Part 24
Den 13den Juli bereikte Stanley het kamp van Oegarrowa. Maar de plek was als uitgestorven, alle bewoners waren stroomafwaarts getrokken. Met behulp van talrijke kano’s, die men den inboorlingen ontnam, achterhaalde men echter de mannen van Oegarrowa, en hier, in het kamp der Arabieren trof Stanley eindelijk de vrijwilligers aan, die hij de achterhoede tegemoet gezonden had. Van de twintig man waren er vier gesneuveld, en van de overige zestien man was er slechts één enkele zonder schot- of speerwond afgekomen! Ze hadden voor de vijandelijke inboorlingen moeten wijken, en zich onder bescherming der Arabieren moeten stellen. Ook de afgezanten die Oegarrowa in opdracht van Stanley naar Jamboeja gezonden had, waren niet in staat geweest, zich door de vijandelijke benden heen een weg te banen. Het lot der achterhoede was dus nog geheel in het duister gehuld. Daar moest wel iets verschrikkelijks gebeurd zijn!
Den 12den Augustus werd de marsch voortgezet. De bezwaren, die de weg opleverde, bleven dezelfde, alleen werd de karavaan niet meer door de inboorlingen lastig gevallen. De dicht bewoonde streken, waardoor men zich bij den opmarsch met moeite een weg had moeten banen, waren thans verlaten; de inboorlingen waren verdwenen, hun groote dorpen waren te deele verwoest De slaven- en ivoorhandelaars hadden hier weer eens duchtig huisgehouden!
Zoo brak de 17de Augustus aan. Na de opeenvolgende tooneelen van verwoesting en verlatenheid aan beide oevers, vertoonde zich in den lichten morgennevel een nog gespaard gebleven dorp, en toen men naderbij gekomen was, werd een versterkte omheining zichtbaar. Witte gewaden kwamen in ’t zicht, en in den morgenwind wapperde een roode vaan met de halve maan. Weer een kamp der Arabieren! Hier was misschien de achterhoede! „De majoor, jongens! Aan de riemen!” riep Stanley zijn mannen toe, en onder luid hoera-geroep vloog de kano met razende snelheid voort.
Een eind voor het dorp hield Stanley stil, en daar hij aan land een troep vreemde menschen zag, riep hij:
„Tot wien behooren jullie?”
„We behooren tot Stanley’s mannen,” klonk het antwoord.
In enkele oogenblikken was Stanley aan land, en voor hem stond, als eenige Europeaan, de arts Bonny.
„Wel Bonny, hoe gaat ’t? Waar is de majoor? Soms ziek?”
„De majoor is dood!”
„Dood? Goede God! Hoe is hij gestorven? Aan koorts?”
„Neen, hij is doodgeschoten!”
„Door wie?”
„Door de Manjema, de mannen van Tipoe Tip!”
„Genadige hemel! En waar is de plaatsvervangende officier?”
„Aan de Stanley-vallen!”
„Om Godswil! Wat doet hij daar?”
„Hij is daarheen gegaan om meer dragers te krijgen.”
„En waar zijn de andere officieren?”
„De eene is in Bangala, en de andere is al sedert lang ziek naar huis teruggekeerd!”
Bij stukjes en beetjes vernam nu Stanley het lot van de achterhoede. Majoor Barttelot had de instructies van Stanley niet opgevolgd, die hem uitdrukkelijk gelast had, om slechts een tijdlang op de door Tipoe Tip beloofde dragers te wachten; maar om dan, wanneer de Arabier zijn woord niet zou houden, met al de bagage in kleine dagmarschen op te rukken, om in elk geval dichter by Stanley te komen. Tipoe Tip had, zooals Stanley wel voorzien had, zijn woord niet gehouden, en majoor Barttelot had zich door de beloften van den sluwen Arabier volkomen om den tuin laten leiden!
Deze had spoedig de benarde positie van den majoor bemerkt, en het was zijn streven geweest om zich zijn hulp zoo duur mogelijk te laten betalen. De rooftochten van zijn benden hadden de oevers van de Aroewini verwoest en ontvolkt, en de achterhoede was nu voor de proviandeering op de milddadigheid der Arabieren aangewezen. Dit was ’t juist wat Tipoe Tip beoogde: op deze wijze kreeg hij voortdurend meer van de kostbare bagage van Stanley in handen. Hoewel er geen schermutselingen hadden plaats gehad, was de munitie-voorraad reeds tot op de helft ingekrompen, de helft van het buskruit en meer dan twee derden der kogels waren verdwenen; de slaghoedjes had men aan Tipoe Tip moeten verkoopen!
Maar, nog erger! Tengevolge van ongunstige berichten omtrent het lot van Stanley had Barttelot een groot deel der bagage naar Bangala teruggezonden, zoodat Stanley thans aan alles gebrek had, en voor zichzelf uit een stuk doek der tent, een soort van kousen moest maken! Alsof dit alles nog niet voldoende was, had Barttelot ook een deel van de Europeesche proviand, en bijna alle geneesmiddelen teruggezonden, en dat nog wel terwijl zijn mannen van honger omkwamen, en het kamp meer zieken dan gezonden bevatte! Van de 271 man sterke achterhoede waren er nog slechts 101 in leven, en van dezen was nog de helft door honger en ontbering ten doode opgeschreven. Kortom, de aanvoerder was bij al den tegenspoed volkomen zijn hoofd kwijtgeraakt. En toen eindelijk, tien maanden later dan afgesproken was, Tipoe Tip met een deel der beloofde dragers aankwam, waren deze zoo onbruikbaar, dat de majoor zijn zelfbeheersching volkomen kwijt raakte. Bij een twist, die hierover ontstond, had een der Arabieren hem eenvoudig neergeschoten.
Zelfs de ijzeren energie van iemand als Stanley moest wel door het verhaal van dezen rampspoed gebroken worden. De halve expeditie vernietigd door de roekeloosheid van den aanvoerder! Niets dan moord en dood, ziekte en zorg, kommer en gebrek. Welk een welkom voor deze kleine heldenschaar! Dagen lang was Stanley als ’t ware versteend bij den aanblik van al deze ellende.
Toen hij echter weer eenigszins tot zichzelve gekomen was, zorgde hij er eerst voor, dat velen van de achterhoede die zichzelf met slecht toebereide maniok vergiftigd hadden, weer op krachten kwamen; toen dit het geval was, werd den 1sten September de terugmarsch ondernomen.
Alzoo ten derden male door de verschrikkingen van het oerwoud! En dat met een karavaan waarin op één gezonde drie zieken voorkwamen. De vreeselijkste ervaringen hadden de mannen nog niet verstandiger gemaakt, en noch de vergiftigde pijlen noch de vlijmscherpe speren der inboorlingen hielden de mannen er van af om zich van den troep af te scheiden, en alleen op buit uit te gaan. Daarbij dag aan dag regen, die de bezwaren van den tocht nagenoeg onoverkomelijk maakte! Meer dan eens dreigde de hongerdood een einde aan de geheele expeditie te zullen maken.
Den 15den December, in een kamp nabij het punt waar de Ihoeroe en de Doei samenstroomen, wanhoopte zelfs Stanley er aan, den volgenden dag nog te zullen beleven.
De uitgezonden fourageerders waren sedert dagen verdwenen; of verzorgden zichzelf misschien in weelderige bananenaanplantingen, zonder aan hun kameraden te denken. Van hen die in het kamp waren achtergebleven, waren slechts weinigen in staat om in het woud bessen of paddestoelen te zoeken. Wie nog gaan kon, volgde den aanvoerder om de vermisten te zoeken. Het werd nacht, wellicht de laatste nacht, dien ze zouden beleven! De sterren waren niet te zien, er brandde geen vuur, want er was toch niets om te koken. Diepe stilte heerschte rondom—slechts nu en dan een vertwijfeld steunen.
„Uit de pikzwarte duisternis,” zoo lezen we in Stanley’s dagboek „doemden vage gestalten op, die het koortsgebied bevolken, er waart door de lucht een gefluister van graven en eenige vergetelheid, een demon fluistert de verhitte verbeelding in, dat het beter is te rusten, dan met een gebroken hart te denken, en de wind in de toppen der boomen van het duistere woud schijnt te zuchten en te steunen: verloren! verloren! verloren! Vergeefs zijn uw arbeid en uw kommer! De eene noodlotsdag na den anderen; stuk voor stuk zullen uw mannen den dood ten prooi vallen, en dan zult ge alleen zijn!”
„Allah ho Akbar” weerklonk plotseling de roep van een man in het duister. „God is groot”—een Muzelman herinnerde de Christenen er aan hunnen God te gedenken!
Tegen den morgen sluimerde Stanley in, maar toen de dag nog nauwelijks aangebroken was en het spookachtig licht zijn doodstille makkers deed zien, sprong hij weer op. „Vooruit, jongens naar de bananen! Met Gods hulp zullen we vandaag nog bananen hebben!” Allen stonden met inspanning van hun laatste krachten op, en struikelend van zwakte gingen ze in het grauwe morgenlicht achter elkaar aan.
Hoor! Was dat niet als het gerommel van stemmen in de verte? Neen, ’t was reeds nabij! En komt daar niet als gedragen door de hand van een schim een bundel groene bananen uit het struikgewas te voorschijn? Daar zijn de fourageerders met schatten beladen! En op hetzelfde oogenblik vergaten allen hun ellende, en jubelend stijgt hun dank ten hemel: „God zij gedankt!” Snel werden vuren aangestoken, waarop de bananen geroosterd werden, en toen men weer voldoende krachten had opgedaan om zich op weg te begeven, gingen ze naar het kamp terug, om ook daar aan de halfdooden weer nieuw leven te schenken.
Dit verschrikkelijkste avontuur van de geheele expeditie vond plaats op een afstand van weinige dagreizen van het fort Bodo, waar Stanley op den 20sten December aankwam. In het geheel had de marsch van Banalja naar het fort honderd en zes menschenlevens gekost!
„In het fort Bodo alles wel!” Dit gelukkige bericht had tegelijkertijd iets verbluffends voor Stanley. Immers, hij had er in ’t geheel niet op gerekend de bezetting nog in het fort aan te zullen treffen.
Emin pacha en Jephson hadden, zoo luidde de stellige afspraak, een expeditie tot ontzet zullen vormen! Maar er was van beiden niet het geringste bericht tot hier doorgedrongen. Had dan alles samengespannen om het doel dezer expeditie onmogelijk te maken? Er moest in het gebied van den gouverneur wel iets zeer bijzonders hebben plaats gegrepen, wanneer zelfs Stanley’s eigen officieren de strikste bevelen om het fort te ontzetten niet hadden kunnen nakomen!
67. GERED UIT DE HANDEN DER REBELLEN.
Juist in de dagen waarin Stanley de treurige overblijfselen zijner achterhoede in Banalja terugvond, waren er in de provincie Aequatoria ernstige dingen voorgevallen. De autoriteit van den gouverneur over zijn troepen was reeds lang slechts een schijn-gezag geweest, en den 18den Augustus kwam het in Doefilé tot openlijke rebellie. Door Stanley’s officier Jephson was allerwege de oproep der Egyptische regeering bekend gemaakt aan de garnizoenen in Aequatoria, om het land te verlaten en zich bij de hulp-expeditie aan te sluiten; dit bevel strookte echter in ’t geheel niet met de wenschen der Egyptische officieren; daarom strooiden deze onder de soldaten het praatje rond, dat de brieven die Stanley had meegebracht, valsch waren, dat ’t niet waar was dat Chartoem gevallen was, dat Stanley slechts een avonturier was, die in ’t geheel niet uit Egypte gekomen was; maar dat hij met den gouverneur een complot gesmeed had om hen, hun vrouwen en kinderen uit het land te voeren, om ze den Engelschen als slaven te verkoopen. Deze leugens werkten in dit onwetende en fanatieke land als vuur onder de bevolking, en toen de gouverneur den 18den Augustus te Doefilé kwam, werd hij met Jephson gevangen genomen. Men verklaarde hem voor afgezet, ontzette de hem goedgezinde officieren uit hun posten, en sommigen verlangden zelfs dat men den pacha in boeien zou klinken. Maar dit duldden de soldaten niet, daarvoor hadden ze te vaak zijn rechtvaardigheidszin en zijn goede zorgen ondervonden. Met Stanley hoopten de rebellen bij diens terugkeer, spoedig af te rekenen; ze waren van plan hem in het land te lokken, hem van alle geweren, munitie en leeftocht te berooven, en hem dan eenvoudig weg te jagen.
Daar rukten in October plotseling uit het Noorden de Mahdisten aan en spoedig kwam de eisch van hun aanvoerder tot den gevangen gouverneur om, tegen vrijen aftocht, zichzelf en zijn mannen, over te geven.
Redjaf viel, met al zijn voorraden in handen der derwischen, en de bevolking der geheele streek sloeg hals over kop op de vlucht.
Thans kwamen de leugens der oproerige officieren aan het licht, en de soldaten vervloekten hun aanvoerders: „Wanneer we onzen gouverneur gehoorzaamd hadden, dan bevonden we ons thans in veiligheid; al deze jaren is hij als een vader en moeder voor ons geweest; maar inplaats van op hem, hebben we op u vertrouwd, en nu zijn we verloren!”
De poging om Redjaf te heroveren mislukte, de Mahdisten behielden de overhand, en er ontstond onder de soldaten zulk een paniek dat ze weigerden nog verder te vechten, wanneer hun pacha hun niet werd teruggegeven. Bij den strijd om Redjaf waren de ergste vijanden van Emin gesneuveld, en zoo herkregen de gouverneur en Jephson hun vrijheid. Hij had drie maanden in strenge gevangenschap doorgebracht, maar toen hij te Wadelai aankwam, werd hij door de bevolking met gejubel ontvangen.
Weliswaar werden de Mahdisten den 25sten November door Emin’s troepen verslagen, maar, daar het eene station na het andere hun in handen viel, en ze vanuit Chartoem versterking kregen, moest Wadelai toch prijsgegeven worden, en in het begin van Januari trok Emin naar Toengoeroe terug.
In deze Januari-dagen van 1889 had Stanley met zijn karavaan eindelijk weder de grasvlakten van Aequatoria betreden, en vol onrust over het zwijgen van Emin rukte hij in geforceerde marschen voort. Den 28sten Januari was hij weer in Kavalli, den 6den Februari kwam Jephson bij hem, en eindelijk, den 17den Februari kwam Emin in zijn kamp aan.
Weliswaar hadden de rebellen hem om vergiffenis gevraagd, maar toch zonnen ze op verraad, en koesterden nog steeds het plan om zich van de munitie der expeditie meester te maken, en den gouverneur en Stanley uit den weg te ruimen.
Maar, om dit plan ten uitvoer te brengen, hadden ze tijd noodig en daar het gerucht van de groote troepenmacht die Stanley meevoerde, en van de verschrikkelijke uitwerking van zijn geweren hun een heilzamen angst inboezemde, bepaalden de aanvoerders zich er toe om den eigenlijken afmarsch van Stanley en den geredden Emin zooveel mogelijk te vertragen, totdat het aantal hunner kameraden tot een overmacht zou zijn aangegroeid. Daarbij sleepten de mannen, die hun gouverneur zoogenaamd naar de oostkust zouden vergezellen, zulk een massa bagage mede dat Stanley’s dragers op verre na niet toereikend waren, en met recht weerspannig werden.
Stanley verklaarde derhalve aan de Egyptische officieren dat ze zelf voor hun bagage moesten zorgen, en dat hij zijn mannen, die zich bij de redding der Egyptenaren zoo dapper geweerd hadden, niet zou laten gebruiken voor hun molensteenen om maïs te malen, en hun groote vaten voor het bereiden van bier naar de kust te sleepen.
Daar hij hun heimelijke bedoeling doorzag, gaf hij allen die hem wilden volgen een bepaalden bedenktijd, en door vertrouwde spionnen liet hij zich van alles wat er tegen hem beraamd werd op de hoogte houden. Emin pacha, die nog slechts belangstelling voor natuur-wetenschappelijke studiën scheen te hebben, en die gedurende dien tijd van wachten zich bijna uitsluitend bezighield met het verzamelen van vogels en insecten, vertrouwde nog steeds op zijn officieren, en het kostte Stanley heel wat moeite om hem over de stemming van zijn eigen manschappen in te lichten. Met de inboorlingen rondom stond Stanley thans op den besten voet, daar hij hen bijstond in hun strijd tegen koning Kabba-Rega. Het kamp der karavaan was intusschen zoo groot als een stad geworden en werd door de dankbare inboorlingen uitnemend geproviandeerd.
Den 10den April was Stanley gereed. Nu begon het eigenlijke ontzet van Emin, de marsch der vereenigde troepen naar de kust. Stanley’s troepen waren thans 460 man sterk, die van Emin 600, dat was alles wat overbleef van de 10.000 man waarop de gouverneur in goed vertrouwen gemeend had te kunnen rekenen! En ook dezen bleven hem nog niet eens allen getrouw, ze deserteerden bij troepen.
Nog eenmaal scheen het ontzet van Emin gevaar te loopen! Den 13den April werd Stanley zwaar ziek, evenals zijn arts en Jephson; zoodat de marsch een langen tijd onderbroken moest worden. Eerst den 8sten Mei kon men verder trekken.
De groote karavaan trok langs den voet van een der machtigste sneeuwbergen van Afrika, de Roewenzori, welks top Stanley reeds in 1888 als eerste Europeaan aanschouwd had, en die later in 1906 door den hertog der Abruzzen voor het eerst bestegen werd. Achter Boekolo stiet men weer op Arabische rooversbenden, waarmee men, tengevolge van een misverstand, slaags raakte. Ook met de mannen van Kabba-Rega had Stanley menige schermutseling, terwijl door het slechte weer bijna de geheele karavaan aan koorts leed!
Den 4den Juli had men eindelijk de uitgestrekte vlakte voor zich, die zich uitstrekt van Eduard-Niansa tot aan de kust. Na een marsch van vijf maanden kwam een expeditie den 4den December te Bagamoyo tegenover Zanzibar. Reeds in Mpoeapoea waren ze door den keizerlijken commissaris van Duitsch-Oost-Afrika, majoor Wissmann, verwelkomd. Bij een feestbanket dat ter eere van redders en geredden te Bagamoyo gegeven werd, kreeg Emin pacha nog, tengevolge van zijn bijziendheid een ongeluk, daar hij uit een raam viel!
Na zijn genezing trad hij den 7den April in dienst van het Duitsche rijk, maar het was hem slechts twee en een half jaar vergund zijn bekwaamheid en ervaringen in dienst te stellen van de Duitsche koloniën in Afrika. Uit de handen der Mahdisten hadden Stanley’s moed en volharding hem ten koste van driehonderd menschenlevens bevrijd. En thans viel de voormalige gouverneur van Aequatoria op een reis in het binnenland in handen van vijandelijke Arabieren, en werd door hen den 23sten October 1892, vermoord, een bittere ironie der wereldgeschiedenis.
Slechts zijn dochtertje Ferida, wier moeder een Abessynische was, keerde naar Europa terug, en leeft nog heden onder ons.
Hiermede besluiten we onze tweede reis „Van Pool tot Pool”. Maar we ontmoeten elkaar weder in het „Zwarte Werelddeel” om ons van daar uit over Spanje met Columbus naar de nieuwe wereld in te schepen en om tenslotte ook het „zesde werelddeel” de Zuidpool te bezoeken. Alzoo: „tot weerziens!”
INHOUD.
1. Naar het land van de Middernachtzon 3 2. Aan de Noordkaap 7 3. De Pooltocht van Franklin 11 4. De dood van den Admiraal 14 5. In nacht en ijs 19 6. De tocht naar de Doodenbaai 23 7. Het bericht der Eskimo’s 27 8. Aan de Oostkust van Groenland 30 9. Door ijsberen aangevallen 36 10. Tweehonderd dagen op een ijsschots 40 11. Een Gordon-Bennettvaart naar de Noordpool 48 12. De ondergang der „Jeannette” 51 13. Door de ijswoestijn 57 14. De doodenmarsch van De Long 60 15. Fridtjof Nansen 68 16. Op sneeuwschoenen en met hondensleden naar de Noordpool 72 17. Een overwintering 76 18. Een avontuur in de Kajak 80 19. Nansen’s gelukkige terugkeer 82 20. Per luchtballon naar de Noordpool 84 21. Voor de opstijging 88 22. „Alles klaar!” 91 23. Het lot van Andrée 94 24. In Hamburg bij Hagenbeck 98 25. In het gewoel der wereldstad 102 26. Tocht op de Theems 106 27. Twee dagen in het Britsch museum 108 28. In Londen’s armenwijk 110 29. Van Londen naar Parijs 113 30. Een wandeling door de Seinestad 115 31. Het graf van Napoleon 118 32. Aan den oever van het Meer van Genève 124 33. De lagunenstad 127 34. Dwars door Italië 130 35. De eeuwige stad 133 36. Paus Pius X 135 37. „Brood en spelen” 137 38. In de catacomben 142 39. Pompeji 145 40. Onder de asch van den Vesuvius 148 41. Egypte 152 42. Met Gordon den Nijl op 155 43. De Witte Pacha 158 44. De ontruiming van Soedan 163 45. In de macht van den Mahdi 165 46. Het dagboek van Gordon 168 47. De val van Chartoem en het einde van Gordon 172 48. De veldtocht van Kitchener in Soedan 179 49. De struisvogel 182 50. Leeuwenjacht 185 51. Het nijlpaard 192 52. David Livingstone 195 53. De ontdekking van het Ngami-meer 200 54. Van kust tot kust 203 55. De apostel van Afrika 209 56. Hoe Stanley Livingstone vond 216 57. De laatste reis van Livingstone 224 58. De lijkstoet van een held 229 59. Door het donkere werelddeel 232 60. Oorlogen met de inboorlingen 237 61. Over de congo-vallen 239 62. „Boela Matari, de steenbreker” 242 63. De laatste gouverneur van Gordon 246 64. Honderd zestig dagen in het oerwoud 250 65. Op zoek naar Emin Pacha 255 66. Het lot van de achterhoede 260 67. Gered uit de handen der rebellen 265
AANTEEKENING
[1] Thans is de Zuidpool zoowel door den Noor Asmussen als door den Engelschman Scott betreden, terwijl den 26en April 1908 de Noordpool ontdekt werd door R. E. Peary.