Chapter 2 of 24 · 3829 words · ~19 min read

Part 2

Tien dagen later ankerden de beide schepen bij het eiland Disko, aan de westkust van Groenland. Hier ontmoetten zij een ander Engelsch schip, dat vooruit was gezonden, om met zijn lading hun voorraad aan proviand en verdere voorwerpen voor de uitrusting te voltooien. De kapitein van dit schip was de laatste die met de leden der Franklin expeditie had gesproken. Nooit, zoo verzekerde hij later, heb ik zulk een flinke schaar en voor hun taak in geestdrift verkeerende zeelieden gezien. Ik heb gemeend, dat die zich overal zouden doorslaan. Hij nam de laatste postzending der poolvaarders mede. Eenige der briefschrijvers gaven Kamschatka, de Sandwicheilanden en Panama als postadres op; zij meenden in een jaar weer in Europa terug te zijn, en de brieven getuigden van de geestdriftige stemming, welke aan de officierstafel heerschte en van de bewondering voor den admiraal, den ouden zeerob, die niet eens bij stormachtig weer het getal der geheschen zeilen verminderde om maar snel verder te komen! Want hij wist, dat hier in het Noorden, slechts kort gedurende den laten zomer op open water was te rekenen. Er was voor drie jaar proviand voorradig, zelfs op het dek stond elke hoek vol met tonnen en kisten,—wat was er dus verder te vreezen?

Den 26sten Juli werden „Erebus” en „Terror” door een Engelschen walvischvaarder gepraaid. Dat was de laatste maal, dat een sterfelijk oog hen zag; sedert dien dag omgaf de ongelukkigste van alle poolexpedities een huiveringwekkend diep duister!

4. DE DOOD VAN DEN ADMIRAAL.

Wat men over het verdere lot der beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror” met zekerheid weet, bepaalt zich tot heel enkele bijzonderheden, die pas verscheidene jaren later door hulpexpedities werden ontdekt. Maar ze zijn voldoende voor de nadenkende fantasie, om zich het ontzettend drama voor te stellen, waaraan schip en manschappen ten offer vielen.

Eerst ging de vaart naar het Noord-Westen, tusschen twee groote eilanden door in de Lancaster-sond. Verder doordringen werd verhinderd door onoverkomelijk saamgepakt ijs. De stoommachines bleken zoo zwak te zijn, dat ze slechts in kalm open water bruikbaar waren. Een naar het Noorden gaande zeeëngte liet echter nog open water zien, en hier kon men 250 kilometer afleggen, voordat het ijs weer zijn onverbiddelijk: „tot hiertoe en niet verder!” uitsprak. Daarop gingen de zeevaarders door een tweede open zeeëngte weer zuidelijk. Het was het begin van den herfst; sneeuw bedekte reeds alles in het rond, en in de Sond vormde zich nieuw ijs. Bij een klein eiland vond men een beschutte haven, en hier sloeg Franklin het winterkwartier op.

Hoe het leven aan boord was gedurende den langen winternacht, laat zich steeds vermoeden. De officieren zullen wel gelezen en gestudeerd hebben, en de manschappen bezig hooge sneeuwmuren, die boven de reeling van het schip reikten, te maken, om het binnenste van het schip warm te houden. In elk geval werden sneeuwhutten op het ijs en op het land gebouwd voor wetenschappelijke waarnemingen en werd dag en nacht een wak opengehouden, voor het geval er brand uitbrak en de pompen tot ijszuilen waren bevroren. Toen de lange poolnacht voorbij was en Februari met een zwak lichtschijnsel aan den zuidelijken horizon begon, toen het van dag tot dag lichter werd en eindelijk de zon aan den hemel straalde, ondernamen bevelhebbers en manschappen waarschijnlijk jachttochten op de naburige eilanden. De hoop van allen herleefde met het toenemende licht. Slechts 420 kilometer onbekende kusten waren nog van de Noord-West doorvaart over. Was het niet zoo goed als zeker, dat het nieuwe jaar getuige zou zijn van hun terugkeer? Steeds langer bleef de zon aan den horizon, en eindelijk was de lange pooldag er, waarop zij in het geheel niet ondergaat.

Maar pas in den naherfst werden de „Erebus” en de „Terror” uit hun ijsbanden bevrijd en konden eindelijk het eiland verlaten. Drie dooden bleven aan het strand achter; hun graven met enkele eenvoudige herinneringswoorden werden vijf jaar later door een hulpexpeditie gevonden. Daar alleen door weet men, dat Franklin op die plek heeft overwinterd.

Naar het Zuiden lag het vaarwater nu open. Wat juichten de zeelieden! Naar het Westen strekte zich nog dik ijs uit; maar ook de zuidelijke waterweg moest ten slotte naar het Zuiden afslaan. De eene mijl na de andere gleden de schepen, het drijfijs ontwakend, naar het Zuiden. In het Oosten en Westen waren de kusten van groote eilanden zichtbaar en recht vooruit vermoedde men King-Williamland, den naasten buur van het vasteland- Hiermede was alzoo het grootste deel der Noord-West doorvaart afgelegd, want tot reeds bekende kusten in het Westen, waren er nu nog maar 200 kilometer.

En tóch—hoe hopeloos lang leek dit eind, toen de schepen eenige dagen later weer door het ijs werden vastgelegd. Door winden en zeestroomingen gedreven, hoopten de ijsblokken zich op en bevroren tot een rotsharden wand. Toch behoefde de bemanning de hoop nog niet geheel op te geven, los te komen. Wel stond de winter voor de deur, maar de laatste najaarsstormen uit het Zuiden konden het ijs nog breken en in noordelijke richting drijven. Maar steeds vaster sloot het zich rondom de rompen der schepen en alle hoop verdween. De dagen werden korter, met haastige schreden naderde de tweede winter en evenals het vorige jaar bereidde men zich op zijn komst voor. De schepen waren op zestig graden noorderbreedte vast gevroren, dus nog iets meer zuidelijk, dan de Noordelijke punt van Scandinavië. Maar daar hield geen golfstroom door zijn warm water de zee open. Nooit zouden de officieren en manschappen weer een golf tegen de zijden van de „Erebus” en de „Terror” hooren klotsen!

Deze winter zal minder opgewekt doorgebracht zijn dan de eerste. De schepen hadden een slechte plaats op de open reede, zonder eenige beschutting van de kust. Zij lagen als in een schroef en het drukken van het opgehoopte ijs dreigde hen te verpletteren. Het kraakte en knapte in de rompen en de schepen steunden en jammerden om toch maar weer overgelaten te worden aan de vrije golven. Hoe lang zouden zij nog weerstand kunnen bieden? Men moest er elk oogenblik op voorbereid zijn, dat het hout met oorverdoovend gekraak bezweek, en de schepen als notedoppen kapot in de onpeilbare stroomen verdwenen. Het leven aan boord, van een in het ijs bekneld schip, kan niet anders dan vol zorg zijn geweest. Maar het ergste was toch de duisternis, toen de zon voor het laatst onderging. Als schimmen gleden de menschen in de donkere gangen onder het dek, waar de lucht zwaar, vochtig en bedorven was. Wat zou men buiten doen, waar het even donker was, zoodat men geen handbreed vooruit kon zien? Liever lag men in de kajuit en las bij het bleeke kaarslicht. Toen de drukking van het ijs, het schip echter in een scheeve positie bracht, was het nog erger; het was levensgevaarlijk in de pikdonkere gangen tusschen wankelende kisten en balen door te balanceeren. De eenige afwisseling was de klok, die de gevangenen aan den maaltijd riep. De gesprekken werden steeds minder, men kende elkaar in- en uitwendig. Wie had nog iets nieuws te zeggen? Steeds dezelfde gezichten in het rond! Men ging het liefst den kameraad uit den weg en zocht de eenzaamheid van zijn hut. Als die lange, ontzettende duisternis maar eerst voorbij was!

Een ontzaglijke laagheid, waaraan men slechts met afschuw kan denken, had bovendien de expeditie van Franklin getroffen. De koopman, op wien de zorg rustte de vleeschconserven te leveren, had bedorven vleesch, zaagsel en kiezel in de blikken laten doen! Duizenden van zulke doozen werden later gevonden op de kusten, die door de schepen werden aangedaan. Dat de proviand niet toereikend was voor drie jaren, moesten zij, die in het eeuwige ijs gevangen zaten, weten. Reeds den tweeden winter sidderde men stellig bij de gedachte aan het inkrimpen der levensmiddelen. De toestand moest wanhopend worden, als geen hulp kwam voor den derden winter!

De tweede winter ging voorbij en de zon keerde terug. Gaandeweg werd het in de gangen onder het dek lichter; het was niet meer noodig talklicht aan te steken, om ’s avonds te kunnen lezen. En eindelijk straalde de zon weer gedurende de vierentwintig uren van den dag, nog schitterender dan ooit, daar de schepen nog door niets dan ijs en sneeuw ingesloten waren! Verder in het Zuiden en Oosten zag men de heuvels van King-Williamland. Als het ijs zijn greep slechts losser wilde maken en begon te drijven! Maar naar het Westen lag nog steeds opeengehoopt ijs; en zonder twijfel waren de schepen door het persen van het ijs beschadigd. Twee officieren ondernamen met zes mannen een tocht naar King-Williamland, vanwaar men bij helder weer het vasteland van Noord-Amerika kon zien. Op de plek waar zij weer omkeerden, legden zij in een hoop steenen een kort bericht neer over de gewichtigste gebeurtenissen aan boord. Deze regels werden na vele jaren gevonden.

Met goede berichten en groote verwachtingen keerden de reizigers weer naar de schepen terug. Maar welk een slag wachtte hen daar. Admiraal Franklin lag op zijn sterfbed! Het wachten had hem te lang geduurd. Men kon hem nog slechts vertellen, dat de Noord-West doorvaart als ontdekt beschouwd kon worden. Weinige dagen daarna, in Juni 1847 stierf hij, en deze dood moest nog als een geluk beschouwd worden, na een leven van dapperheid en moed. Zeker speelde er een trotsche lach om zijn lippen toen hij ontsliep!

Hoe zal het er op dien rouwdag op de „Erebus” hebben uitgezien? De lange pooldag was op zijn middaghoogte. De zonnestralen braken in de scherpe randen van het ijs en vervloeiden in alle kleuren van het prisma. Het was stil aan boord; aan den bazaanmast fladderde Engeland’s vlag halfstok. Ernstige mannen liepen door de gangen en fluisterden zacht in de nabijheid der kajuit van den admiraal. Bleek en uitgeput zagen zij zich nu beroofd van hun leider, die beter dan een hunner het vasteland in het Zuiden kende. De scheepstimmerman maakte een lijkkist. Daar werd de admiraal in groot uniform ingelegd. Misschien werd de kist in een Engelsche vlag gehuld en zoo droegen de officieren ze over het dek en over het ijs. In het glasheldere ijs was een graf uitgehouwen; daar werd de kist in neergelaten en met fijn ijs en ijsblokken bedekt. De nieuwe opperbevelhebber, kapitein Crozier, ging bij het kruis staan, om de lijkrede te houden, terwijl de anderen er met ontbloot hoofd omheen stonden. En zeker zullen de bleeke mannen in hun versleten poolkleeren de grafgezangen van hun geboorteland hebben gezongen. Plechtig en aangrijpend zal het gezang over de ijsvelden hebben weerklonken. Zwijgend keerden zij naar de „Erebus” en de „Terror” terug, waar zij zich nu nog ongelukkiger voelden dan te voren. Nog eens waren zij voor een jaar tot blijven veroordeeld!

5. IN NACHT EN IJS.

Weer kwam de tijd, waarop het ijs in beweging raakte en men op open water kon hopen. Zeker zullen de gevangenen van de „Erebus” en de „Terror” naar alle kanten tochten hebben gemaakt, om te zien, waar de branding van de open zee het meest nabij was. Misschien beproefden zij ook met ijszagen en buskruit zich uit de ijsbanden te bevrijden. Alles vergeefs! Het ijs hield hen vast. Op zekeren dag ontdekten zij echter tot hun groote vreugde, dat het geheele ijsveld zich in zuidelijker richting bewoog! Als zij op deze manier het vasteland toch maar konden bereiken! Een groote Amerikaansche maatschappij, die zich naar de Hudsonbaai noemde, had ver in het Noorden van het vasteland kleine handelsstations gevestigd. Als zij daar slechts konden komen, dan waren zij gered.

De herfst liep naar zijn einde, maar de hoop op bevrijding werd verijdeld, nu, dat de winter zoo nabij was, nog een poging te wagen het vasteland te bereiken, was ondenkbaar, want in die eindelooze woestenijen is in den winter geen wild, en het trekken naar het Zuiden brengt daarom tot een zekeren hongerdood. In den zomer daarentegen kan men hopen daar reeds tamelijk vroeg op rendieren te stooten en op muskusossen, die vreemde pooldieren, die evenveel gelijken op het schaap als op het rund, van varens en mossen leven en niet meer zuidelijk gaan dan tot 60 graden breedte. In het Westen van Noord-Amerika valt de zuidelijke grens voor het optreden der muskusossen ongeveer samen met de noordelijke boomgrens. Een kudde van twintig of dertig dieren zou de gebreklijdende zeelieden van Franklin van den dood hebben gered! Indien men tenminste maar ijsberen had ontmoet! Of nog beter zeehonden en walrussen, met hun dikke speklaag onder de huid.

De poolhaas zou ook niet te versmaden zijn geweest, indien hij in voldoend aantal was aangetroffen. Maar de bergvos, die van vogeleieren en jonge vogels leeft en in den winter, niet te herkennen door zijn witte vel, op de sneeuwhoenderjacht gaat, zou weliswaar niet aangenaam zijn geweest te ontmoeten.

Nu was het jaargetijde echter reeds te ver verstreken en de wilde dieren trokken voor de sneeuw en de koude meer zuidelijk. Zeker beraadslaagden de officieren wat er nu gedaan moest worden. Zij hadden kaarten en boeken aan boord en wisten heel precies hoever het eerste handelsstation der Hudsonbaai-maatschappij was verwijderd en op den weg daarheen hadden zij misschien wild of Eskimo’s kunnen ontmoeten. Maar zij besloten ook den derden winter aan boord uit te houden! Waarom gebruikten zij den herfst niet, om de walvischbooten, sleden, tenten, werktuigen en munitie en al de zware bagage op het King-Williamland aan land te brengen? Zelfs met het afnemen van het licht hadden zij toch verscheidene dagen kunnen werken. Stellig waren zij geheel terneergeslagen en zagen met een huivering de duisternis tegemoet. Nog ging de zon op, maar beschreef in het Zuiden slechts een vlakke boog en dook na anderhalf uur weer onder. Spoedig duurde de dag nog maar een half uur, de lichte oogenblikken werden steeds minder, en op zekeren dag zag men nog slechts den bovensten rand, als een stralenden robijn, een oogenblik boven den horizon fonkelen. Den volgenden dag viel in den middag de schemering reeds in; slechts een weerschijn der zon vlamde als het avondrood langs den zuidelijken hemel. Daarna werd de schemering dieper en dieper. Wel merkte men ’s middags, in het Zuiden, nog een bloedroode streep, die een mat purper schijnsel over de ijsvelden wierp. Maar ook dit bluschte uit, en de poolnacht, die op dezen breedtegraad volle zestig dagen, terwijl hij aan de Noordelijke Pool zelfs een half jaar duurt, was er, en de sterren fonkelden als brandende fakkels, op blauw-zwarten grond, zelfs dan, als de klok in de officierskajuit het middaguur aangaf!

Het was weliswaar niet altijd zoo pikdonker. Behalve de sterren, die in de reine lucht bij de scherpe koude veel helderder stralen, dan in de landen, die meer door de natuur zijn begunstigd, doet de maan ook dienst. Maar haar licht deed het door de vorst verstijfde tehuis van sneeuw en ijs nog verlatener en somberder lijken. In de duisternis zag men tenminste niet hoe verlaten het aan alle kanten was.

Wie voor het eerst in het hooge Noorden overwintert, vindt den poolnacht wonderlijk aantrekkelijk, het diepe zwijgen der koude duisternis en het klagend huilen van den voortjagenden sneeuwstorm. Maar niets is zoo bewonderenswaardig als het noorderlicht. In Zweden vertoont het zich niet zelden. Al weet men, dat de magnetische en electrische kracht der aarde van tijd tot tijd bijna den ganschen aardbol in een mantel van licht hult, toch staat men nog vragend voor dit raadselachtig verschijnsel. Als de vuurtongen van het noorderlicht hun flikkerend schijnsel over het Noorden uitstraalden, geloofden de oude Vikings, dat de Walkuren op zilverwitte paarden van het Walhalla uit naar het slagveld trokken.

Meestal is het noorderlicht onvast. Het vlamt plotseling op, trilt een oogenblik aan den hemel, verbleekt en verdwijnt. Het langst duren de boogvormige noorderlichten, die dikwijls hun melkwitte wegen, hoog over den hemel spannen. Dikwijls is slechts de eene helft van den boog zichtbaar en verheft zich als een lichtzuil aan den rand des hemels. Een anderen keer gelijkt het noorderlicht op flikkerende vlammen, die naar beneden rood en naar boven groen zijn en vlug langs den hemel glippen. Verder noordelijk is het licht geelachtiger. Als de stralen zich alle in hetzelfde punt schijnen te vereenigen, dan spreekt men van een noorderlichtkroon. Prachtige kleuren vertoonen zich, snel wisselend in zulk een stralenbundel, die de kruin der aarde kroont; slechts zelden is het licht zoo sterk als het schijnsel van de volle maan. Het schoonst is echter het noorderlicht, wanneer het als geplooide gordijnen van den hemel schijnt neer te hangen, die in den wind fladderen.

Voor de in het ijs gevangen gehouden Engelschen zullen de vlammentongen van het noorderlicht wel geen aantrekkingskracht meer gehad hebben! Uitgemergeld en afgestompt, de bedorven proviand zat, door drie winters eindeloos nietsdoend wachten verweeklijkt geworden, lagen zij in hun kooien en hoorden hoe de klok de seconden aftikte. De eenige afwisseling in het eentonige leven waren nog de sterfgevallen. De timmerlieden hadden de handel vol en kapitein Crozier kende zijn lijkredenen al van buiten. Negen officieren en elf matrozen stierven gedurende de beide laatste winters, de meesten in ieder geval gedurende den laatsten winter. Dat werd bekend door een klein strookje papier, dat verzegeld in een hoop steen aan de kust was neergelegd en elf jaar later werd gevonden.

Ook de maanden van deze duisternis naderden haar einde. De roode streep ontvlamde weer in het Zuiden en werd gaandeweg lichter. Schemering loste de duisternis af en eindelijk flikkerden de eerste zonnestralen weer aan den horizon. Zeker hebben de Brahmanen aan den oever van den Ganges het opgaan der zon niet met grooter gejubel begroet, dan de manschappen van deze beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror”.

6. DE TOCHT NAAR DE DOODENBAAI.

Met de nieuwe zon ontwaakte de hoop der bemanning nu voor de laatste maal! Wie kapitein Crozier persoonlijk heeft gekend, was overtuigd, dat hij de hoop nooit heeft opgegeven.

Nu gold het een laatste poging. De kapitein hield een toespraak tot zijn manschappen en verheelde hen niet, dat hun leven op het spel stond en dat hij het uiterste van hen verlangen moest. Er waren nog honderdvijftig man bijeen, maar velen waarschijnlijk ziek of zelfs stervende, zeker allen geheel uitgeput. Maar met het toenemende licht verhief de levens- en arbeidslust zich weer. Verscheidene sleden werden ingericht, wel plomp en zwaar, maar sterk. Drie walvischbooten, die sedert jaren vastgevroren in hun davids hadden gehangen, werden losgemaakt en op het ijs neergelaten. Het beste van de nog voorhanden zijnde proviand werd uitgezocht en rondom de booten opgestapeld. Met toenemende opwinding zag men de zon van dag tot dag langer boven den horizon staan. Stellig werd een uitvoerig bericht over het lot der expeditie neergeschreven en aan boord achter gelaten.

Toen al de bagage op het ijs bijeen was, werden voorraden, tenten, instrumenten, geweren en munitie op de sleden geladen en de drie walvischbooten met koorden elk op een slede vast gesnoerd. Een aparte slede met bedden was voor de zieken bestemd. Onder deze voorbereidingen werden de dagen steeds langer en eindelijk werd het verlangen om op te breken zoo sterk, dat niets de manschappen meer kon terughouden. Maar dit te vroeg opbreken, bezegelde hun lot! Noch wild, noch Eskimo’s gaan voor den nazomer zoover naar het Noorden, en ook met de volgeladen sleden kon de proviand slechts voor veertien dagen toereikend zijn!

Den dag voor den afmarsch zag ieder zijn bezittingen voor het laatst nog eens na; dierbare herinneringen aan betrekkingen, den bijbel en het horloge, dat den tragen gang van den tijd verkondigde, nam elk der zwaar beproefde zeelieden in zijn zak mede. De officieren gingen voor het laatst hun leege hutten binnen, om zich er van te overtuigen, dat niets van gewicht was vergeten. In het inwendige van het schip zag het er uit als in een huis, dat bij een overstrooming hals over kop verlaten was en waaruit men nog maar het meest onontbeerlijke had kunnen medenemen.

Den 22sten April 1848 klonk het signaal tot opbreken, en de veel te zwaar beladen sleden knarsten langzaam en hortend over het met sneeuw bedekte, hobbelige ijs. Bijlen, houweelen en spaden zijn onafgebroken aan het werk om scherpe kanten af te houwen en hinderlijke blokken weg te ruimen. Het zijn slechts vijf-en-twintig kilometer tot King-Williamland, toch duurt het drie dagen! Te langzaam worden de masten en de rompen der verlaten schepen kleiner, maar eindelijk verdwijnen zij toch.

Maar nu zag de kapitein in, dat hij zoo niet verder kon gaan. De bagage werd opnieuw doorgezien, en al wat maar eenigszins gemist kon worden er uit gehaald. De latere hulpexpeditie vond op deze plek een menigte voorwerpen, stukken van de uniform, koperen knoopen, metalen voorwerpen, en dergelijke, hetgeen men als munt, bij ruilhandel met Eskimo’s en Indianen had willen gebruiken. Maar alle proviand en munitie werd medegenomen, want als de eerste op zijn eind raakte, dan was de munitie de eenige redding.

Met lichtere schreden zette de stoet zich langs de westkust in beweging. Maar men was nog niet ver gevorderd of John Irving, luitenant van de „Terror”, bezweek. Gekleed in zijn blauwe uniform, gewikkeld in zeildoek, een zijden doek om het hoofd gewonden, werd hij tusschen schuin geplaatste steenen begraven en het graf met vlakke steenen gedekt. Naast zijn hoofd lag een zilveren medaille, op de voorzijde stond: „Tweede prijs voor de wiskunde, door de Koninklijke Zeevaartschool, aan John Irving 21 Juni 1830 uitgereikt.” Aan deze medaille werd de doode na lange jaren herkend, en daardoor konden zijn overblijfselen naar zijn geboorteplaats overgebracht worden.

Twee bochten der westkust van King-Williamland zijn naar de beide ongeluksschepen genoemd. Aan het strand van de noordelijkste, de Erebus-baai, waren de krachten der Engelsche zeelieden zoo uitgeput, dat zij twee booten, met de sleden waarop ze nu onnoodig zoover waren medegesleept, achterlieten. Een menigte andere dingen werden hier eveneens geofferd. Hier en daar toonde een graf hun weg—en steeds eenvoudiger werden deze graven, hoe verder de stoet zich naar het Zuiden bewoog. Daar kwam het vreeselijkste. Bij de Terror-baai hield de band der vriendschap hen niet meer bijeen! De bevelhebber had geen macht meer over de manschappen. De ongeveer honderd man, die overgebleven waren, scheidden zich nu in twee, waarschijnlijke gelijke deelen. Het eene, met de zwakkeren, wilde naar de schepen terugkeeren, waar men tenminste tegen wind en weer beschut was en nog levensmiddelen vond. Het andere deel trok, met de derde walvischboot langs de zuidkust verder, en hoopte dan naar het vasteland en de Groote Vischrivier te komen. Zonder eenigen twijfel zouden dezen, zoodra ze hulp hadden gevonden, naar hun kameraden zijn teruggekeerd.

Wanhopend moet de tocht zijn geweest van hen, die terugkeerden. Wanhopend ook de marsch van hen, die verder trokken. Van de eersten weet men zoo goed als niets. De laatsten sleepten zich, de zware sleden trekkend, met vermoeide schreden voort, totdat zij, de een na den ander, bezweken. Niemand dacht er meer aan, de lijken der makkers te begraven; terwille van een stervende kon men zich niet ophouden! Ieder had genoeg te zorgen voor zichzelf. Eenigen stierven in het gaan; dit zag men later aan de geraamten, die men op het gezicht liggend vond.