Part 14
Verscheidene jaren later schreef de geschiedschrijver Tacitus aan Plinius den Jongeren en verzocht hem eenig bericht te geven over den dood van zijn oom. Deze geschriften zijn nog bewaard. Plinius beschrijft hoe zijn oom beneden aan het strand door een regen van asch en zwaveldampen stikt. Hij zelf had gezien hoe vurige vlammen uit den krater opstegen en hoe de Vesuvius een zwarte wolk uitspuwde die zich omhoog, als de kroon van een pijnboom vertakte. Hij was met zijn moeder gevlucht in den voorhof van haar huis; maar toen de grond onder hun voeten begon te wankelen en de lucht zich met asch vulde, snelden zij met nog een menigte menschen weg. Zijn reeds bejaarde moeder smeekte hem zich toch door een haastige vlucht te redden, maar hij wilde haar niet alleen laten. „Dikke rookerige duisternis,” zoo luidt zijn beschrijving, „welfde zich dreigend boven ons. Zij overstroomde de aarde als een voortstormende rivier, en golfde achter ons aan. „Laat ons terzijde afslaan,” zeide ik, „zoolang wij nog kunnen zien, opdat wij onderweg niet vallen en in de duisternis, door hen, die ons volgen, worden vertreden.” Ternauwernood waren wij gelukkig aan het gedrang ontkomen, of diepe nacht omringde ons reeds, een nacht, niet alleen zonder maan of bewolkt, maar zooals hij in dichtgesloten ruimten heerscht, waar het licht is uitgebluscht.” Dan vertelt Plinius hoe de vluchtenden kussens op hun hoofd bonden om niet verpletterd te worden door neervallende steenen en hoe men onophoudelijk de asch van zich moest afschudden om niet door den last daarvan op den grond te worden gedrukt. Hij zelf bleef onder deze gebeurtenissen heel kalm, want hij was er van overtuigd, dat de geheele wereld nu ten onder moest gaan.
Door deze uitbarsting van den Vesuvius werd Pompeji onder een dikke, zes meter hooge laag puimsteen en asch begraven. Nog vele jaren later gingen de bewoners van omliggende streken er heen om met spaden allerhande uit te graven. Maar daarna daalde Pompeji in den nacht der vergetelheid en sliep 1500 jaren onder de aarde. Maar na 1500 jaren werd de stad weer ontdekt en men begon opnieuw te graven. Akkers, moerbeiboschjes en landgoederen waren intusschen op het kleed van het geweldige bed van asch opgegroeid. Maar pas vijftig jaar geleden begon de navorsching van den nieuwen tijd met ernst de bedolven stad op te graven, en nu heeft men het reeds voor meer dan de helft gedaan. Tegenwoordig kan de vreemdeling ongehinderd door haar straten rijden, de oude winkels en baden inzien en de prachtige muurschilderingen in de paleizen der aanzienlijken bewonderen. De zuilen van den tempel van Jupiter, die zoo lang in ondoordringbaren nacht begraven waren—werpen nu weer, in de verblindende zon hun schaduw op dezelfde steenen zerken van het Forum als te voren. De Weg der Graven is opengelegd en jonge cypressen schieten omhoog tusschen de grafteekenen. De dooden, die voor den tweeden keer begraven werden, toen de Vesuvius zijn asch over hen uitspreidde, luisterden nu opnieuw naar de schreden van een jong geslacht, buiten op de straat.
Maar de ongelukkigen, die levend onder den aschregen werden begraven, zijn lang tot stof vergaan, en toch zijn er nog en in de musea kunnen wij hen met verwrongen ledematen, het gelaat op den grond gedrukt, zien liggen precies in de houding, die zij innamen, toen zij neervielen en de asch hen bedekte. Want zoo bleven zij als in een gietvorm 1800 jaren liggen! Hun stof werd weer aarde, maar de ontstane ledige ruimte bleef bestaan, en als men gips in zulke holten giet, dan verkrijgt men een levendig afbeeldsel van die menschen in het oogenblik van hun dood! Hier ligt een vrouw, die voor haar huis is neergestort en krampachtig een buidel van goud en zilver met beide handen omklemd houdt; ginds een man, wiens hoofd zwaar op de ellebogen is neergevallen en daar een hond, die zich ineen heeft gerold, voordat hij stikte. Zoo is de slapende stad tot nieuw leven ontwaakt en de dooden zijn teruggekeerd uit het rijk der schaduwen.
Onverbiddelijk heeft de spade alle geheimen van Pompeji onthuld; de asch heeft alles getrouw bewaard, tot zelfs de vluchtige invallen, die op de hoeken van huizen werden geschreven. Op een huis werd aangegeven, dat het vanaf den eersten Juli te huur was: „Mogelijke huurders worden verzocht zich tot den slaaf Primus te wenden.” Op een anderen hoek raadt een grappenmaker een kennis aan: „Loop heen en hang je op!” Een burger schrijft van zijn vriend: „Ik hoor tot mijn leedwezen, dat je gestorven bent.—Vaarwel!” Een andere muur draagt de vriendelijke aanmaning: „Hier is geen plaats voor luilakken, maak dat je wegkomt, jij, deugniet!” Het merkwaardigst zijn echter de woorden Sodom en Gomorrha, die stellig door een Jood tegen een huis werden ingekrast. Zelfs de schrijfoefeningen der schooljongens zijn nog tegen een muur te herkennen, pogingen in het Grieksche alphabet, hetgeen bewust dat de Grieksche taal een deel van het onderwijs uitmaakte. Oudere jongens hebben, precies als zij nu nog doen, verzen van voorname dichters ingekrast, en eens vindt men, met houtskool geschreven en nog maar voor de helft leesbaar: „Verheug u op het vuur, Christen!” Zoo bespotte men de martelaars, die met teer overgoten in den tuin van Nero als fakkels werden verbrand!
De kunstschatten, schilderijen en beeldhouwwerken, die men te Pompeji heeft uitgegraven, hebben met den geheelen aanleg der stad, haar bouwtrant en haar inschriften een licht over het leven der Oudheid geworpen, dat men te voren nooit had vermoed. Maar nog een veel rijkeren oogst voor de wetenschap verwacht men uit het bed van lava en slib, dat Herculanum, de stad die naast Pompeji lag, bedekt. Maar op dien bodem zijn intusschen twee steden verrezen, die eerst verwijderd zouden moeten worden als ook Herculanum uit zijn eeuwigen slaap gewekt zou worden.
Vaarwel, Pompeji en Napels!
Wij gaan in gedachten op een schip dat ons over de Golf van Napels draagt. Rechts laten wij het verrukkelijke eiland Capri achter ons. Aan de noordelijke zijde ervan kan men liggend in een platte roeiboot, of zwemmend een rotsopening, die niet hooger is dan een meter, voorbij gaan, die toegang geeft tot de Blauwe Grot. Zij werd in 1826 door twee Duitsche schilders ontdekt. Daarbinnen strekt zich een stille, kristalheldere watervlakte uit, meer dan vijftig meter den berg in en het gewelf boven den waterspiegel is vijftien meter hoog. De eenige verlichting van het inwendige der grot, is de reflectie der kleur van den hemel en van de zee in de grot, van welker gewelf en wanden druipsteenen als ijskegels neerhangen—alles blauw. Dompelt men een roeispaan of de hand in het water dan glinstert zij, door de reflectie van den witten zandbodem, zilverwit. Maar men kan het slechts bij kalm weer wagen er in te varen, anders zou de boot tegen de rotsachtige zoldering verpletteren. Slechts moedige bewoners van Capri wagen er zich ook bij hooge zee in, met groote handigheid en vlugheid boegseeren zij hun boot tusschen twee golfslagen in de grot.
Aan onze linkerhand verbergt een landtong de witte huizen en olijftuinen van Sorrent, een kleine stad, die door groote dichters werd bezongen. Daarna stevenen wij op de turkoois-blauwe watervlakte van de Tyrrheensche zee verder. In het Zuiden duikt het rotseiland Stromboli uit de golven op, met zijn vuurspuwenden op een vuurtoren gelijkenden vulkaan. In de straat van Messina zijn wij tusschen de kusten van Calabrië en Cicilië, die zoo vaak door ontzettende aardbevingen werden verwoest. Maar nu gaat het naar buiten, in de groote, open Middellandsche Zee. Achter ons verdwijnt Italië en daarmede Europa aan den horizon, en wij schommelen naar het Oosten, naar het land der pharao’s.
41. EGYPTE.
Ik herinner mij nog alsof het gisteren gebeurde, den dag in het jaar 1885, toen de telegraaf over de gansche aarde de treurmare bracht, dat Chartoem gevallen en Gordon Pacha, de gouverneur van Soedan omgekomen was! Zelden werd de geheele wereld zoo diep getroffen door den dood van een man.
Gordon was een Schot, maar werd in 1833 in een der voorsteden van Londen geboren, en reeds als jonge luitenant bij de genie, hoorde hij onder de muren van Sebastopol het oorlogsgedonder dreunen. Als dertigjarig majoor voerde hij het bevel over het keizerlijk leger in China en onderdrukte den schrikkelijken Taiping-opstand, die sedert 1851 in de provinciën aan de blauwe Rivier woede. In anderhalf jaar had hij de rust hersteld.
Nadat hij eenige jaren, gedeeltelijk in zijn geboorteland, gedeeltelijk in de landen van het Oosten had doorgebracht, trad hij in 1874 in dienst van den Khedive, den onderkoning van Egypte. De Khedive Ismail was een energiek man met vooruitstrevende plannen. Hij wilde zijn rijk uitbreiden tot aan de groote meren van den aequator, waar men meende dat de Nijl moest ontspringen, en Gordon zou over een provincie regeeren, die haar naam, Aequatoria, naar den aequator draagt. Vlak ten Zuiden van Caïro, de grootste stad van Afrika, de hoofdstad van Egypte, begint een hoogland, dat zich van het Noorden naar het Zuiden bijna over het geheele vasteland uitstrekt. In Abessinië verheft het zich tot aanzienlijke hoogte en rondom den aequator, verheft het zich tot Afrika’s hoogste bergtoppen. Als een scherm houdt dit gebergte allen regen verre van Egypte en groote deelen van Soedan. De waterdampen, die de passaatwind des zomers over Abessinië heendrijft, veranderen in de bergstreken van dit land in regen en sneeuw en de wind komt droog naar Nubië en Egypte. Wat aan vochtige massa’s uit den warmen Indischen Oceaan opstijgt en door den passaatwind naar het Noordwesten wordt gedreven, verandert gedurende acht maanden van het jaar in water, in de gebergten bij den aequator, en zoo ontvangt het Nijldal ook van daar geen neerslag. De bodem blijft hoog en ontzaglijke gebieden zijn woestenijen, waar bronnen slechts op groote afstanden van elkaar liggen. Maar gedragen door de winden van den Indischen Oceaan, ruischt de regen op de Oost-Afrikaansche gebergten neer en verzamelt zich daar tot geweldige rivieren. De Atbara en de Blauwe Nijl stroomen uit Abessinië neer en veroorzaken in den herfst de bekende overstroomingen van den Nijl; gedurende het overige deel van het jaar zorgt de Witte Nijl voor de bewatering van Egypte. Zoo gedijt het land ook zonder regen, en ontelbare kanalen bevruchten in zijn plaats de akkers in welker, krachtigen, moerassigen slibbodem ontelbaar veel graansoorten; tarwe, mais, gerst en durrha (negergierst), groenten als boonen en erwten en veel dadelpalmen welig groeien en suikerriet en katoenstruiken, zich steeds meer uitbreiden. Van uit een ballon gezien zouden deze akkers, die palmen en vruchtboomen zich afteekenen langs de rivier als een groene band, terwijl het geheele overige gebied er geel en grauw zou uitzien; want het bestaat slechts uit droge zandwoestijnen.
Zoo is de Nijl voor Egypte de gewichtigste levensvoorwaarde. Daarvan vertelt de geschiedenis van de verste Oudheid ons reeds. Want Egypte is een der oudste cultuur-centra der aarde. Wie duizelt niet bij de gedachte, dat de eerste koning van wien gegevens uit de Oudheid worden medegedeeld 3200 jaren voor de christelijke jaartelling heeft geleefd en dat de groote piramide bij Giseh 4600 jaren oud is! Het grafgewelf ervan is in de vaste steenmassa ingemetseld en daar staat tegenwoordig nog de sarcophaag van rood graniet van koning Cheops. Twee millioen 300.000 steenblokken, elk tien kubieke meter groot, zijn noodig geweest om voor een vergankelijk koning een onvergankelijk grafteeken op te richten! Het gaat door voor het grootste bouwwerk, wat ooit door menschenhanden werd opgericht. Gebouwen van onzen tijd schrompelen daarnaast tot niets ineen. Slechts de lange Chineesche muur zou er zich, wat omvang betreft, mede kunnen meten, maar hij is vervallen en voor het grootste deel van de aarde verdwenen, terwijl de piramide van Cheops er nog altijd als voor duizenden jaren staat, nu eens door de zon verwarmd, dan weer door het maanlicht beschenen, of als een sprookjesachtige verschijning te midden van den duisteren, lauwwarmen nacht.
Twee duizend kilometer ten zuiden van de hoofdstad van Egypte eindigt de woestijn en vandaar bedekken geweldige moerassen en dicht riet den grond. Dit is Soedan, „het land der zwarten”. Op de landpunt, in welks hoek de Witte en de Blauwe Nijl samenvloeien, lag Chartoem, de eenige stad van Soedan, tot waar handelswegen van alle kanten heenleidden, en waar de waren nooit onverkocht bleven liggen. Naar de kostbare veeren van den snelvoetigen struisvogel was toch ter versiering der Europeesche dameshoeden steeds groote navraag en eveneens naar het kostbaar ivoor van de Afrikaansche olifanten die grooter en krachtiger zijn dan hun Indische neven en die bij kudden worden neergeschoten of in het woud in valkuilen worden gevangen. Maar het handelsartikel dat het meest op prijs werd gesteld, en langs Chartoem ging, dat waren de slaven, „het zwarte ivoor”, zooals hun hartelooze Arabische handelaars hen noemden. Het vervoer der olifantstanden door paarden of ossen was te duur, daar vele dieren bezweken onder de steken van de giftige vliegen. Daarom moest het ivoor door menschen worden gedragen en zoodra deze hun diensten hadden bewezen, werden zij zelf naar Egypte, Rome, Syrië en Turkije verkocht. Wouden en woestijnen waren niet onuitputtelijk, ivoor en struisveeren konden eens een einde nemen; voor uitsterven van negers behoefde men niet te vreezen. Sedert voor drie honderd jaren, een Engelsen kapitein de eerste scheepslading slaven naar Amerika bevrachtte, heeft deze schandelijke handel tot in den modernen tijd als een vloek gerust op het werelddeel der zwarten.
42. MET GORDON DEN NIJL OP.
Gordon had het stadhouderschap van de nieuwe provincie, niet ver van de bronnen van den Nijl op zich genomen in de hoop den slavenhandel eindelijk te kunnen uitroeien of althans eenigszins de jacht op zwarte mannen en vrouwen te stuiten. Hij voer van Caïro over de Roode Zee naar Soeakin, reed naar Berber aan den Nijl en werd daar door den generaal gouverneur der provincie Chartoem met grooten luister ontvangen. Hier vernam hij dat de Nijl nog 1500 kilometer verder zuidelijk bevaarbaar was en hij dus zijn reis zonder oponthoud kon voortzetten.
De Nijl bood aan Gordon’s stoomboot den uitnemendsten weg. Maar dezelfde rivier kan voor den reiziger ook een onoverwinnelijken hinderpaal zijn. Want na den regentijd treedt ze buiten haar oevers en vormt een onontwarbaar doolhof van zijarmen, meren en moerassen. Tusschen ondoordringbare bosschen van riet en velden van papyrusstruiken is de vrije waterweg dikwijls niet meer dan een nauwe doortocht. De wortels der grootere planten maken zich los uit het slik en pakken zich samen met stengels en aarde tot koeken, die dan door het aandringende water naar het Noorden worden gedreven. In smalle openingen of bij scherpe bochten blijven ze hangen en telkens worden weer nieuwe van deze eilanden aangespoeld en botsen tegen ze aan. Zoo stuwden zij het water der rivier op, en tusschen deze natuurlijke dammen vormt het water meren. Zulke gezwellen van drijvende en vastrakende, verrottende vegetatie noemt men „Sedd”, en hoe sterker de regen is, des te grooter is deze stroomafwaarts gedreven slibmassa. Eindelijk weeken de hardgeworden koeken weer, bezwijken voor den druk van het water en dan is de Nijl weer bevaarbaar.
Langzaam gleed Gordon’s stoomboot stroomopwaarts en drong steeds dieper in de tot nu toe onbekende wereld van het tropisch Afrika. Aan den oever schommelden de waaiers der papyrusstruiken boven het riet. Uit het merg van den papyrus bereidden de oude Egyptenaren een stof, het papier, waarop zij hun kronieken neerschreven. Tusschen de struiken zag de bemanning van de stoomboot de zwarte inboorlingen en zwervende scharen luid schreeuwende apen. De nijlpaarden, op zwemmende eilanden gelijkend, vertoonden zich slechts bij nacht, als zij het ondiepe water opwoelden. Achter de weelderige vegetatie van de oevers strekten zich eindelooze grassteppen uit, met hun groot aantal dieren, en hun schaarsche bosschen.
Na vier dagen en vier nachten gleed de stoomboot het eiland Abba voorbij. Hier woonde in zijn grot een bedelmonnik, de derwisch Mohammed Ahmed, en deze eenvoudige man wierp zich later op tot beheerscher van Soedan en zijn fanatieke scharen zouden tien jaar later Gordon’s moordenaar worden!
Midden April bereikte Gordon Gondokoro, een kleine plaats, die tegenwoordig op de grens van Soedan en Britsch-Oost-Afrika ligt. En nu begon hij als stadhouder van de aequator-provincie zijn werkzaamheid. De Egyptische soldaten die hier en in twee andere plaatsen aan den Nijl in garnizoen lagen en op eigen hand een rooversleven leidden, voedde hij op tot nuttigen arbeid met ploeg en spade, de slavenjagers die men meester kon worden, werden gevangen genomen en de slaven bevrijd. Overal stond Gordon de armen bij, beschermde de hulpeloozen en zond aan de hongerenden durrha.
De hitte was ontzettend en misschien nog erger de wolken bloeddorstige muggen, door welke Gordon en zijn metgezellen werden geplaagd. Maar toen in September de regen begon te vallen en de geheele streek in een moeras veranderde, werd hun toestand nog gevaarlijker, want uit deze moerassen stegen moordende koortsdampen omhoog. Na een maand waren reeds zeven van Gordon’s officieren aan de koorts overleden, maar hij zelf werkte onverpoosd aan zijn taak. „Als God wil, zal ik in dit land veel uitrichten”, schreef hij in zijn dagboek.
Spoedig zag hij, dat de beste streken van zijn provincie aan de groote meren in het Zuiden lagen. Maar de provincie Aequatoria was te ver van Egypte verwijderd; zij hing als aan een oneindig lang koord, den Nijl. En van het Victoria-Niansa—het grootste meer—tot aan Caïro waren het in rechte lijn 3500 kilometer. Des te korter was de weg naar Mombasa, aan de Oostkust. Gordon raadde daarom den Khedive aan Mombasa te veroveren en vandaar uit een weg naar het Victoria-Niansameer aan te leggen. Daardoor zou de bestrijding van den slavenhandel aanmerkelijk veel gemakkelijker zijn geweest. Met vurige woorden schilderde hij hem in brieven den toestand in Soedan en deze brieven deden den Khedive de oogen opengaan over dingen, waarover hij uit den mond zijner pacha’s nooit de waarheid had vernomen.
Gordon wilde allereerst een stoombootdienst instellen naar de meren; toen de Nijl begon te stijgen, kwamen de stoombooten aan. Nu ging het verder naar het Zuiden. De inboorlingen sloegen deze expeditie echter met haat gade en vreesden de Egyptische overheersching. Zij beproefden het verder doordringen van den „Witten Pacha” te verhinderen, het was Gordon zeer pijnlijk de wapenen tegen hen te moeten keeren. Zij verlangden verder niets dan in hun woestijnen en bosschen met rust te worden gelaten, en het doel van den indringer was hen onbegrijpelijk. Gewelddaden stond Gordon echter aan zijn manschappen niet toe. Gestolen vee moesten zij weer teruggeven en de dochter van een hoofd, die zij gevangen genomen hadden, liet hij met kostbare stoffen en gewaden tooien en onder ridderlijke bescherming weer naar huis brengen. In tegenstelling van alle andere Europeanen kende hij noch haat noch wreedheid; vandaar zijn merkwaardige macht over de wilden van Afrika, precies zooals hij tien jaren vroeger over de Chineezen had gehad!
Na groote moeielijkheden bereikte hij eindelijk het noordelijkste der Nijl-meren, het Albert-Niansameer. Het bereiken van dit doel was een heldendaad. Maar tot aan het Victoria-Niansameer door te dringen gelukte hem niet, want de beheerscher van het land tusschen de meren duldde geen indringers noch blanke, noch Arabieren.
43. DE WITTE PACHA.
Drie jaren lang werkte Gordon aan den Boven-Nijl, in de nabijheid van den aequator. Gedurende de volgende drie jaren vinden wij hem verder noordelijk als stadhouder van het geheele Egyptische Soedan; Chartoem is z’n hoofdstad. Zijn provincie is 2000 kilometer breed, vanaf de Roode Zee tot aan de Sahara en haar uitgestrektheid naar het Noorden en Zuiden is niet minder.
Het geheele land bevindt zich in opstand. De Khedive van Egypte heeft met den koning van het christelijk Abessinië een ongelukkigen oorlog gevoerd en de Mohammedaansche rijken: Kordofan en Darfoer in Westelijk Soedan zijn tegen hem opgestaan. Juist in dit deel van de provincie van Gordon doorkruisen half wilde Bedouïnen-stammen de woestijn, eenige van de boosaardigste slavenhandelaars hebben daar hun holen.
In Mei 1877 beklimt Gordon zijn vluggen dromedaris voor een reis van 3300 kilometer. Hij zelf wil de dorpen en tentkampen der slavenhandelaars in het ver verwijderd Darfoer opzoeken, ondanks het warme jaargetijde. Troosteloos strekt zich naar alle kanten de woestijn uit, grauwgeel, stoffig en droog. Als de zon de middaghoogte heeft bereikt, verdwijnt de schaduw van den dromedaris bijna onder het dier.
De eene mijl na de andere jaagt de Witte Pacha over het woestijnzand op zijn prachtig rijdier, dat in geheel Soedan beroemd is. Eenige honderden Egyptische ruiters volgen hem, maar ze blijven ver achter, alleen de gids is in staat hem bij te houden. Geheimzinnig en onverwacht als de wind stuift hij verder, en houdt voor de poort eener oase stil nog voordat de wacht zijn geweer kan presenteeren. En nadat hij uit naam van den Khedive zijn bevelen heeft uitgedeeld, verdwijnt hij even geheimzinnig; niemand weet waarheen. In een andere 500 kilometer verder liggende oase, heeft men bericht van zijn reis ontvangen, en de hoofdman heeft wachten uitgezet, die de nadering van den Witten Pacha moeten melden. Geel en zandig strekt zich in het rond de door de zon doorgloeide woestijn uit, evenals de spiegel der zee; mijlen ver moet men elken reiziger kunnen zien. Daar meldt de wacht twee zwarte punten in het verschiet. Dat kunnen niet anders dan de voorrijders van den pacha zijn, en het zal nog wel uren duren, voordat hij zelf met zijn troepen aankomt. De beide punten worden grooter en naderen snel; de lange pooten van den dromedaris glippen over den woestijngrond, zij vliegen als op onzichtbare vleugelen. Daar zijn zij reeds aan den rand van de oase, en de bewoners vertrouwen hun oogen niet; de een der beide aangekomenen draagt de goudgeborduurde uniform van den Egyptischen Pacha! Zonder vaandels en militaire muziek en al den uiterlijken glans van z’n positie. Nooit had men in Soedan zoo een stadhouder zien reizen.
Even raadselachtig gauw is hij ook weer verdwenen; in onveilige plaatsen legt hij bezetting; in andere streken bezet hij de paden die naar de bronnen leiden, om oproerige stammen tot onderwerping te dwingen. Met ijzeren gestrengheid breekt hij de macht der opperhoofden, die nog slavenhandel drijven. Hij bevrijdt een menigte zwarte slaven en vormt hen tot soldaten, want hij heeft manschappen noodig; de krijgslieden van zijn gevolg zijn slechts het schuim van Egypte en Syrië. Met een handvol mannen volbrengt hij goed gerichte aanvallen tegen de zwakste punten van den vijand en overwint steeds. In vier maanden heeft hij het oproer onderdrukt en de heerschappij der slavenhandelaars gebroken!
Het spoedig tot rust brengen van West-Soedan, was eveneens een heldendaad en het is nauwelijks te begrijpen, hoe Gordon bijna alleenstaand tegenover talrijke oproerige stammen, ze heeft volbracht. Door zijn ontzaglijke snelheid en verrassende alomtegenwoordigheid, deed hij de menschen gelooven, dat hij over heerscharen te beschikken had, terwijl hem slechts eenige honderden mannen ten dienste stonden en door zijn onwankelbare kalmte en zijn groot overwicht verlamde hij elken aanslag.
Een karavaan met slaven trekt door de woestijn. In lange rijen komen de zwarte mannen aanloopen, die tot den zwaren arbeid der lijfeigenschap veroordeeld zijn en de jonge meisjes, die voor de harems van Egypte en Turkije bestemd zijn, gedreven door hun Arabische meesters, als vee, met zweepslagen aangezet en dikwijls in den dood gedreven. Gedurende de warmste uren van den dag wordt aan de van honger en dorst versmachtenden toegestaan uit te rusten, maar de woestijn biedt geen schaduw en zoo liggen zij midden in de gloeiende middagzon halfdood van uitputting. En dan suist de zweep weer op de naakte ruggen neer, en in de avondkoelte worden zij verder naar het Oosten gedreven.
Daar nadert in een stofwolk de Witte Pacha. De tirannen vluchten als kaf voor den wind, alle banden worden losgemaakt, alle honger gestild, de mannen worden gewapend. Voor een troep slaven heeft het uur der bevrijding geslagen!