons een trap omlaag, en dan gaat het door smalle gangen die een duister en vochtig labyrint onder de aarde vormen. De meeste gangen zijn slechts een meter breed, het dak is gewelfd, en in de wanden ziet men ontelbare nissen waar de christenen hun ontslapene broeders en zusters bij zetten. Men legde het lijk in een doek; kruiste de armen over de borst, wendde hun gezicht naar het Oosten. De nissen werden afgesloten met een marmeren plaat, of met eenige tichelsteenen, en dan zongen de rouwdragers, met fakkels in de handen, geestelijke liederen.
Hoevele lijkstoeten zullen zich wel door deze gangen hebben voortbewogen! Hier rustten de martelaren. Hier verzamelden zich de christenen tot gemeenschappelijk gebed of beraadslagingen, en nog in de vijfde eeuw vierden ze hier in den schoot der aarde feesten ter herinnering aan hun martelaren.
Een steile, donkere trap brengt ons nog een verdieping lager. Vaak liggen vier of vijf verdiepingen onder elkaar, waarvan de diepste meer dan twintig meter beneden den grond ligt. Alle gangen tezamen vormen een lengte van negenhonderd kilometer, en overal vindt men nissen in de wanden; het onderaardsche Rome bevat meer dan drie millioen zulke graven!
Het zou levensgevaarlijk wezen, zich hier zonder een gids te wagen. Men zou doelloos ronddwalen, vergeefs een uitweg zoeken, nu eens rechtsom, dan weer ter linkerzijde een zijgang inslaan. Wanneer de waskaars opgebrand was, zou men al tastend den weg zoeken, telkens struikelend zou men al verder en verder verdwalen. Niet het geringste geluid! Alleen de echo zou op het hulpgeroep antwoorden. De waanzin zou als verlosser komen en men zou het hoofd te pletter stooten tegen een der grafsteenen in deze doodenstad!
In de musea, vooral in het Vatikaan, bevinden zich tal van marmeren gedenkplaten uit dezen oud christelijken tijd. De inschriften zijn in het Latijn of Grieksch geschreven, en bevatten vaak zinnebeeldige voorstellingen waarbij de visch de Heiland, het olijvenblad de vrede, een schip het menschenleven, de duif de ziel van den afgestorvene, het anker de hoop op de opstanding, en de palmtak de zege der zaligen beteekent.
Niets is treffender dan deze grafsteenen met hun korte, veelzeggende afscheidswoorden. Voor de antieke marmeren beelden staat men in stomme bewondering; hier echter, te midden der schatten van deze doodenstad, hoort men de steenen spreken. Voor ongeveer tweeduizend jaren hebben de levenden, vaak in onbeholpen schrift, hun geloof, hun liefde, hun droefheid en hun hoop aan deze steenen toevertrouwd.
Maar wij moeten afscheid nemen van Rome. Er is echter een middel om zich de terugkomst in de eeuwige stad te verzekeren.
Ik heb het zelf geprobeerd. Op een klein plein in Rome verheft zich voor den voorgevel van een prachtig paleis de Fontana Trevi. De zeegod staat op zijn wagen, een reusachtige schelp, die door twee zeepaarden wordt getrokken. Door tritons geleid willen zij over den rand van de nagemaakte rotsen springen, waarover het water in hel-groene golven en witte stralen afstroomt, om beneden in een rond bassin saam te vloeien.
Als de laatste avond van uw verblijf te Rome is aangebroken, begeeft u dan naar de Fontana Trevi. Hier werpt gij—voor de straatjongens—een klein geldstuk in het bassin; laat uw hand volloopen onder een der waterstralen en drinkt van het water van Rome—dan zal u de toovermacht van den zeegod gevangen houden, en uw ziel zal geen rust vinden, voordat gij nog eens uw schreden hebt gericht naar de Eeuwige Stad!
39. POMPEJI.
Weer eenige uren langs glinsterende rails en wij zijn te Napels. Ginds in het Oosten broedt de kegel van den Vesuvius, als een vuurspuwende draak over den zeeboezem, aan welks oever steden en dorpen en stralend witte landhuizen, zoo dicht naast elkaar liggen, als de kralen van een rozenkrans. Op de met lava geplaveide straten van Napels loopen wij rond en kunnen ons niet verzadigen aan het gezicht van de prachtige, bruine gezichten, de bonte, morsige kleederdrachten. Steeds weer zouden wij de melodieuse liederen willen hooren, die ter eere van het liefelijk Napels weerklinken. „Napels zien en dan sterven” is een Italiaansch spreekwoord, het wil zeggen dat voor hem die Napels niet zag, het leven geen waarde heeft!
Wij gaan het nationaal museum binnen en nu verdwijnen voor ons het bonte leven daarbuiten op de straten, de blauwe Golf van Napels en de krans van groenende tuinen. Hier overweldigt ons het verleden, dat in een grootsche verzameling van kunstwerken, beelden en schilderijen uit Pompeji ons tegemoet treedt.
In de zevende eeuw voor de geboorte van Christus, werd niet ver van de kust, aan de Golf van Napels, aan den zuidelijken voet van den Vesuvius de stad Pompeji gesticht. Ongeveer tachtig jaar voor onze tijdrekening kwam ze onder Romeinsche heerschappij en gedurende de volgende honderd vijftig jaren ontwikkelde zij zich in architectuur, taal en gewoonten tot een echte Romeinsche stad. Een muur met torens omringde de huizen en straten met haar 20.000 inwoners en bij het invallen van den nacht werden de acht stadspoorten gesloten. Op het voornaamste plein, het Forum, waar volksvergaderingen en feesten werden gehouden, verhief zich, tusschen open hallen en zuilengangen en een reeks marmeren beelden, de tempel van Jupiter.
Op het tweede plein stonden het theater en een oude Grieksche tempel.
Pompeji werd spoedig een lievelingsstad der aanzienlijke Romeinen, die in het stadsgebied zelf van Pompeji of in de wonderschoone omgeving ervan prachtige villa’s lieten bouwen. Een dezer villa’s, bij de noord-westelijke stadspoort, behoorde aan den beroemden redenaar en schrijver Cicero, die van tijd tot tijd in dezen, zijnen „Tusculum”, ontspanning zocht van het geraas en het onrustige leven in Rome. Men weet heel nauwkeurig dat hij zich hier het laatst ophield in het jaar 44 na Christus, kort na den moord van den grooten Julius Caesar.
Niet ver van de villa van Cicero liep noord-westelijk de „Weg der Graven”, die evenals de Appische heirweg aan beide zijden door grafmonumenten is begrensd, van de eenvoudigste gedenksteenen, tot de kostbaarste altaren en tempels; zij bevatten alle de urnen met het gebeente en de asch der dooden.
De straten waren recht en regelmatig aangelegd, eenige breed, vele heel smal. Zij waren met lavazerken, geplaveid en verhoogde trottoirs liepen langs de huizen. Langs eenige straten waren aan beide zijden winkels, hier en daar was een rij steenen dwars over de straat gelegd, opdat de voetgangers na hevige stortregens, die destijds evenals nu nog alle wegen in kanalen en rivieren veranderden, droogvoets aan den anderen kant konden komen.
Pompeji bezat vele baden, die prachtig en met de uiterste geriefelijkheid waren ingericht. Uit steen opgetrokken, waren zij koel en donker, en boden gedurende den warmen zomer een heerlijke verkwikking. Men legde zijn kleeren in de nissen van de ontkleedhal, en liep van het eene badkamertje naar het andere, om eerst een heet luchtbad, dan een warm bad, en eindelijk een koud bad te nemen. De muren van de kamer voor het koude bad waren met schilderijen versierd, die schaduwrijke bosschages en donkere wouden voorstelden; de blauw gewelfde zoldering was met gouden sterren bezaaid, en het zonlicht viel slechts door een klein rond venster naar binnen; daardoor geleek het bassin op een klein meer in een bosch, onder den vrijen hemel. Men liet zich door de badknechten masseeren en met welriekende oliën inwrijven.
De huizen der welgestelde burgers waren met uitgezochten smaak, en grooten kunstzin ingericht. Naar de straatzijde toe was niet veel meer te zien dan kale, gelijkvormige muren, want de oude Romeinen wilden het heiligdom van hun tehuis niet laten ontwijden door het geraas der straat en de nieuwsgierigheid der voorbijgangers. Precies zoo is het ook nu nog, zooal niet in Italië en Griekenland dan toch in het gansche Aziatische Oosten. In het inwendige wordt daarentegen des te grooter pracht tentoongesteld. Hier stonden beelden en busten, onder open zuilengangen, geurende, weelderige bloembedden, en midden in de voornaamste zaal, in het „atrium” was in den mozaïeken vloer een marmeren bassin aangebracht. Door een vierkante opening in de zoldering boven het bassin, keken zon en maan binnen, en de regen vermengde vaak zijn droppels met de stralen van de steeds klaterende fontein.
Indien de heer des huizes een gastmaal gaf, dan droegen slaven tafels aan, en terwijl ze op lange rustbedden lagen, gebruikten zij de overdadige spijzen; dronken, schertsten en luisterden onderhand naar de tonen der fluiten, citers en cimbalen en volgden met slaperige, door het gebruik van wijn verduisterde oogen de bewegingen van danseressen.
Dat was een gelukkige tijd van ongestoorde rust voor Pompeji! Men genoot van de gaven der wouden, der tuinen en van de zee, dreef handel, vervulde zijn ambtsplichten en verzamelde zich voor beraadslagingen op het Forum, op welks steenen zerken de marmeren zuilen koele schaduwen wierpen. Wie dacht aan den nabijzijnden Vesuvius! Sedert duizenden jaren was de vulkaan reeds uitgebluscht en op oeroude lavastroomen stonden oeroude boomen en tegen de hellingen van den berg rijpten in de zon de heerlijkste druiven, waaruit nog tegenwoordig een wijn wordt geperst, die „de tranen van Christus” heet. De sage vertelt, dat de Heiland eens op zijn omwandeling op aarde, den Vesuvius heeft beklommen, en eerst is blijven staan in stomme bewondering over het heerlijke landschap dat de Golf van Napels omgeeft. Daarna zou Hij, door leed, over deze plaats der ijdelheid en der zonde bitter hebben geschreid. En juist op de plaats waar zijn tranen op aarde neerdruppelden, ontsproot een wijnrank, die haars gelijke niet had!
40. ONDER DE ASCH VAN DEN VESUVIUS.
Een jaar voor den brand van Rome werd Pompeji door een geweldige aardbeving geschokt, maar de bewoners vatten weer gauw moed en bouwden hun stad weer schooner en prachtiger op. Zestien jaren gingen voorbij, toen viel de meest vernietigende slag, die ooit een stad heeft getroffen sedert Sodom en Gomorrha door vuur uit den hemel werden verteerd.
Plinius de Oudere, die ons een onsterfelijk natuur-wetenschappelijk werk heeft nagelaten, was destijds bevelhebber over de Romeinsche vloot; ze lag in de bocht van Napels voor anker, terwijl hij zelf vertoefde bij zijn zuster, op een plaats niet ver van Pompeji. Plinius de Jongere, zijn neef, een jonge man van achttien jaren, was eveneens bij zijn moeder te gast.
De 24ste Augustus van het jaar 79 brak aan. De Vesuvius had zich zoo lang stil gehouden, maar nu kende zijn woede geen grenzen. In den loop van enkele uren begroef hij Pompeji en nog twee andere steden, Herculanum en Stabiae onder een regen van puimsteen en asch en onder een stroom gloeiende lava en heete modder. Onder hen die er het leven bij verloren behoorde ook Plinius de Oudere.