Chapter 22 of 24 · 3925 words · ~20 min read

Part 22

Maar dat plan zou hen vergald worden. In den pikduisteren nacht, terwijl de regen nederkletterde, roeide Stanley naar het eiland, en terwijl zijn boot stil en voorzichtig onder den hoogen, met boomen bezetten oever gleed, sneed hij de vaartuigen, zooveel hij maar bereiken kon, los en spoedig daarop dreven zes-en-dertig booten de rivier af, waar ze door de manschappen van Stanley werden opgevangen. Met deze buitgemaakte vloot roeide men met het aanbreken van den dag weer naar de kampplaats terug. De wilden, die den kouden nacht in de hutten van gras op het eiland hadden doorgebracht, zullen den volgenden morgen wel verbaasd hebben staan kijken, toen zij bijna al hun booten misten. Nu roeide de tolk van Stanley naar hen toe, om hun de voorwaarden mede te deelen die Stanley hen stelde. Zij hadden den troep van den blanken man trouweloos overvallen, vier man gedood en dertien verwond; nu moesten zij levensmiddelen geven en dan zouden zij schadeloos gesteld worden voor de geroofde booten. En eindelijk moesten zij beloven den vrede te bewaren.

Door deze handige list gelukte het eenige dagen in vrede te leven en dat was dringend noodig, want Tipoe Tip had er nu meer dan genoeg van en wilde geen schrede verder gaan op deze oorlogzuchtige rivier, maar beslist met zijn manschappen terugkeeren. Maar Stanley stond er op, met uitgezochte manschappen, die voor het grootste deel vrouwen en kinderen bij zich hadden, in ’t geheel honderd en vijftig zielen, de reis te vervolgen.

De buitgemaakte booten werden, twee aan twee, met stangen aan elkaar bevestigd, opdat zij niet zouden kenteren: de geheele vloot bestond nu uit drie-en-twintig vaartuigen. Er werd voor twintig dagen proviand ingepakt en een der laatste dagen van December, toen juist een frisch koeltje de dichte nevelen van elkaar reet, riepen trompet- en hoornsignalen tot het vertrek. Stanley commandeerde: „Aan boord!” De zonen van Oenjamwesi zongen afscheidsliederen, waarop de naar huis trekkende schaar van Tipoe Tip antwoordde, en nu gleed Stanley’s vloot de rivier af, opnieuw onbekende landen en lotgevallen tegemoet.

61. OVER DE CONGO-VALLEN.

Stanley was er van overtuigd, dat deze geweldige rivier, aan welke hij den naam van Livingstone had gegeven, geen andere was dan de Congo, waarvan men de uitmonding reeds vierhonderd jaar kende. Maar hij was ook van meening, dat de Loealaba óf zich met den Nijl vereenigde, óf in het Noord-Westen in verbinding stond met den Niger. De oplossing van dit vraagstuk moest nu door Stanley en zijn geleiders met bloed en tranen worden gekocht. Het werd een tocht die in alle tijden beroemd zal blijven en een waardige tegenhanger is aan moed, gevaren en avonturen, van de boottochten der Spanjaarden, op de door hen ontdekte rivieren van Amerika, den Mississipi en de Amazone-rivier.

Den avond van den eersten dag legde de vloot van Stanley aan een oever aan, waar veertien dorpen verscholen lagen in een dicht beukenbosch, en voor het eerst na de scheiding van Tipoe Tip zou een kamp worden opgeslagen. Maar dezen keer kwamen de inboorlingen de vreemdelingen vriendelijk tegemoet. Maar iets verder omlaag weerklonk het woud weer van geraas en oorlogstrommels. De tromsignalen plantten zich van dorp tot dorp, van oever tot oever verder. Van beide kanten naderden bij troepen de booten der inboorlingen, en spoedig was de vloot van Stanley omringd. „Vrede, vrede,” riepen de tolken, maar de wilden riepen op bevelenden toon: „Keert terug of oorlog!” Eindelijk kwam het toch tot onderhandeling, terwijl het geheele gezelschap, vriend en vijand, stroomafwaarts dreef. Nieuwe dorpen werden tusschen de boomen zichtbaar. Maar hier woonden vijanden van de aanvallers en nu maakten deze haastig dat ze wegkwamen, voordat het tot een strijd was gekomen.

Den volgenden keer liep het samenkomen met de inboorlingen niet zoo gelukkig af. Een hagel van speren werd naar de booten van Stanley geslingerd en op de giftige pijlen der wilden moesten de Europeanen met nadruk antwoord geven. Daarbij maakten de mannen van Stanley een aantal schilden buit, die hen later van veel nut werden.

Bij de volgende kampplaats, dreigden de wilden, de vreemdelingen bij een groot feestmaal, dat zij van plan waren aan te richten, als gebraad te gebruiken, en Stanley vond het daarom raadzamer verder te trekken en liever aan den oever van een zijrivier te kampeeren. Hier was het bosch buitengewoon dicht. Varens en rotangs groeiden tusschen hooge stammen en overal wemelde het van insecten, van bruine, gele en zwarte mieren, en de huiveringwekkende termieten, die alles wat hen in den weg komt, stuk knagen. Een onafgebroken suizen vervulde de lucht door de ontelbaar veel vleugels der insecten, de krekels, sprinkhanen en kevers, die in ontzaglijke menigten sprongen, vlogen, op stengels en bladeren rondliepen, aten of ijverig werkten.

Hier verschenen voor het eerst vredelievende inboorlingen als bezoekers in het kamp. Maar toen de vloot van Stanley verder roeide, weerklonk weer oorlogsgetrommel aan den oever. Stanley liet zijn manschappen, ten strijd gereed, midden in de rivier halt houden. Zwermen flinke booten vlogen ijlings als wilde eenden nader, en de speren der zwarte krijgers klonken helder tegen de schilden.

De tolk in de voorste boot riep hen toe: „Vrede: Neemt u in acht of we schieten!” Deze roep maakte de wilden besluiteloos. Zij trokken zich langzaam onder den overhangenden, begroeiden oever terug. Dikwijls gelukte het aan den tolk geheele scharen roeiende krijgslieden door het eene woord „vrede” te verlammen; maar anderen beantwoordden de vredesboodschap met hoongelach. Onder heftige slagen der roeispanen naderden zij, slingerden hun werpsperen naar de vreemdelingen, en hun pijlen floten door de lucht. Werden zij met kruit en lood beantwoord, dan keerden zij bloedend naar den oever terug.

Het jaar 1877 was reeds aangevangen, toen een vredelievende stam de reizigers voor gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen waarschuwde, waarvan zij het razen en bruisen weldra zouden hooren. De vloot gleed nu langs den rechteroever en allen luisterden of zij de watervallen al naderden. Daar snelden eensklaps acht wilden naar den oever en slingerden hun speren naar de bemanning der booten. Eenige dezer speren drongen in de zijden er van, andere vlogen er over heen en toen Stanley nu bevel gaf stroomafwaarts te roeien, dreunde weer de oorlogstrom en een groot aantal lange booten naderden. Het lichaam der inboorlingen was half geel beschilderd, half rood met breede, zwarte strepen. Het gezelschap zag er recht griezelig uit. Hun gehuil en hun hoornsignalen deden een heftigen strijd verwachten.

Stanley plaatste zijn booten in slagorde en liet langs de borstwering van iedere boot de schilden, die vroeger buitgemaakt waren, opstellen ter bescherming van hen die niet medevochten. Een boot van vijf-en-twintig meter roeide recht op die van Stanley aan, maar werd met een knetterend geweervuur ontvangen. Nu ging Stanley tot den aanval over. De boot van den tegenstander kon echter niet snel genoeg wenden, de krijgslieden en roeiers sprongen in het water om al zwemmende te ontkomen. Weldra verdwenen de overigen ook, en de vaart naar de watervallen kon worden voortgezet.

Nu was het bruisen er van reeds duidelijk te hooren. Maar de inboorlingen dachten deze gelegenheid waar te nemen om de vreemdelingen te vangen en stap voor stap moest Stanley nu eens te land, dan weer te water door de scharen wilden heendringen. Op de kalme uitgestrektheden water, tusschen de watervallen, kon geroeid worden, maar dan weer moest de oever bereikt worden en door het kreupelhout een pad worden gehouwen om de booten over land te kunnen trekken. Dikwijls moesten de wilden van boom tot boom worden teruggeslagen; eens beproefden zij zelfs de manschappen van Stanley in een net te vangen, maar de poging eindigde er mede, dat zij zelf acht hunner manschappen verloren. Deze gevangenen waren op het voorhoofd getatoueerd en hun voortanden waren spits toeloopend gevijld. Zij waren als alle stammen van deze streek menscheneters en het versche vleesch der vreemdelingen zou voor hen een zeer welkome buit zijn geweest.

Einde Januari 1877 gleed de vloot van Stanley over den Aequator, en de rivier wendde zich nu steeds meer naar het Westen, een bewijs, dat zij niet naar den Nijl kon stroomen. Hier werd de zevende en laatste Congo-val gelukkig overwonnen en de lange reeks dezer watervallen, die sedert onder den naam Stanley-watervallen bekend zijn, was hiermede ontdekt. Twee jaren later deed men den eersten stap tot vestiging van den Belgischen Congostaat.

62. „BOELA MATARI, DE STEENBREKER”.

Beneden de Congo-vallen verbreedde het bed der rivier zich hier en daar tot drie kilometer, zoodat de tegenovergestelde oever ternauwernood nog zichtbaar was en de vloot van Stanley tusschen de vele eilanden en labyrinthen van waterwegen verdwaalde. De gevaren van de reis bleven dezelfde. Telkens moest uitgekeken worden en steeds werden de vreemdelingen door de inboorlingen vervolgd. In de booten vertoonden zich krijgslieden met afzichtelijke gezichten en roode en groene papegaaienveeren op het hoofd. Zij droegen armbanden van ivoor en het handvat van hun roeispanen was eveneens gesneden uit de tanden van olifanten. Aan den boeg van de groote booten woei een bos palmtakken en uit de ivoren hoorns riepen schetterende tonen tot den aanval.

In een dorp werd een afgodstempel ontdekt; het ronde dak rustte op drie-en-dertig olifantstanden. In het midden van den tempel troonde een uit hout gesneden rood geschilderd afgodsbeeld met zwarte oogen, haren en baard. De messen, speren en strijdbijlen van deze wilden waren buitengewoon handig gesmeed en hun sieraden bestonden uit koperen, ijzeren en ivoren ringen. In de vuilnishoopen zag men de overblijfselen van hun afschuwelijke maaltijden en rondom de hutten waren schedels van menschen op hooge palen gestoken.

Eindelooze wouden bedekten de oevers en de eilanden. Hier groeit de mangroveboom, met zijn vele wortels, de hooge slangvormige rotang, met zijn hangende gevederde bladeren, de drakenbloedboom, de gummiboom en vele andere. Gevaar en hinderlaag loerde achter elke landtong. Er moest gelet worden op rotsen en stroomingen in het water; op watervallen, stroomversnellingen en draaikolken: nijlpaarden en krokodillen waren er in menigte. Maar de inboorlingen zelf waren het gevaarlijkst en Stanley en zijn manschappen waren door de eeuwige vervolging, waaraan zij gedurende de laatste maanden waren blootgesteld, geheel uitgeput.

In het dorp Roeboenga waar de inboorlingen weer eens vriendelijk gezind waren, hoorde Stanley voor het eerst, dat deze rivier werkelijk de Congo heette! Hier konden de reizigers hun levensmiddelen weer aanvullen en toen de trommen van Roeboenga werden geroerd, was het niet om ten strijde op te trekken maar om naar de handelsmarkt op te roepen, waar de bewoners der omliggende dorpen visch, slakken, eetbare schelpdieren, gedroogd hondevleesch, geiten, bananen, meel en brood te koop aanboden.

Maar vertrouwen kon men deze wilden nooit. Met hun griezelig getatoueerd lichaam, hun halsbanden uit tanden van menschen, met hun eigen tanden die zoo spits als die van een wolf zijn gevijld, met de lichte gordels van gras om de lenden, speer en boog in de handen, maakten zij in het geheel geen vertrouwenwekkenden indruk en ternauwernood was men van een oogenschijnlijk vredelievenden oever afgestooten of de zwarten maakten zich al weer gereed in de booten te gaan om de vertrekkenden te vervolgen. In deze streek waren zij zelfs al met geweren gewapend, die zij van de kust hadden gekregen en eens kwam het tusschen de kleine vloot van Stanley en drie-en-dertig booten der inboorlingen tot een heftigen strijd met schietwapenen aan beide zijden! In de voorste boot stond een jong opperhoofd als aanvoerder, hij had een schoon en waardig voorkomen. Hij droeg een hoofdbedekking en een mantel uit geitenvel en om zijn armen, beenen en hals lompe ringen van koperdraad. Een kogel trof hem in de dij, kalm bond hij een lap om de wond, daarna gaf hij zijn roeiers een teeken naar den oever terug te gaan. Nu verloren ook de anderen den moed en volgden de boot van hun aanvoerder.

Zoo ging deze tocht van Stanley onder onophoudelijke gevechten verder naar het Zuiden. De groote kromming van den Congo was nu afgelegd, waarbij niet minder dan twee-en-dertig slagen geleverd waren. Er volgde weer een moeilijk einde waarop de geweldige rivier, in schuimende watervallen en kokende stroomversnellingen, het hoogland, dat zich langs Afrika’s westkust uitstrekt, doorbreekt. Aan dezen waterval gaf Stanley den naam van Livingstone, want nu zag hij in, dat de rivier toch nooit anders dan Congo zou heeten. De Livingstonevallen zouden echter toch den naam van den grooten zendeling voor het nageslacht bewaren.

Nieuwe en vele moeilijkheden waren hier te overwinnen. Eens verdronken een half dozijn mannen en verscheiden booten gingen verloren: de tocht moest onderbroken worden om in het woud nieuwe booten uit te hollen. De verraderlijke rivier trok de boot van Pocock op zekeren dag naar een waterval, de arme bemerkte het gevaar pas te laat, suisde over den waterval omlaag en verdronk.

De laatste blanke, die Stanley zoo ver door Afrika had vergezeld, was nu ook heen, en leeg en verlaten stond zijn tent ’s avonds als de maan helder en spookachtig op de schuimende watermassa’s neerzag.

Bij een anderen waterval geraakten de kwartiermeester en de timmerman met een juist uitgeholden boom aan het drijven. Zij hadden geen roeispanen bij zich. „Spring in het water,” riep de kwartiermeester zijn makker toe, hij kreeg echter tot antwoord: „Ik waag het niet, ik kan niet zwemmen!”

„Vaarwel dan, broeder,” riep de andere, sprong in het water en zwom naar het land. De eerste suisde den val af, de boot verdween in de schuimende draaikolk, dook weer op, en men kon duidelijk zien, dat de man er zich nog aan vastklemde.

Nog eens zoog de draaikolk de boot in en nog eens werd ze boven het water zichtbaar met haar last. Toen ze voor den derden keer in de diepte werd getrokken en ze weer naar boven kwam, was de man verdwenen!

Eindelijk werd het verder trekken met de booten onmogelijk. Ze moesten opgeofferd worden, en de tocht verder over land voortgezet worden. Nu was de schaar van Stanley van alles ontbloot, ellendig en uitgehongerd; zij hadden ook bijna niets meer om de schatting te betalen, die de zwarte stamhoofden voor den doortocht eischten. Eens zeide zulk een zwarte koning, dat hij met een flesch cognac tevreden was. Cognac, als men drie jaar in Afrika heeft rondgezworven! Daar kwam de kwartiermeester naar voren en hoorde wat de zwarte majesteit eischte. „Cognac,” riep hij, „daar hebt gij cognac!” En daarbij gaf hij den zwarte zulk een muilpeer, dat hij languit neerviel en het geheele hof de vlucht nam!

Eindelijk was men nog slechts twee dagreizen van Boma, aan de monding van den Congo, verwijderd. Daar waren handelsfactorijen en Europeanen! Daarheen schreef Stanley en spoedig kreeg hij alles wat hij voor het levensonderhoud noodig had. Toen hij dan eindelijk Boma bereikte, kon hij zich en zijn getrouwen eenigen tijd rust gunnen! Daarna ging de reis per schip Afrika om, naar Zanzibar, waar Stanley zijn mannen weer afleverde.

In zijn vaderland werd hij overal met gejubel ontvangen. Sedert een duizendtal jaren waren de Arabieren steeds meer de binnenlanden van Afrika ingedrongen, maar den loop van den Congo kenden zij nog niet! Vergeefs hadden sinds eeuwen Europeesche vorschers getracht licht in deze duisternis te brengen; de inboorlingen wisten niet eens waar ten slotte de Loealaba bleef. Stanley had op eens de witte vlek op de kaart van Afrika gevuld. Hij had voor de Europeanen de binnenlanden ontsloten en was hen als pionier vooruitgegaan. Zelfs de wilden werden geïmponeerd door zijn onbuigzamen moed en zijn ijzeren volharding en zij noemden hem „Boela Matari” den „Steenbreker.”

Andere vorschers volgden en volgen nog heden de voetstappen van Stanley. Nu gaat een spoorlijn langs de Congo-vallen, en op de rivier varen verscheiden stoombooten. Stanley zelf was tegenwoordig toen de eerste stations werden aangelegd, en zijn naam is sedert dezen Congotocht voor altijd met de geschiedenis van Afrika verbonden.

63. DE LAATSTE GOUVERNEUR VAN GORDON.

Chartoem was in Januari 1885 gevallen. Gordon dood, Slatin pacha gevangen en de opvolger van den zegevierenden Mahdi, Kalifa Abdullahi had geheel Soedan te vuur en te zwaard aan zijn heerschappij onderworpen. Alleen het zuidelijkst deel van het voormalig Egyptische rijk, de Aequator-provincie, die zich Nijlopwaarts tot aan het hart van Afrika uitstrekt, had nog steeds hardnekkig weerstand geboden aan den stormloop der derwischen.

De gouverneur van deze provincie, een Duitscher, Eduard Schnitzer, Emin pacha genaamd, was als vijf-en-twintig jarig arts en natuuronderzoeker in Turkschen dienst getreden en had zich na tien veel bewogen levensjaren ter beschikking gesteld van den gouverneur van Egyptisch Soedan, van Gordon te Chartoem. Gordon had reeds na korten tijd de uitnemende hoedanigheid van den Duitschen arts erkend, en hem in Maart 1878 tot gouverneur van de Aequator-provincie benoemd. In zijn uiterlijk meer het oerbeeld van een slechts voor de wetenschap levend professor, zooals de geestigheid van het volk hem graag teekent wist Emin pacha, door beminnelijke zorg, diplomatieke handigheid en onwankelbare kalmte het volle vertrouwen zijner onderdanen te winnen. Den slavenhandel wist hij krachtig te beperken, de her- en derwaarts gedreven inboorlingen opnieuw aan vaste woonplaatsen te binden en door het aanleggen van wegen zijn gebied te ontsluiten voor handel en verkeer: de bebouwing zijner provincie nam zoo toe, dat de Egyptische regeering, nadat hij vijf jaar het bestuur in handen had gehad, aanzienlijke oogsten kon binnenhalen. Naast dit veelzijdig werk aan zijn bestuur verbonden, verrijkte Emin op talrijke reizen de wetenschappelijke kennis omtrent de binnenlanden van Afrika door grondige onderzoekingen en hij zond de resultaten van zijn lievelingsstudie, groote botanische en zoölogische verzamelingen, naar Europa.

Daar brak de opstand van Soedan uit tegen de Egyptische heerschappij en 14 April 1883 ging de laatste stoomboot van Lado, de residentie van Emin, den Nijl af naar Chartoem.

Hiermede was de gouverneur met zijn manschappen geheel van Egypte en Europa afgesneden.

Ondanks dapper verweer, moest hij steeds meer Nijlopwaarts terugtrekken voor de uit het Noorden voortdringende horden der Mahdisten; in het Zuiden was hij de rijken van zwarte, oorlogzuchtige koningen ingedreven, die er slechts op wachtten de hoofden van den blanken pacha en zijn Egyptische soldaten als overwinnings-trofeeën rondom hun hutten op staken te plaatsen, of met het vleesch der verslagenen hun kookpannen te vullen. Vele naburige negerstammen sloten zich bij de Mahdisten aan, en het godsdienstig fanatisme wekte oproer en verraad, zelfs in Emin’s naaste omgeving. Hoe lang kon de Duitsche geleerde, door zijn Egyptische regeering in den steek gelaten, zich op dezen verwijderden post met een handjevol soldaten nog staande houden?

Deze vraag hield gedurende de volgende drie jaren de geheele beschaafde wereld bezig! Reeds had een Duitsche hulpexpeditie, die onder leiding van den Afrika-reiziger, Gustaaf Adolf Fischer, vanaf de westkust voort was getrokken, bij het Victoria-Niansa-meer moeten terugkeeren zonder iets van Emin pacha te hebben vernomen. Wie zou het nu wagen den laatsten der gouverneurs van Gordon, voor hetzelfde lot van den verdediger van Chartoem te redden?

Daar richtten eenige ondernemende Engelschen het oog weer op Stanley. Indien hij eens Livingstone had gevonden, zoo zou hij ook nu van de oost- of de westkust tot Emin pacha doordringen en den gouverneur en zijn getrouwen uit de, door Egypte opgegeven, provincie naar Zanzibar geleiden.

Stanley was juist op een reis in Amerika om voordrachten te houden, toen hij telegrafisch het bericht kreeg, dat het comité dat zich ten doel stelde Emin pacha hulp te verleenen in verbinding met de Egyptische regeering de noodige middelen voor een expeditie bijeen had gebracht.

Tot wanhoop zijner agenten onderbrak hij dadelijk zijn reis en 24 December 1886 was hij in Londen. Dadelijk begon hij met zijn voorbereidingen en wel met zulk een energie, dat hij reeds vier weken later naar Egypte kon vertrekken. Den 22sten Februari 1887 was hij reeds in Zanzibar, om hier de geschikte troepen te werven en dan per schip rondom Zuid-Afrika naar de monding van den Congo te varen. Het ongeluk der Duitsche expeditie had bewezen, dat men slechts met een klein Europeesch leger, vanaf de Oostkust, den doortocht zou hebben kunnen wagen door de stammen van de binnenlanden van Afrika, en de gewone neiging der dragers uit Zanzibar, om na verkregen voorschot naar hun naburig geboorteland te deserteeren, zou een expeditie vanaf de oostkust roekeloos op niets hebben doen uitloopen. Daarom wilde Stanley, met behulp van den Congo, Afrika voor den tweeden keer doorkruisen en langs dezen weg tot aan het Albert-meer doordringen, in de nabijheid waarvan de verdwenen gouverneur, als hij nog leefde, zich moest ophouden.

De Congolijn leidde echter door een gebied, dat het machtig Arabisch opperhoofd Tipoe Tip als zijn eigendom beschouwde. De sluwe slaven- en ivoorhandelaar was, sedert hij Stanley op zijn eerste doorkruising van Afrika, in 1876 zoo trouweloos in den steek had gelaten, het spoor van den Europeeschen ontdekker gevolgd en de eerste vruchten van dat pionierswerk waren hem in den schoot gevallen. Onmetelijke gebieden van menschen en olifanten, schenen slechts ontdekt, om zijn rijkdom aan slaven en ivoor, met millioenen te doen toenemen! In enkele jaren had hij zich opgewerkt tot dwingeland van het Congo-bekken, en aan den oever van de rivier vele Arabische nederzettingen gevestigd, van waar uit zijn duizenden krijgslieden die aan het woeste leven van den Aequator gewoon waren, begeerig naar buit, rondtrokken en door moord, roof en verwoesting voor de toekomstige beschaving van het donkere werelddeel ontzetting verbreidende herauten werden. Indien Tipoe Tip de nieuwe expeditie moeielijkheden in den weg lei, dan zou zij onuitvoerbaar zijn, en als de groote voorraad aan ammunitie, die Stanley voor Emin pacha meevoerde in handen van het opperhoofd viel, dan zou de jonge opbloeiende Congo-staat aan welks vestiging Stanley verscheidene jaren van zijn leven had gewijd, bedenkelijk in gevaar gebracht worden. Bovendien had Stanley bij de geringe weerstandskracht van zijn geleiders uit Zanzibar dragers noodig om tot Emin te kunnen komen.

Stanley ontmoette het Arabisch opperhoofd reeds in Zanzibar en deze nam op zich, om tegen hooge betaling, zeshonderd dragers te verschaffen voor het eind dat van de Stanley-vallen naar het Albert-meer afgelegd moest worden. Als belooning voor zijn goeden wil zorgde Stanley er voor, dat Tipoe Tip tot gouverneur over de Stanley-vallen werd benoemd, met het traktement van een officier; hij moest daarvoor het in 1883 gevestigd station Stanley-val, dat om zijn roofzuchtige scharen was opgegeven, verdedigen tegen zijn eigen lieden en de naburige inboorlingen, en den slavenhandel daar onderdrukken. Bovendien kreeg Tipoe Tip met zes-en-negentig van zijn metgezellen vrije vaart rondom Afrika en den Congo op. Den 25sten Februari 1887 stoomde de geheele expeditie, op de stoomboot „Madoera” van Zanzibar uit.

In het gezicht van Kaapstad, waarvan de groei en het bedrijvig leven op den Arabier grooten indruk maakte, zeide deze tegen zijn Engelsche bondgenooten, dat hij tot nu toe alle blanken voor dwazen had gehouden.

„En wat denkt gij nu van hen?” vroeg Stanley.

„Ik geloof, dat er iets in hen steekt,” antwoordde Tipoe Tip, „en zij zijn nog ondernemender dan de Arabieren. Ik heb met mijn vrienden deze stad, haar groote schepen en havendammen bekeken, en wij zijn tot de overtuiging gekomen, dat alles zooveel beter is dan in Zanzibar, en ik heb mij verbaasd, waarom wij het niet even goed kunnen als de blanken. Ik begin te gelooven, dat zij heel schrander moeten zijn.”

„Indien gij dat ontdekt hebt, Tipoe Tip, dan zijt gij op den goeden weg meer te ontdekken. Jammer dat gij nooit een bezoek aan Engeland hebt gebracht. Wees op deze lange reis trouw aan ons, dan zal ik er u heen brengen en gij zult meer zien dan gij u kunt voorstellen!”

„Inschallah! Als het de wil van Allah is, zullen wij er samen heengaan.”

Indien deze bewonderende stemming van Tipoe Tip bleef, dan zou hij de expeditie van onschatbaar veel nut zijn. Maar wie kon peilen, wat voor plannen en aanslagen achter het breede voorhoofd van dezen bruinen diplomaat schuilden!

64. HONDERD ZESTIG DAGEN IN HET OER-WOUD.