Part 15
Zoo zuiverde Gordon geheel westelijk Soedan. Ten laatste bleef alleen nog Dara in Zuid-Darfoer over. Hier hadden zich de machtigste slavenkoningen, tot weerstand, verzameld. Maar als de bliksem viel hij op zekeren dag hun tentkamp binnen. Zij hadden hem gemakkelijk om het leven kunnen brengen; met bovenmenschelijke kalmte ging hij alleen tusschen hun tenten rond, en niemand waagde het hem aan te raken. Toen zijn troepen aankwamen, liet hij de opperhoofden in zijn tent komen en stelde hen daar zijn voorwaarden: het neerleggen der wapenen en terugtrekken naar hun haardsteden. En de een na den ander gehoorzaamde en ging stil zijns weegs.
Wie was deze buitengewone man, die zijn scepter over een land zwaaide, dat grooter was dan alle koninkrijken van Europa te zamen; Arabieren, Egyptenaren en negers, onderdrukkers en onderdrukten vreesden en bewonderden hem evenzeer! Hij reed op zijn snelvoetigen dromedaris sneller dan de roofzuchtige Bedouïn en haalde zelfs den struisvogel in aan den rand van de Libysche woestijn! Geen gevaar schrikte hem af. Rechtvaardigheid en bescherming van de zwakken, daarin bestond zijn leven en hij verlangde geen loon. Een pacha, die zijn macht niet gebruikt tot afpersingen—van zoo een had men nog nooit gehoord! De herinnering aan Gordon zweeft nog heden als een lied en een sage over de troostelooze woestijn!
Wat bereikte Gordon door zijn rustelooze jacht voor het geluk der zwarten? De slavenhandel wortelde als een onkruid veel te diep in Afrika’s aarde, om opeens uitgeroeid te kunnen worden. Ternauwernood was Gordon naar Chartoem teruggekeerd, of de slavenhandelaars begonnen hun schandelijk bedrijf opnieuw. En toch gaf hij de hoop niet op. „Stuur mij een man,” zoo schreef hij in zijn dagboek, „die geld, roem en onderscheidingen veracht, die geen hoop meer koestert zijn geboorteland terug te zien, en tot God opziet als de bron van het goede en den wreker van het kwade, een man met gezond lichaam en ijzeren karakter, die den dood beschouwt als den bevrijder van alle ellende—ik neem hem in mijn dienst. Indien gij zoo een niet vindt, laat mij dan alleen! Ik heb genoeg aan mijzelf te dragen; ik heb geen bagage noodig!”
Van uit zijn groot paleis te Chartoem regeerde Gordon zijn geweldige provincie en richtte nieuwe slagen tegen den slavenhandel. Dikwijls lag hij, als in September na de zomerwarmte de koortstijd begon, in hooge koorts ijlend op zijn legerstede, of zwierf rusteloos door zijn eenzame zalen, steeds nieuwe plannen smedend om de zwarten te redden. Voor hem had het leven geen waarde, als hij het niet gebruiken kon om het lijden van anderen te verminderen.
Bij de wisseling van het jaar gistte het weer aan alle kanten. De provincie Bahr el-Ghasal, die uit haar binnenland den Witten Nijl talrijke zijrivieren toezendt, was in opstand, en Abessinië dreigde met oorlog. In Bahr el-Ghasal regeerde Ziber, een machtig Arabisch opperhoofd; deze had de brandfakkel tegen Egypte ontstoken en nu dreigde de beweging zich over geheel Darfoer uit te breiden. Het opperhoofd kocht bij de negerstammen in het hartje van Afrika een menigte slaven, om hen als soldaten tegen Egypte te gebruiken. De negers zelf hebben altijd den slavenhandel vergemakkelijkt; als de stammen onder elkaar met bogen, speren en schilden, vervaardigd van de huid van nijlpaarden, oorlog voerden, dan aten zij hun verslagen vijanden op en verkochten de gevangenen als slaven. Daarom viel het aan het Arabisch opperhoofd gemakkelijk manschappen te krijgen. Maar Gordon’s waakzaamheid verijdelde zijn plannen.
Ternauwernood was de rust weer hersteld, of Gordon ontving het bericht dat Khedive Ismail Pacha afgezet was, en een nieuwe Khedive het lot van Egypte bestuurde. Nu spoedde hij zich naar Kaïro en verzocht om zijn ontslag. Maar de nieuwe Khedive kon hem niet missen, en drong bij hem aan, dat hij bleef. Gordon liet zich overhalen en begaf zich nu, in opdracht van den nieuwen Khedive, naar koning Johannes van Abessinië, om te zien of de dreigende oorlog niet was af te wenden. Maar de koning behandelde hem met minachting en stelde onaannemelijke voorwaarden. Daarom keerde Gordon naar zijn hoofdstad Chartoem terug. Maar op het oogenblik, dat hij de grenzen van Soedan had bereikt, werden hij en zijn metgezellen door Abessinische ruiters gevangen genomen, die hem dwongen Soedan te verlaten en door de met sneeuw bedekte bergen van Abessinië den terugtocht naar de kusten van de Roode Zee te ondernemen.
Zoo keerde hij weer naar Kaïro terug. Nijd en afgunst begluurden elk zijner schreden. Vele Europeanen haatten en vreesden hem ook. Want Egypte moest immers tot wanhoop worden gedreven; maar Gordon steunde den Khedive. In zijn eigen vaderland, Engeland, werd hij belasterd en zijn particuliere correspondentie met den Khedive werd in de dagbladen openbaar gemaakt. De een noemde hem krankzinnig, de ander een gevaarlijk avonturier. En toch was Gordon een der grootste en edelste mannen, die ooit heeft geleefd.
Spoedig daarop vinden wij hem in Bombay. Hier ontving hij een telegram van den grooten staatsman Li-hung-tschang, die hem verzocht, dadelijk naar Peking te komen. Rusland bedreigde China met den oorlog en China dacht er nog aan, dat Gordon den Taiping-opstand had onderdrukt. Werkelijk gelukte het hem weer door verstandigen raad, het krijgsgevaar af te wenden, en hij leerde den Chineezen hoe zij hun verdediging moesten inrichten.
Welk blad van Gordon’s levensgeschiedenis wij ook opslaan, ze schijnt ons steeds een heldensage toe. Na zijn terugkeer uit China vertoefde hij in Ierland, daarna in Engelschen dienst, op het eiland Mauritius in het Oosten van Madagascar, en spoedig daarop in Zuid-Afrika. In het einde van 1882 was hij weer in Engeland en een jaar daarna dwaalde hij eenzaam en vergeten door de straten van Jeruzalem. Hij zocht alle plaatsen op, waar de Heiland had geleefd en geleden, alsof hij zich door dezen pelgrimstocht wilde voorbereiden op het laatste jaar van zijn merkwaardig leven.
44. DE ONTRUIMING VAN SOEDAN.
Intusschen waren gewichtige gebeurtenissen in Egypte voorgevallen. Engeland had schepen en soldaten naar het land van den Khedive uitgezonden, en in Egypte de macht aan zich getrokken. Mohammed Ahmed, de koning der derwischen, die vroeger op het kleine Nijleiland Abba woonde, had zich uitgegeven voor een Godsgezant, tot redding der onderdrukten, als Mahdi of Messias van den Islam. In het Mohammedaansch Soedan heerschte overal ontevredenheid, want Egypte had toch eindelijk den slavenhandel verboden. Al de ontevreden stammen verzamelden zich onder het vaandel van den Mahdi. Zijn doel was het afschudden van het Egyptische juk, en als een brand der steppen vloog zijn oproep tot den heiligen krijg door geheel Noord-Afrika. Met verstand en energie tooverde hij uit het rampzalig Soedan zulk een machtig rijk, dat Engeland in zorg geraakte. Een leger van 10000 Egyptenaren, dat gedeeltelijk onder Engelsch bevel stond, werd, toen het Kordofan wilde veroveren, zoo volkomen door de opgezweepte scharen van den Mahdi vernietigd, dat er nauwelijks een ooggetuige overbleef van deze gebeurtenis. Wapenen en ammunitie van dit leger beteekenden voor de overwinnaars een welkome versterking.
De positie van de Engelsche regeering was nu moeilijk. Soedan moest veroverd of ontruimd worden. Men besloot het te ontruimen, maar in Chartoem en in verschillende andere plaatsen aan den Aequator lag nog Egyptisch garnizoen. Hoe zou men die uit de macht van den Mahdi redden en den Nijl afvoeren?
Daar herinnerde men zich den man, die Soedan het best kende en alleen in staat zou zijn, deze reuzentaak, de redding van die garnizoenen, te volvoeren! En toen in het einde van 1883 de nieuwe jobstijding kwam, dat de Mahdi weer een Egyptisch leger, onder Engelsch commando, had vernietigd, verzocht de Engelsche regeering aan Gordon, deze taak op zich te willen nemen! Gordon verklaarde zich bereid en reisde dadelijk naar Kaïro.
Vandaar begon hij zijn laatste reis den Nijl op. Achter hem verdwenen de prachtige moskeeën en minaretten van Kaïro, van welker galerijen de priesters tot het gebed oproepen en de oeroude pyramide van Cheops onttrok zich aan zijn oogen, achter heuvelen en palmboomen. In Korosko, aan de noordelijke spits van de groote S-vormige kromming van den Nijl, beklom hij zijn dromedaris en vervolgde het smalle, slingerende pad, dat sinds duizenden jaren door de droge beddingen van de Nubische woestijn, over verweerde vulkanische heuvels en door duinen van verstikkend zand leidt. Wat was hij gelukkig, toen hij nu weer de schreden van zijn dromedaris in het woestijnzand kon beluisteren; Alsof de vlugge gang van zijn rijdier hem regelrecht naar het verlangde doel moest voeren! Zoo was hij duizenden mijlen door Soedan gereden, toen hij nog voor de bevrijding der slaven streed. Nu had hij slechts de eene gedachte, de bedreigde garnizoenen te redden, ook al moest het zijn eigen leven kosten.
De garnizoenen in zekerheid brengen! Dat klonk zoo eenvoudig. Maar in werkelijkheid was het een hopelooze opdracht. Chartoem ligt pas op de helft van den weg naar den aequator, en het grootste deel van het geheele land was in de macht van den Mahdi. Toch geloofde Gordon door snel handelen zijn taak te kunnen vervullen, en zoo niet, dan wilde hij in elk geval zijn plicht doen.
Op den weg naar Abu Hammed, die de noordelijke bocht van den Nijl afsnijdt, reed Gordon door de Nubische woestijn, bereikte gelukkig Abu Hammed, en trok dan Nijlopwaarts verder over Berber naar Chartoem. Ondanks den oorlog was de geheele weg vrij.
De vanzelfsprekende taak van de Engelsche regeering, die een der der grootste zonen van haar land naar Chartoem zond om vele duizenden menschenlevens te redden, zou zijn geweest, bezetting naar Korosko, Abu Hammed en Berber aan den Nijl te zenden, om den terugtocht der garnizoenen te dekken! Maar inplaats daarvan redeneerden de Engelsche ministers en Egyptische pacha’s, de gezanten generaals en ingenieurs over en weer, kibbelden over kleinigheden, beproefden elkaar de loef af te steken en vergaten daardoor de eenvoudigste van alle voorzorgsmaatregelen, die binnen een maand uitgevoerd hadden kunnen worden en het minst gekost zouden hebben! Inplaats van dit beraamde men het plan een spoorlijn aan te leggen van de Roode Zee naar den Nijl; maar de ingenieurs rekenden eindelijk uit, dat de aanleg twee jaren zou duren en het water, dat men van de zee naar de woestijn zou moeten oppompen, zou zoo duur worden, dat men even goed de stoomketels der locomotieven met champagne zou kunnen vullen! Genoeg, Korosko, Berber en Abu Hammed bleven zonder verdedigers, en daarmede waren Gordon en de garnizoenen aan hun lot overgelaten!
45. IN DE MACHT VAN DEN MAHDI.
Den 18den Februari 1884 trok Gordon voor den tweeden keer als stadhouder van Soedan Chartoem binnen, en nam weer zijn intrek in zijn oude paleis. Wreedheid en onrecht van allerlei aard hadden, gedurende de jaren zijner afwezigheid, om zich gegrepen. Nu opende hij de deuren der overvolle gevangenissen, onbetaalde belastingpapieren werden verbrand, allerhande martelwerktuigen gebroken en in den Nijl geworpen. Daarna begon hij met de ontruiming der stad. Ongeveer 3000 vrouwen en kinderen werden naar Abu Hammed en door de Nubische woestijn naar Korosko gezonden; zij kwamen daar nog zonder gevaar en waren gered. Langs denzelfden weg zou het oprukken van troepen uit Egypte een kleinigheid zijn geweest. In plaats daarvan zond Engeland een expeditie naar Soeakin, om aan de Roode Zee een vast standpunt te hebben! Dat deed de woede der oproerige stammen in Soedan nog meer ontvlammen, want zij veronderstelden natuurlijk, dat de blanken van daar uit hun land wilden veroveren. Steeds vaster sloten zij zich aaneen, rondom den Mahdi, en hun haat richtte zich tegen den gevreesden Gordon en de weinige Europeanen, die zich met hem te Chartoem bevonden.
Zoolang de telegraaflijn naar Kaïro nog in orde was, bracht Gordon de machthebbers op de hoogte van zijn toestand. Vóór alles verlangde hij, dat de weg van Soeakin naar Berber bezet werd, want ook vanaf deze lijn was Soedan te beheerschen. Maar men verwierp zijn raadgevingen en Berber werd door de troepen van den Mahdi veroverd. Verschillende, tot nu toe bevriende opperhoofden ten Noorden en Noordoosten van Chartoem voegden zich nu ook bij den Mahdi, onophoudelijk kwamen berichten van nieuwe opstanden naar Chartoem, en in de stad zelf was Gordon aan alle kanten door verraders omgeven. Den 10den Maart werd de telegraafkabel doorgesneden, en nu lag een geheel halfjaar diep stilzwijgen over Gordon en zijn manschappen! Reeds den 11den Maart vertoonden zich aan den oever van de Roode Zee Arabische krijgslieden, de Mahdi trok het net steeds vaster rondom de ongelukkige stad.
Gedurende de laatste jaren had de Egyptische regeering Chartoem slechts gebrekkig laten versterken en gedurende de eerste drie maanden der belegering werkte Gordon dag en nacht aan de versterking der verschansingen. Rondom de stad werden aarden wallen opgeworpen, prikkeldraad aangebracht, en daar waar aanvallen te verwachten waren, mijnen gelegd. Einde April was Chartoem geheel ingesloten, en alleen de weg langs de rivier naar het Noorden vrij. Begin Mei gingen de Arabieren den Blauwen Nijl over, leden echter groote verliezen door ontploffende mijnen, en werden met kruppkanonnen uit hun stelling gedreven.
Zoolang het maar eenigszins mogelijk was, had Gordon troepen uitgezonden om durrha en andere levensmiddelen te halen. Einde Juli zuiverde hij met zijn beste troepen den oever van den Nijl en nam dertien Arabische verschansingen. Maar tot dien tijd had hij reeds 700 man verloren. Elke gedachte aan een ontruiming der stad was reeds opgegeven. Het was nu nog slechts uithouden—tot het einde.
In September 1884 was er nog proviand voor drie maanden voorhanden en de Arabieren, die inzagen, dat zij de stad niet aan den Witten Pacha konden ontnemen, besloten ze te laten uithongeren.
In September had de Nijl zijn hoogsten waterstand bereikt. Hoe vaak zullen Gordon en zijn beide makkers, overste Steward en Power, de correspondent van de Times, wel niet vanaf het platte dak van het paleis, naar het Noorden, naar verlangde hulp hebben uitgezien. Over de watervallen beneden Chartoem en Berber bruiste het water tien meter omlaag, en nu alleen was het mogelijk met een stoomboot naar Dongola door te dringen. In den nacht van 9 September werd een der acht kleine stoombooten, met welke Gordon de Arabieren van de oevers van den Witten en den Blauwen Nijl placht te verdrijven, voor de afreis gereed gehouden. Steward, Power, de Fransche consul en eenige Grieken, kortom alle Europeanen in Chartoem, begaven zich aan boord en met hen vijftig soldaten. Zij namen de belegeringskronieken, de ambtelijke geschriften, de lijsten over proviand, ammunitie, wapenen en manschappen, de verdedigingsplannen en alle papieren van waarde mede. Toen de stoomboot van den oever afstiet, en bij het ochtendgrauwen in de schemering verdween, was Gordon de eenige Europeaan in Chartoem.
In Februari had de stad 60.000 inwoners gehad. Gedurende de belegering werd echter het derde deel der inwoners verdreven, omdat men wist, dat het verraders waren. Van de overige 40.000 kan Gordon zich ternauwernood op de helft verlaten, en ook de betrouwbaren zijner manschappen waren slechts daarop bedacht, hun have en goed te redden. In vergelijking met de vreugdedronken, fanatieke derwischen, onder het vaandel van den Mahdi, waren Gordon’s soldaten erbarmelijk gespuis.
Wat nu gedurende dit halfjaar gebeurde, zal men nooit te weten komen. Men weet slechts dat Gordon de versterking der stad krachtiger maakte, de schepen en stoombooten met stalen platen bekleedde en met kanonnen liet bewapenen en onvermoeid z’n soldaten tot weerstand oefende. Men weet ook, dat hij waakte over de rechtvaardige verdeeling der levensmiddelen, zieken en gewonden in de hospitalen opzocht en moed insprak en de nachten doorbracht in de buitenwerken, waar het eerst gevaar dreigde. In den bazaar kocht hij groote hoeveelheden blauw-groen katoen, dat over de aarden wallen werd uitgespreid, opdat deze er zouden uitzien alsof zij met stalen platen waren bedekt en den aanval der Arabieren vertraagden, totdat men gereed was met het opwerpen van nieuwe wallen binnen de oude. Maar al deze berichten zijn slechts bij geruchten uit het belegerd Chartoem in de wereld gekomen. Want ook Steward en de overige Europeanen bereikten het doel niet. Vlak achter Abu Hammed leed de boot schipbreuk, de geheele bemanning werd door de lieden van den Mahdi vermoord, en al de papieren van waarde van Gordon vielen den overweldigers in handen!
46. HET DAGBOEK VAN GORDON.
Het eenige wat er aan betrouwbare berichten omtrent den tijd tusschen 10 September en 14 December 1884 is overgebleven, weten wij uit het dagboek van Gordon, dat nog bestaat en aangrijpend is om te lezen.
In Augustus had de Engelsche regeering eindelijk het besluit opgevat een hulpexpeditie uit te zenden tot redding van Gordon. Het ging nu niet meer om de garnizoenen, maar om Gordon zelf, de geheele wereld verkeerde in opgewondenheid, over zijn lot, en met elke maand werd de spanning grooter. Sedert een half jaar had men geen bericht van hem, en nu overhaastte men het verleenen van hulp om nog bijtijds bij hem te komen. Groote troepenmassa’s van alle wapenen werden naar het Zuiden gezonden, rivierbooten bij honderden gebouwd, de beste Engelsche officieren namen het bevel op zich, en reeds midden September trok het eerste bataljon infanterie Dongola, in de noordelijkste helft van het groote Nijlgebied, binnen. Intusschen waren de stoombooten pas te Alexandrië aangekomen en moesten den Nijl nog af, over de gevaarlijke en tijdroovende watervallen, en de woestijncolonnen, die bestemd waren Chartoem te bestormen, hadden Engeland nog niet eens verlaten.
Zonder verbinding met de buitenwereld, zonder vriend en makker, vertrouwde Gordon zich slechts aan zijn dagboek toe, en in de weinige bladzijden, die daarvan bewaard zijn gebleven, weerspiegelt zich zijn diepst en innigst zieleleven. Hij is een held, een groot legeraanvoerder en een goed christen. Hij beklaagt zich nooit en geen verwijt tegen hen, die in het vaderland de verantwoording van zijn lot dragen, komt over zijn lippen! Dag aan dag beschrijft hij den voortgang der belegering zoo kalm en rustig, alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was. Nergens spreekt hij van zijn eigen heldenmoed en de nachtelijke uren van eenzaamheid, die hij onder het vijandelijk vuur der schansen doorbracht; hij beproeft zelfs zijn heldenmoed te verkleinen, terwijl hij eens schrijft:
„Gedurende de belegering hebben wij vaak over de vraag omtrent de vrees geredeneerd, dat gevoel, hetwelk een echte man volgens het oordeel der wereld niet mag kennen. Ik ben echter steeds door vrees vervuld, dikwijls zelfs zeer erg! Vrees voor den dood is dat echter niet, die is, Gode zij dank, voorbij; maar vrees voor een nederlaag en haar gevolgen. Ik geloof niet aan den steeds kalmen, onwrikbaren man. De hoofdzaak is slechts dat hij niet toont, wat hij voelt. Daarom moet een bevelhebber nooit te nauw samen zijn met zijn ondergeschikten. Want zij slaan hem met scherpe oogen gade, en er bestaat geen gevaarlijker besmettingsstof dan de vrees! Ik kon woedend worden, als ik van angst niet kon eten, en dan zag dat de officieren aan mijn tafel dezelfde neigingen hadden. Misschien vraagt men mij, waarom ik niet met Steward en de anderen heenging? Nu eenvoudig daarom niet, omdat de menschen hier niet zoo dwaas zouden zijn geweest, mij te laten gaan!”
Ondertusschen legerden de derwischen ongeveer tien kilometer van de buitenwerken en wachtten hun tijd af. Uit de verte werden schoten gewisseld, maar de dagen verliepen toch nog eenigszins kalm. Den 20sten September hoorde Gordon door een handig verkenner, dat de hulpexpeditie onderweg was en tien dagen later zond hij zijn stoomboot een eind in noordelijke richting, haar tegemoet, om het naderbrengen der troepen te verhaasten. Maar daardoor boette hij ook de helft van zijn weerstandskracht in.
Den 21sten October kwam de Mahdi zelf in het leger rondom Chartoem en den volgenden dag zond hij aan Gordon de bewijzen, dat de stoomboot van Steward was vergaan, en alle opvarenden gedood waren; hij legde zelfs een lijst over der dagboeken en aanteekeningen, die aan boord waren gevonden. Uit deze papieren had de Mahdi tot op een dag gezien, hoe lang Chartoem zich nog staande kon houden, hoe groot het garnizoen was en hoe de verdediging was georganiseerd, waar de batterijen stonden en hoe lang de ammunitie nog kon strekken. Dat was een ontzettende slag voor Gordon, maar het brak zijn moed niet. Het meest deed hem den dood van Steward en der overigen leed, daar hij meende er zelf schuld aan te hebben. Hij liet den Mahdi echter zeggen: „Ook al kaapt gij mij 20.000 booten weg, toch sta ik hier pal!”
Den 2den November telde hij in de streng bewaakte schuur de zakken met durrha. De proviand strekte nog voor zes weken. Deze termijn kon verlengd worden, als de menschen op half rantsoen werden gesteld. Maar waarom de bezetting door beperking van het dagelijksch voedsel onnoodig zwakker maken? Zij waren toch al met volle magen moedeloos genoeg!
Onder de troepen der Engelsche hulpexpeditie bevond zich een majoor Kitchener, een naam, die later zeer beroemd is geworden. Hij beproefde vermomd Chartoem binnen te sluipen en het gelukte hem Gordon de schriftelijke mededeeling te doen toekomen, dat de hulpbrigade den eersten November uit Dongola zou opbreken. Toen de brief aankwam, was het corps reeds twee dagen onderweg; maar de weg tusschen Dongola en Chartoem bedroeg 450 kilometer!
De brief van Kitchener was in een dagblad gewikkeld. Sedert negen maanden had Gordon niets meer dan duistere geruchten van de buitenwereld gehoord en toen hij dit verdwaald blad, dat als omslag diende, las, zag hij de eene kolom na de andere gevuld met berichten en vermoedens over hemzelf. „De hulpexpeditie tot ontzet van Gordon” stond daar gespatiëerd. Het opschrift ontstemde hem, en hij schreef in zijn dagboek dat het moest heeten: „De expeditie tot ontzet der garnizoenen in Soedan.”
Gordon’s dagboek vertelt ons ook, hoe hij zijn dagen en nachten doorbracht en hoe onvermoeid en ingespannen hij werkte. Pas te drie uur ’s nachts placht hij zich uitgeput op zijn legerstede neer te werpen. Maar dikwijls was hij ternauwernood ingeslapen, of buiten werd tromgeroffel vernomen. Hij ontwaakt, wrijft zich de oogen en herinnert zich, dat hij in Chartoem is. Wat beteekent het geraas? Hij roept de mannen in het geweer en de bevelhebbers naar de buitenwerken. Overdag is Gordon alom tegenwoordig om zijn manschappen gerust te stellen en aan te vuren. Slechts zelden blijft hem een kort ongestoord oogenblik over om in zijn dagboek te schrijven. Als de dag aanbreekt, ziet hij vanaf het dak in het rond. Vandaar overziet hij ver het vlakke land: hij ziet hoe de Arabieren den belegeringsketting steeds vaster snoeren. Hoe ver zijn de Engelsche legerscharen nog achter den vlakken rand van den noordelijken horizon? Zullen zij komen voordat het te laat is?
40.000 schoten werden dagelijks uit Chartoem afgevuurd en ondanks dat reikte de ammunitie nog voor veertig dagen. De soldaten konden er gerust op los schieten, de proviand reikte toch niet langer dan dertig dagen. Maar Gordon dacht aan geen overgave; volhouden en vallen onder de vlag, dat was zijn vast besluit. Talrijk waren de overloopers, die Chartoem verlieten, de ratten verlieten het zinkende schip. Door verraad omgeven, beproefde hij nog steeds de wegsmeltende scharen zijner getrouwen staande te houden.
Den 22sten November had Gordon in het geheel reeds twee duizend soldaten verloren. Toch liet hij de hoop niet varen. Zijn dagboek onthult, dat hij, indien redding bijtijds was gekomen, het plan had gekoesterd, nog meer zuidelijk te trekken, om de garnizoenen in de Aequator-provinciën hulp te verleenen!
Den 10den December is er nog voor vijftien dagen proviand aanwezig. De aanteekeningen in het dagboek worden steeds korter, en gewagen bijna van niets anders dan van deserteurs, overloopers en het inslinken der levensmiddelen. Den 14den December biedt zich nog een laatste gelegenheid aan, uit Chartoem bericht te zenden en het dagboek, dat de bode meeneemt, sluit daarom met dien datum, en met de woorden: „Ik heb mijn best voor de eer van het vaderland gedaan, vaarwel!” Per brief neemt hij van zijn vrienden afscheid en aan zijn zuster schrijft hij: „Ik ben, Gode zij dank, volkomen gelukkig; ik heb mijn plicht gedaan.” Aan een vriend verzoekt hij voor zijn familie te zorgen. Uit al zijn afscheidsbrieven klinkt ons zijn onwankelbare heldhaftige kalmte tegen, maar ook de zekerheid, dat hij sinds dit laatst vaarwel, alle hoop op redding heeft begraven.
47. DE VAL VAN CHARTOEM EN HET EINDE VAN GORDON.