Part 10
Wanneer men een indruk wil krijgen van het straatgewoel, dan moet men bovenop een omnibus plaats nemen; van daar uit heeft men naar alle kanten vrij uitzicht. Wij bestijgen dus een „bus” in Kensington, de wijk waarin ons hotel ligt, in de onmiddellijke nabijheid van twee der rijkste musea van Londen voor kunsten en wetenschappen. Eerst gaat ’t langs het prachtige Hydepark, een heerlijke oase temidden van de huizenwoestijn. Het park wordt doorsneden door breede, schaduwrijke wegen; hier praalt de voorname wereld met schitterende equipages, kostbare toiletten en rijk uitgedoste livreien. Wanneer men ’s zomers zucht van de hitte, dan vindt men hier een verkwikkende koelte; zwarte zwanen zwemmen statig rond in den langwerpigen vijver, waarin ieder mag baden, zonder dat hij daarvoor een cent hoeft te betalen. Maar de prachtige gazons zien er uit alsof er zoo juist een groote volksbijeenkomst is gehouden; hier rusten de dakloozen, want overdag mogen ze in de openbare parken gaan liggen en slapen, maar des nachts worden ze er door de politie verdreven!
Langzaam beweegt zich nu onze omnibus door het gewoel van Piccadilly. Zooeven hadden we nog het Hydepark links, en reeds spreidt het St. James-park zijn boomenpracht rechts van ons ten toon. Links van ons hebben we Londen’s grauwe, eindelooze huizenzee. Maar spoedig zijn we het park voorbij, en nu hebben we aan weerszijden de huizen van Piccadilly. Men houdt bij het rijden links, daardoor ontstaat een dubbele stroom van voertuigen in de tamelijk smalle straat. Vanaf het imperiaal van den omnibus heeft men een uitstekend uitzicht op dien gestadig voortbruisenden verkeersstroom.
Voor en achter ons, zoover de blik reikt, ziet men de honderden van voertuigen als eindelooze, naast elkaar rijdende treinen, een bonte aaneenschakeling van passagiers- en goederenwagens. De omnibussen alleen zijn honderden in getal, groote, zware, roodgeverfde monsters, deels door motoren, deels door paarden voortbewogen; aan de zijkanten altoos met reclameborden bedekt. Op het imperiaal zitten de heeren met hun hooge hoeden, onder het rooken van een pijp, hun courant te lezen, terwijl de dames onder haar groote hoeden schuil gaan. Van het plaveisel is nauwelijks iets te zien. Want tusschen de omnibussen verdringen zich nog automobielen, vierwielige huurrijtuigen, reclamewagens, hooge tweewielige hansoms en vrachtwagens, en daartusschen weer kleine karren beladen met bananen en sinaasappels. Hier en daar dringt zich ook nog een wielrijder tusschen het levensgevaarlijke gewoel. De andere helft der straat biedt hetzelfde schouwspel. Slechts beweegt zich hier de stroom in tegenovergestelde richting. Onafgebroken klinkt het getoeter der automobielen en het knallen der zweepen: al die geluiden der wereldstad, vermengd met het paardengetrappel, het menschengedruisch, het roepen der courantenventers, enz. smelt samen tot een zoemend gebrom, dat ons onophoudelijk in de ooren klinkt.
Van tijd tot tijd ziet men kleine jongens, die snel den paardenmest opvegen en wegdragen. Vlug en handig wippen ze door het ergste gedrang heen; en ’t mag wel een wonder heeten, dat ze het er altijd heelhuids afbrengen!
Langzaam, langzaam gaat ’t verder. Ineens staat de geheele stoet stil; een politieagent heeft zijn hand in de hoogte gestoken; wee den koetsier of chauffeur die bij dit teeken niet onmiddellijk zou stilhouden! De politieagent en zijn kameraad, aan den anderen kant van de straat, hebben het verkeer een oogenblik stop gezet om een rij voertuigen uit een dwarsstraat gelegenheid te geven Piccadilly over te steken; ze rijden ons nu voorbij, maar over eenige minuten brengen andere agenten het verkeer in de zijstraat tot stilstand en wij kunnen onzen weg weer vervolgen, totdat we aan een ander kruispunt weer moeten wachten. Men heeft zoodoende bij een rit door Londen’s straten heel wat geduld noodig, want van snel vooruit komen, kan bij al die drukte, geen sprake wezen.
Eindelijk eindigt Piccadilly in een klein rond plein, waarop van alle kanten straten uitkomen. Hier is het gewemel van voertuigen en voetgangers werkelijk angstwekkend! De onvermoeide politie leidt echter rustig het verkeer, en wordt ook gewillig gehoorzaamd. De politie van Londen is de vriend en beschermer van het publiek, zoo komt het, dat er overal voorbeeldige orde heerscht.
Nu buigt onze omnibus naar rechts af, en brengt ons door een korte, maar belangrijke straat naar Trafalgar-Square, een der mooiste en levendigste pleinen van Londen. In het midden verheft zich een 44 meter hooge zuil, bekroond door het standbeeld van den zeeheld Nelson. Het plein ontleent zijn naam aan het voorgebergte Trafalgar in Spanje, aan de kust van den Atlantischen Oceaan, in de buurt van Gibraltar. Daar behaalde Nelson in 1805 de overwinning op de vloot van Napoleon, en verijdelde zoodoende het plan van den keizer, om met zijn troepen een inval in Engeland te doen. Nelson zelf vond in dezen bloedigen slag den dood. Op de zuil staan zijn beroemde woorden gebeiteld: „Engeland verwacht dat elkeen zijn plicht zal doen!”
De omnibus rolt dreunend verder oostwaarts door eindelooze straten met winkels en kantoren. Beneden ons krioelt het als in een mierenhoop. Iedereen heeft haast. Men spoedt zich naar het station, naar kantoor, winkel, of bank zonder zijn aandacht te schenken aan die oude huizen, gevels of fonteinen die de herinnering wakker roepen aan lang vervlogen tijden. „Zaken” dat is het wachtwoord in de City, de „hoofdstad van Londen.” Hier vloeit het geld in zilveren en gouden stroomen, hier is het brandpunt van wereld- en kolonialen handel, hier liggen naast ontelbare bankgebouwen de paleizen der stedelijke beambten, de oude gilde-huizen, de redactiebureaus der couranten. Hier verheft zich ook de prachtige, en op twee na de grootste kerk der christenheid, de St. Pauls-kathedraal, die zoo omringd is door de zee van grauwe, donkere huizenmassa’s dat het uiterlijk nauwelijks eenigen indruk maakt; van binnen is de kerk evenwel overweldigend en plechtig.
Een eind verderop ligt de Bank van Engeland, met zijn meer dan 1000 beambten, en zijn geldvoorraad van minstens 240 millioen gulden aan goud en zilver. Daar het gebouw geheel zonder vensters is, ziet het er uit als een geweldige vesting; en met dien schat, dien het bergt, is ’t dan ook inderdaad het sterkste bolwerk van Engeland’s welvaart en onafhankelijkheid.
26. DE THEEMS.
Weer rijden we langs het dek van Hydepark, maar ditmaal slaat onze automobiel bij Piccadilly rechtsaf, voert ons langs het Buckingham-paleis, waar de koning verblijf houdt; en laat vervolgens een rij groote gebouwen, waarin de ministeries gevestigd zijn, links liggen. Rechts verheft zich de beroemde Westminster-Abdij, waar Engeland’s koningen gekroond worden en waar de grootste mannen en helden van Brittannië in hun graven sluimeren. Naast de Kathedraal verheft zich het reusachtige parlementsgebouw, in welks prachtige zalen het Engelsche Hooger- en Lagerhuis zitting houden en waar over het wel en wee van het Britsche rijk beraadslaagd wordt.
Met zijn languitgestrekten gevel en zijn torens weerspiegelt zich het Parlementsgebouw in het water van de Theems, evenals het vlak daartegenover liggend St. Thomas-hospitaal. De verbinding tusschen de beide oevers wordt gevormd door de Westminsterbrug. Hier begeven we ons op een rivierbootje, waarmee we stroomafwaarts, en tóch tegen den stroom opvaren! Want het is bijna twaalf uur en de vloed komt van uit zee opzetten. Ontelbare vrachtschepen maken daarvan gebruik, om zoodoende gemakkelijk van uit zee Londen te bereiken.
We varen onder een spoorbrug door. Links op de kade verheft zich de „Naald van Cleopatra,” een Egyptische obelisk: en iets verder stroomafwaarts zien we de steenen muren van eenige reuzen-hotels. Achter de Waterloo-brug wordt de hooge, heerlijke koepel der St. Pauls-kathedraal zichtbaar. Blackfriars-brug, de brug der „Zwarte broeders” en een spoorbrug liggen zóó dicht naast elkaar, dat de afstand tusschen die beide nauwelijks twintig meter bedraagt. De rechteroever wordt ingenomen door fabrieken en eenvoudige woonhuizen.
Nu gaan we onder drie bruggen door, die eveneens vlak naast elkaar liggen. De derde heet „London Bridge”, en is een der hoofdaderen van het verkeer. Voortdurend wordt het oog door iets nieuws geboeid. Ginds ligt de „Tower” een der beroemdste overblijfselen uit vroegere eeuwen, een overoude vesting en staatsgevangenis, een gebouw, welks geschiedenis ten nauwste met die van Engeland verbonden is. In den „Tower” worden tegenwoordig, behalve andere kostbaarheden, de kroonjuweelen en de uiterlijke kenteekenen der koninklijke macht bewaard, ter waarde van ongeveer zestig millioen gulden.
Op twee, midden in den stroom gebouwde torens, rust de „Tower-brug”. Het middelste gedeelte bestaat uit twee boven elkaar liggende bruggen, zoodat ook schepen met hooge masten er onder door kunnen varen, terwijl voor de voetgangers in de beide torens liften zijn aangebracht waarmede zij op de bovenste brug worden gebracht en niet behoeven te wachten. De grootste stoomschepen varen evenwel niet zoo ver stroomopwaarts. De schepen met bestemming voor Amerika verlaten Engeland van uit Liverpool, Southampton en Bristol, terwijl de Australische, die we in Bombay en Colombo zagen, veel dichter bij de Theemsmonding ankeren.
Wanneer we de Towerbrug voorbij zijn, bieden de oevers weinig belangrijks meer. Dokken, fabrieken, stapelplaatsen, werven, kranen, nemen de plaats in van beroemde gebouwen. Aan weerszijden liggen tallooze kleine stoombootjes, zeilschepen en roeibooten. We komen machtige stoomschepen uit alle werelddeelen tegen. Nu varen we juist over een tunnel heen, die onder den stroom door gegraven is. Rechts ligt de Electrische Centrale, vanwaar uit alle electrische trams van Londen hun beweegkracht ontvangen, een reuzen-installatie, want de trams doorsnijden Londen in alle richtingen.
Eindelijk bereiken we Greenwich, met de wereldberoemde sterrenwacht, wier meridiaan in nagenoeg alle landen als „nulmeridiaan” aangenomen is. Op de meeste land- en zeekaarten wordt de ooster- en westerlengte van deze meridiaan uit berekend.
We bevinden ons thans op den rechteroever van de Theems. Om op den linkeroever te komen, gaan we met een omnibus door de Blackwell-tunnel onder de rivier door. Deze tunnel is gebouwd van cement, en lijkt op een buis met twee trottoirs en een rijweg in ’t midden. De lengte bedraagt twee kilometer, de echo wordt dreunend door de wanden weerkaatst: boven ons hoofd doorploegen de schepen de rivier.
Tenslotte zoeken we, om weer in ons hotel terug te komen, een der ondergrondsche spoorwegen op, die in alle richtingen Londen doorkruisen, evenals de gangen van reusachtige mollen. In doorsnede bevinden ze zich op een diepte van twintig meter, sommigen zelfs van vijftig meter. Men kan daarmee goedkoop en snel van het eene eind van de stad naar het andere komen, maar men mist natuurlijk het belangwekkende schouwspel, dat het bonte gewoel daarboven in het daglicht oplevert.
27. TWEE DAGEN IN HET BRITSCH MUSEUM.
Men kan twee dagen in het Britsch Museum, wel het grootste der wereld, doorgebracht hebben, zonder nog zelfs een oppervlakkig overzicht te hebben van de schatten die het bevat! Onder sfinxen en granieten beelden die 6000 jaar oud zijn, wordt men verplaatst in het grijze verleden. Hier staat een doodkist waarin voor 5500 jaar een Egyptische koning ter ruste gelegd werd; hij was de stichter van tal van prachtige graven bij Caïro; en in de Ninivé-zaal staan we vol bewondering voor oude oorkonden en brieven die in spijkerschrift op leemen tabletten gegrift zijn.
Uit de dagen van Sanherig en Sardanapalus, 700 en 600 v. Chr., stamt het Babylonisch-Assyrische verhaal van Schepping en Zondvloed, dat zooveel overeenkomst vertoont met de bijbelsche voorstelling. De goden, zoo heet het, besloten een vloed over de aarde te zenden, waarin alles zou verdrinken. Slechts aan Sit-Napistim, den Babylonischen Noach, werd bevolen een schip te bouwen dat voor hem, zijn familie en zijn huisdieren zou dienen als een veilige wijkplaats. Toen steeg de vloed, en bedekte de gansche aarde, en toen het schip, nadat het water weer gevallen was, op den berg Nizir landde, werden op den zevenden dag een duif, een zwaluw en een raaf losgelaten om op verkenning uit te gaan.—Deze sage is tot ons gekomen door de bibliotheek te Ninivé, die door Sardanapalus werd uitgebreid.
Welk een gevoel van eerbied vervult ons, wanneer we staan voor het beeld van Ramses II. Hij was de Pharao die de kinderen Israëls onderdrukte! Wanneer we dan de Romeinsche zalen betreden, en we het oog vestigen op de buste van Caesar, dan hebben we het gevoel, weer op historischen bodem te staan, en wanneer we dan in de bibliotheek van George III (King’s Library) een bijbel uit het jaar 1455 aanschouwen, de eerste die uit Gutenberg’s eigen drukkerij te Mainz kwam, dan meenen we al zeer nabij den tegenwoordigen tijd te zijn.
De handschriftenverzameling van het Britsch Museum omvat een menigte gedenkwaardige brieven uit de geschiedenis van Engeland. Zoo kunnen we hier het eigenhandig, door Nelson geschreven, plan voor den zeeslag van Trafalgar lezen, alsook de laatste bladzijden uit het dagboek van Gordon, den held van Karthoem, met wien we nog nader zullen kennismaken.
De bibliotheek van het Britsch Museum omvat twee-en-een-half millioen banden die, naast elkaar gezet, een rij van zeventig kilometer lengte zouden vormen. En onze bewondering voor deze menigte van boeken stijgt nog wanneer we denken aan de scherpzinnigheid der navorschers, die er in geslaagd zijn om uit al deze gegevens schatten van wijsheid te putten, aangaande de geschiedenis van volkeren, die reeds tal van eeuwen tot het verleden behooren.
Niet minder dan deze verzamelplaats van historische herinneringen trof mij de levende getuige van een grijs verleden, die tot aan zijn dood op een buitenplaats buiten Londen woonde, en dien ik eens bezocht, in gezelschap van den overste Younghusband, die jaren geleden de Engelsch-Indische expeditie naar Lhassa in Thibet leidde. Toen we aanbelden, kwam de statige grijsaard zelf om ons te ontvangen. Hij was toendertijd vijf-en-negentig jaar oud en heette Sir Joseph Hooker. Eertijds directeur van den grooten Londenschen plantentuin, zat hij nog op het eind van zijn leven over zijn microscoop gebogen, en schreef geleerde verhandelingen over het leven der planten! Reeds twintig jaren voor mijn geboorte was hij tot aan de grenzen van Thibet doorgedrongen, en ook van zijn reis naar de Zuidelijke IJszee vertelde hij met groote levendigheid! Hij was in 1839 scheepsdokter bij de Zuidpool expeditie van James Rosz. Twee-en-zeventig jaren waren er sedert voorbij gegaan, en men kan zich nauwelijks voorstellen, dat er nog persoonlijke herinneringen bewaard konden blijven uit een tijd, die zoo ver in ’t verleden lag.
„Is ’t mogelijk, dat u zich alles nog kunt herinneren, wat op dien tocht voorviel?” vroeg ik.
„Zeker,” antwoordde Hooker, „ik kan me dien tocht beter voor den geest terugbrengen, dan de gebeurtenissen van het vorige jaar.”
En toen beschreef hij ons hoe de ligging van het ijs was, en hoe hij en zijn tochtgenooten aan boord leefden. Ook sprak hij met warmte over dien grooten baanbreker der nieuwere natuurwetenschap, zijn vriend Charles Darwin.
28. IN LONDEN’S ARMENWIJK.
Wat is het leven toch rijk aan scherpe tegenstellingen en aan ten hemel schreiend onrecht! Op een afstand van ternauwernood een half uur van al de pracht en praal, die bij de laatste kroning in Juni 1910 in de Westminster Abdij tentoongespreid werd, ligt de armenwijk in het Eastland en in het zuidoostelijk deel van Londen. Begeven we ons thans daarheen.
We hebben onze allereenvoudigste plunje aangetrokken en worden begeleid door een vriendelijken missionaris, want het is in deze straten, waar moorden niet tot de zeldzaamheden behooren, en waar nog heden vreemdelingen spoorloos verdwijnen, volstrekt onveilig. Het is raadzaam om horloge en ketting maar liever thuis te laten, en ’t is dames niet aan te bevelen om hier haar handtaschje met geld met zich mede te dragen!
Hoevele boeken zou men niet kunnen vol schrijven over de ontzettende armoede van Londen! Een armoede die het hart breekt en die schande roept over de grootste en rijkste stad der wereld. Tot zulk een ellende als in Londen, vervallen de armen in geen enkel land op aarde, zelfs niet in Azië! Hun leven is een onafgebroken worsteling met de meest kwellende zorgen en het meest nijpende gebrek; met ziekte, vervuiling, gedierte en misdaad.
Daar woont een moeder met acht kinderen in een enkel kamertje, waarvoor ze nauwelijks de huur kan betalen. Hoe moet ze den honger van haar kinderen stillen, wanneer haar man het grootste gedeelte van zijn verdiensten als dokwerker verdrinkt? Jammerlijk slepen de kinderen hun ellendig bestaan voort, en wanneer er een sterft, blijft het liggen, totdat het noodige geld voor een begrafenis bijeengebracht is. Overleven ze de kinderjaren, dan groeien ze op tot straatslijpers en vagebonden, die voor niets anders deugen dan voor bedelaars.
Roerend, en tegelijk ergerlijk is de aanblik dier kleinen, zoo als ze, in lompen gehuld, in de nauwe, stinkende sloppen te midden van allerlei afval, stoeien en spelen. Dat is hun zomervermaak, en van de vrije natuur hebben ze niet eens een voorstelling! Ze zijn aan deze straten in het Eastland gehecht, en zouden niet eens van woonplaats willen wisselen! ’t Is nu immers zomer, en dan heeft men ’t tenminste op straat niet koud!
Onze leidsman brengt ons naar een wijk waar de stegen zoo nauw zijn, dat twee personen elkaar nauwelijks kunnen passeeren. Hier heeft de missionaris veel goeds verricht. De zending heeft hier een eigen vergaderlokaal, kerk en club, en ’t is weldadig om te zien hoe graag de arme kinderen hier heen gaan. Een ruim gymnastieklokaal en een kleine bibliotheek staan hun ter beschikking, en zelfs hebben ze een padvindersclub georganiseerd die achttien leden telt. Op het dak van een huis hebben ze een ruim terrein voor voetbal en andere spelen.
Zulk een zending, een zoogenaamd „Settlement” of kolonie vindt men in de armste wijken van het Eastland. Barmhartige Samaritanen, uit de welgestelde klassen van Londen, offeren een deel van hun tijd op om hier met de armen om te gaan en hun met raad en daad bij te staan.
Ze zijn in zekeren zin het zout dat het bederf tegen gaat. Ze redden velen van het verderf en vormen hen tot fatsoenlijke burgers. Hoe groot is echter het getal van hen, die in dien poel van jammer en misdaad reddeloos ten onder gaan!
Nu voert onze leidsman ons in een arbeiderswoning, die niet eens tot de slechtste behoort; men gaat vanuit de straat twee treden af in een ellendig klein kelderhol. De enkele meubels zien er zoo vervallen uit, dat het schijnt, alsof ze zich nog slechts met moeite staande houden. Aan een ronde tafel in ’t midden zit baas Higgins, met zijn moeder en zijn vrouw voor een karig middageten; het vertrek is klein en bedompt, en geen frissche lucht komt van de straat uit naar binnen. Hoe zal ’t hier dan ’s winters wel wezen, wanneer de beruchte Londensche mist zoo dik is, dat ’s middags een stikdonkere duisternis heerscht en op de rijk verlichte breede straten de electrische lampen aan de overzijde nauwelijks te zien zijn!
Maar baas Higgins is tenminste nog een goede kerel. Hij is juist thuisgekomen van zijn werk: het bouwen van een brug, en hij heeft ’t nog zóó warm, dat de hitte van zijn lichaam afslaat als hij te midden der zijnen in zijn hemdsmouwen aan tafel zit. Hij heeft reeds volwassen zoons, die zelf verdienen en hij vertelt ons wat hij wekelijks verdient, en wat hij noodig heeft voor huur en levensmiddelen.
Reeds bij de oudste staatsregeling heeft elke Engelschman het recht „niet te verhongeren” en een uitstekende Armenzorg van staats- en gemeentewege was het gevolg. Maar, nog ontbreekt het hier aan wetten, die inplaats van de armoede te lenigen, die weten te voorkomen.
Tijdens een bezoek aan Londen was ik op zekeren avond als gast bij een feestmaal van het gilde der zijdehandelaars. Dit gilde is een der oudste van Londen en bestaat reeds acht eeuwen; hoewel tegenwoordig geen der leden meer zijdehandelaar is. Lid kan evenwel lang niet iedereen worden, het is een eer die van vader op zoon overgedragen wordt. Door giften en legaten beschikt het gilde over ontzaglijke sommen, waarvan de rente in zijn geheel voor liefdadige doeleinden gebruikt wordt. Het gildehuis in Londen is een heel oud gebouw, van middeleeuwsche pracht; men vindt hier de prachtigste bekers, kannen en schotels, die alle eeuwen oud zijn. Wel twee duizend huizen in Londen zijn het eigendom van het gilde en tal van scholen worden geheel door het gilde bekostigd; ook worden alle ziekenhuizen uit de kas met ruime giften gesteund.
Toen ik later met een kennis langs de Theems naar huis ging, waren de banken dicht bezet met tal van kerels in lompen en nachtelijke zwervers. De meeste zaten in elkaar gebogen, de handen in de zakken en het hoofd op de borst gezonken. Enkelen zaten met elkaar te praten, terwijl ze hun pijp rookten. Een oude man had een plaats gevonden dicht bij een lantaarnpaal, en las de courant.
„Wat zijn dat voor menschen?”
„De dakloozen,” antwoordde mijn geleider.
„Slapen ze hier den geheelen nacht?”
„Neen, ze wachten tot twee uur, dan deelt het Leger des Heils daarginds onder de brug warme soep en brood uit.”
„En na het eten?”
„Dan zitten ze weer in doffe onverschilligheid op de banken, of ze zwerven door de stad heen om te bedelen of te stelen. ’s Morgens zien ze weer op de een of andere manier aan een gratis maal te komen.”
„Wat doen ze dan overdag?”
„Dan liggen ze in de parken te slapen; ’s nachts worden ze daar door de politie niet geduld.”
„Maar waarom werken ze dan niet?”
„Ze willen niet! Van al deze kerels hier kon ieder gemakkelijk zijn dertig stuivers per dag verdienen, een slaapgelegenheid bekostigen, en onafhankelijk leven, maar ze willen niet. Probeer ’t: verschaf hun werk, biedt hun dertig stuivers dagloon aan! Niet een enkele zou van uw aanbod gebruik maken! Ze willen veel liever bedelen, in de parken slapen en de gemeente tot last zijn.”
„Is hun aantal groot?”
„Veertig duizend—maar, laat ons dat niet vergeten, onder de aanzienlijken en onder den adel zijn minstens evenveel dagdieven en deugnieten te vinden! Van hen heeft men het recht te verwachten, dat ze zich voor hun land nuttig maken. Hij, die des nachts moet rondzwerven, is wel meer te beklagen dan te veroordeelen.”
29. VAN LONDEN NAAR PARIJS.
Vaak ben ik van Londen naar Parijs gereisd. De tocht duurt slechts enkele uren. Een trein brengt ons vlug naar Dover, en dan, waar ’t kanaal het smalst is, steken we met de stoomboot naar Calais over. Dan gaat ’t weer verder per spoor door noordwest Frankrijk.
Het is me altijd een genot de Fransche taal te hooren, die als muziek in de ooren klinkt. Graag zie ik dit levendige, opgewekte menschenras dat ieder woord vergezeld doet gaan van gebaren, schouderophalen en het wisselen der gelaatsuitdrukking. Op weg naar Parijs heb ik het gevoel alsof ik me naar een feest begeef. Reeds de naam Parijs bevat een onuitputtelijken voorraad van levensvreugde en zorgeloosheid, van trots en vaderlandsliefde, vrijheid, dapperheid en roem.
Welk een onderscheid tusschen Londen en Parijs! De steden liggen bijkans vlak bij elkaar, en toch is ’t alsof ze door een geheele wereld van elkaar gescheiden zijn. Reeds in de namen ligt het verschil. „Londen”, hoe zwaarwichtig, dof en ouderwetsch klinkt dat! Zooals het brommen van een torenklok, in nauwe straten weerklinkend tusschen grauwe huizen. Het klinkt als het stampen van zware stoommachines, als het dreunen van voetstappen van een in koortsachtige haast zich voortspoedende menigte, het maakt een indruk als iets reusachtigs, maar tevens als iets eentonigs, dat krachtig en overweldigend verborgen ligt onder roet en stoomwolken, als iets alledaagsch en prozaïsch dat zich slechts bij een kroning of bij de begrafenis van een vorst tot feestelijken luister ontplooit.