Part 7
Het eerst moesten de Nieuw-Siberische eilanden bereikt worden. Den weg daarheen had de Zweedsche „Vega” gewezen, de „Fram” behoefde haar weg slechts te volgen. Ten Westen van deze eilanden richtte hij zich dadelijk naar het Noorden, en het duurde ook niet lang of de „Fram” zat in het ijs vast en werd, zooals Nansen had voorzien, door de persingen totaal op de oppervlakte van het pakijs geheven, zonder ook maar de minste schade te ondervinden! Zoover ging alles volgens de berekeningen van Nansen en kundige poolreizigers, die zijn plan voor krankzinnigheid hadden uitgemaakt, moesten daarna toegeven, dat hun wijze voorspellingen onjuist waren geweest. Wel ging de reis nu langzaam verder; het ijs kraakte en kreunde als altijd, maar in den dikken houten romp van de „Fram” was de bemanning voor zijn streken veilig en leidde aan boord een heel gezellig leven.
Toen kwam de poolnacht, lang, somber en zwijgend. IJsberen spookten in ’t rond en moesten er vaak het leven bij laten. Voordat het geheel donker was, richtte Nansen de honden er op af, de sleden te trekken. Zij werden er voorgespannen. Hij nam plaats op de slede en klapte met de tong; daar ging het in dolle vaart vooruit. Zij stormden over blokken en gaten in het ijs. Nansen viel van de zitplaats, hield zich vast aan de slede en de honden ijlden om het schip heen, alsof de booze hen op de hielen zat! De positie van den koetsier was allesbehalve aangenaam; hij werd nu eens op den buik, dan eens op den rug medegesleept. Maar als hij maar eerst weer op de been was, zou hij de uitgelaten dieren de ribben wel breken. Maar toen zij eindelijk zoo goed waren, hijgend stil te staan en vriendelijk met de staarten kwispelden, alsof zij hun zaak werkelijk goed hadden gedaan, was Nansen zoo bont en blauw gestooten, dat hij niet meer van zich verkrijgen kon, ze te slaan.
Maar langzamerhand ging het beter. Wel is waar moesten eenige der trouwe dieren hun sledevaarten op het poolijs boeten; twee werden door ijsberen weggehaald en twee door hun makkers doodgebeten. Maar midden in de ergste duisternis kwamen op zekeren dag, den 13den December, ook jonge honden ter wereld.—Toen deze voor het eerst in hun leven de zon zagen, blaften zij er woedend tegen.
Precies, zooals Nansen voorspeld had, dreef de „Fram” naar het Noorden in de richting van de Pool over zulk een geweldig diepe zee, als hier niet verwacht was, en waar de loodlijn van twee duizend meter den grond nog niet bereikte.
Kerstmis werd op Noorsche wijze gevierd, en toen de 80ste breedtegraad werd gepasseerd, werd zelfs een groot feest aangericht. Maar de grootste vreugde verschafte echter de eerste terugkeer der zon, op den 20sten Februari.
Lente en zomer gingen voorbij zonder eenige opmerkelijke gebeurtenissen. Hondenhokken werden op het ijs gebouwd en nieuwe jonge honden kwamen ter wereld. Deze honden waren later even verbaasd over de winterachtige duisternis als hun neven, toen ze voor het eerst de zon hadden gezien. Door de gesmolten sneeuw ontstonden op het ijs groote vijvers, waarop men kon zeilen, de makkers stonden aan den kant en wierpen de mannen, die in de booten zaten, met sneeuwballen. Op zekeren dag kreeg zulk een vijver echter een gat in den bodem, en was spoedig geheel leeggeloopen.
Intusschen had Nansen op een moedig plan gezonnen. Hij wilde met hondensleden nog verder naar het Noorden dringen en dan in zuidelijke richting naar Frans Jozefs-land terugkeeren! De „Fram” zou intusschen haar drift vervolgen en aan boord moesten de gewone waarnemingen gemaakt worden. Een zou hem slechts vergezellen, luitenant Johansen, met wien hij er pas in November 1894 over sprak. Het was een onderneming op dood en leven, maar Johanson besloot, zonder zich een oogenblik te bedenken, Nansen te vergezellen.
„Dan beginnen wij morgen dadelijk de voorbereidingen te treffen,” zeide Nansen.
Daarmede was de gansche winter gemoeid; zij bouwden twee kajaks, elk voor een man plaats bevattende, iets grooter en steviger dan de Eskimo’s gebruiken, als ze op visch- en robbenvangst gaan. Een stellage, van latten vervaardigd, werd met zeildoek overtrokken; elk dezer booten woog slechts achttien kilogram. Zij waren geheel overdekt, en als de roeier in het midden plaats nam, en de opening om zich heen sloot, konden de golven rustig over het vaartuig rollen zonder de boot of den inzittende te schaden. Hondensleden, tuig daarvoor, een slaapzak voor twee personen, sneeuwschoenen, stokken, proviand en een petroleumstel,—alles werd gepakt.
Bij de wisseling van het jaar moest het werk een korten tijd onderbroken worden, daar vreeselijke persingen van het ijs in het rond kraakten en de „Fram” nu toch bedreigden. Heele bergen van groote ijsblokken en vaste sneeuw verhieven zich rondom het schip, alsof zij het er onder wilden begraven. Het zeewater werd daardoor omhoog gedrongen en overstroomde het ijs zoodanig, dat de honden bijna verdronken in hun hokken en in allerijl gered moesten worden! De muur van ijs drong tot bij het schip, wentelde zich over de reeling, en brak de tent op het dek. Maar toen het zich over het geheele dek verspreidde, waren schip en manschappen als in een muizenval gevangen. En het was zoo donker, dat men niet goed kon beoordeelen, hoe groot het gevaar wel was. Proviand voor twee-honderd dagen had men gelukkig te voren op veilige plaatsen op het ijs ondergebracht.
Maar gaandeweg kwamen de ijsmassa’s weer tot rust. De groote muur werd weggeschoffeld en nu kon de voorgenomen tocht beginnen. Tweemaal braken Nansen en Johansen op, maar moesten beide keeren terugkeeren. Eens was een slede gebroken, den anderen keer was de bagage te zwaar geweest. Den 14den Maart 1895 verlieten zij de „Fram” voor goed. Of zij hun trouw schip en hun dappere kameraden wel ooit zouden terugzien?
16. OP SNEEUWSCHOENEN EN MET HONDENSLEDEN NAAR DE NOORDPOOL.
De beide koene reizigers hadden, bij het aanvaarden van hun tocht naar de Noordpool, drie sleden en acht en twintig honden bij zich. Op sneeuwschoenen loopend bestuurden ze hun hondespannen. Aanvankelijk konden ze op het effen terrein vlug vooruit komen; maar gaandeweg werd de ijsvlakte hobbelig, zoodat ze slechts weinig opschoten.
Na twee dagmarschen steeg de koude tot drie en veertig graden, en in de kleine zijden tent was ’t meer dan frisch. Maar toch legden ze dagelijks negen uur af, en onder het gaan bemerkten ze niets van de koude; het eenige, waarvan ze last hadden, was, dat de uitwaseming van hun lichaam in hun kleederen bevroor, die zoodoende tot een pantser van ijs werden, dat bij elken stap kraakte. Door de voortdurende wrijving tegen de stijfbevroren mouwen kwamen er aan Nansen’s polsen bloedende wonden, die pas in den herfst genazen.
Om te kampeeren kozen ze altijd een voor den wind beschutte plek op het ijs. Johansen zorgde voor de honden en gaf hun te eten, terwijl Nansen de tent in gereedheid bracht en den ketel met stukken ijs vulde. Het avondeten was voor beiden een feest, waarnaar ze den geheelen dag met verlangen uitzagen, daarbij werden ze tenminste inwendig eens flink warm; na afloop van het eten kropen ze vlug in hun slaapzak, dan ontdooiden hun bevroren kleederen en de slapers lagen den geheelen nacht in druipnatte omslagen en droomden van slede en hondespannen. Eenmaal riep Johansen des nachts in zijn slaap: „Vooruit, rakkers, vort, vort! Halt, daar kantelt de sleê!”
In de barre koude van den aanbrekenden dag stonden ze weer op, dreven de honden op, die, van de koude jankend, ineengerold in de sneeuw lagen, haalden de teugels uit de war, laadden de sleden weer op, en dan ging ’t weer verder, de verlaten eenzaamheid in.
Maar al te vaak was ’t ijs ontzettend slecht; de sleden raakten vast, moesten gedragen, of over oneffenheden en spleten voortgeschoven worden: een inspannenden tocht. Maar, één breedte graad was reeds doorworsteld.
Dikwijls waren ze zoo uitgeput, dat ze onder het loopen bijna insliepen, terwijl de honden zich met moeite voortsleepten. Ook dezen werd de voortdurende inspanning langzamerhand te machtig. Twee moesten er geslacht worden en werden hun kameraden als ontbijt voorgezet; maar er waren er die zulk een maal niet wilden aanroeren.
Toen het ijs voortdurend slechter werd en de witte woestenij zich onafzienbaar naar het Noorden uitstrekte, besloot Nansen van het bereiken van de Noordpool af te zien, en, al was ’t ook met een bezwaard gemoed, om te keeren. Terug naar de „Fram” was onmogelijk; alle sporen waren door sneeuwstormen uitgewischt. Het eenige wat er op zat, was, de richting in te slaan naar de barre eilandengroep, die den naam draagt van Frans Jozefs-land. Maar—dat was een afstand van zevenhonderd kilometer en de proviand begon al op te raken.
Gelukkig was het voorjaar in aantocht, zoodat de kans bestond, dat ze wel eenig wild zouden weten te bemachtigen. Ze hadden twee geweren met honderdtachtig scherpe en honderd vijftig losse patronen. Voor de honden zag het er heel wat bedenkelijker uit; die moesten van lieverlede elkaar tot voedsel dienen.
Zoo aanvaardden dus Nansen en Johansen den 8sten April den terugtocht, nadat ze tot 86° 4′ voortgedrongen waren, en zetten over vrij goed ijs met lange marschen koers naar Frans Jozefs-land. Op zekeren dag zagen zij een balk uit het ijs steken. Welke wonderlijke lotgevallen zou dat stuk hout wel beleefd hebben sedert het van den boomstam afgezaagd was! Tegen het einde van April teekende zich het spoor van twee vossen in de sneeuw af. Was er land in de nabijheid, of wat hadden die dieren hier in deze ijszeeën te zoeken? Twee dagen later werd de eerste hond, de „gele” opgeofferd. Op de „Fram” geboren, had hij gedurende zijn kortstondig leven nog nooit iets anders dan ijs en sneeuw gezien.
Open water, waarin de zon zich spiegelde, glinsterende golven!
Hoe heerlijk, dat geluid van de golfjes, die tegen den ijsrand kabbelden! Het was den beiden reizigers als een voorbode van voorjaar en zomer, als een groet van de groote zee, de weg naar het vaderland! Nieuwe sporen van vossen wezen op de nabijheid van land, en dagelijks keken beiden er verlangend naar uit. Maar, nog drie lange maanden moesten verloopen, voordat ze het eerste eiland zouden bereiken!
In het begin van Mei waren er nog slechts zeventien honden in leven. Nu deed de lange zomerdag zijn intrede in het poolgebied, en het was bijna niet meer uit te houden van de warmte—want het vroor nog slechts elf graden! Maar het ijs was afschuwelijk! Onophoudelijk moesten de sleden over diepe spleten of over hooge ijsdammen heen geschoven worden, en de beide mannen strompelden na deze zware inspanning uitgeput op hun sneeuwschoenen verder. De honden hadden het, naarmate hun aantal geringer werd, niet minder hard te verantwoorden, en de proviand slonk bedenkelijk.
Toen werden ze door een hevigen sneeuwstorm gedwongen om een dag halt te houden. Een slede werd opgeofferd en de stukken van gebroken sneeuwschoenen werden aan de vlammen van een heerlijk vuur prijs gegeven. Voor elk der beide overgebleven sleden waren nu nog zes honden over.
Eindelijk, op het einde van Mei, kwamen Nansen en zijn tochtgenoot in een streek, die door open water in alle richtingen werd doorsneden; daardoor werd hun voortgang aanmerkelijk vertraagd. Maar nu vertoonden zich ook levende wezens. De grijze rug van den otter dook op boven het staalblauwe water; de zeehond ging uit op de vischvangst, en sporen van ijsberen wekten het verlangen naar versch vleesch! Vaak snelde Nansen op zijn sneeuwschoenen ver vooruit, om te zien, waar de weg het beste was; dan bleef Johansen bij de sleden achter. Wanneer het al te lang duurde, dan bekroop hem wel eens een gevoel van vrees, of niet soms zijn makker een ongeluk overkomen zou zijn. Hoe het dan den achtergeblevene zou vergaan, geheel alleen in die eindelooze woestenij, daaraan moest men maar liever niet denken!
Juni brak aan, en het gekrijsch der meeuwen weerklonk door de lucht. De beide mannen bleven een week lang in hun kamp om hun kajaks zeevaardig te maken. Ze hadden nog voldoende brood voor een maand, en er waren nog zes honden in leven. Toen er nog slechts drie over waren, moesten ze zichzelf voor de sleden spannen.
In een lange, breede kreek lieten ze de kajaks te water, bonden de sneeuwschoenen aan elkaar en roeiden langs den zoom van het ijs. Daarbij schoten ze twee zeehonden en drie ijsberen en waren nu voor langen tijd voorzien van vleesch. Ook de beide laatste honden konden nu weer eens volop eten krijgen.
Eindelijk vertoonde zich in het Zuiden het land, waarnaar ze reikhalzend hadden uitgezien, en nu ging het snel daarop af; voor elke slede een man en een hond. Eenmaal moesten ze met de kajak een kreek oversteken. Nansen stond reeds op den rand van het ijs, toen hij achter zich Johansen hoorde roepen:
„Vlug de geweren!”
Toen Nansen zich omkeerde, zag hij een grooten beer, die zijn makker neergeveld had en bezig was hem te besnuffelen. Snel wilde Nansen zijn geweer in de kajak grijpen, maar in hetzelfde oogenblik dreef het vaartuig van den kant af, en terwijl hij het terug roeide, hoorde hij Johansen doodbedaard zeggen:
„Schiet vlug, of ’t is te laat!”
Toen had hij eindelijk zijn geweer gegrepen en schoot den beer neer.
Vijf maanden lang hadden ze zich zoo over het ijs voortgesleept, toen ze in het begin van Augustus vanaf het ijs open water in de buurt van de eilanden voor zich zagen. Nu moest de zeetocht beginnen, en de beide oudste honden zouden maar onnoodige ballast zijn. Nansen nam Johansen’s hond, en Johansen dien van zijn vriend, en twee kogels waren het loon voor de trouwe diensten der goede dieren.
Van nu af ging het gemakkelijker en sneller vooruit. De kajaks waren aan elkaar gebonden en van mast en zeil voorzien, en zoo voeren ze langs onbekende eilanden. Eenmaal dwong een sterke strooming hen om op een der beide eilanden aan land te gaan; terwijl ze hun kajaks op het land trokken, kwam er een witte beer aandraven, en begon hun spoor te besnuffelen. Welkome proviand voor eenigen tijd! Nauwelijks hadden ze den beer gevild, of daar plaste een walrus in het water rond, en zwom naar de plek, waar reeds twee van zijn kameraden zich in de zon lagen te koesteren, en ook hij met de vinnen op den ijsrand gesteund, eerst een poos bleef liggen uitblazen. Toen verhief het dier zich langzaam uit het water en kroop naar zijn makkers toe; maar dezen wilden eerst niets van hem weten en toonden den indringer hun slagtanden, maar per slot van rekening lieten ze hem toch met rust. Daar lagen ze drie uren lang in roerlooze rust uitgestrekt, terwijl de zeemeeuwen boven de golven hun overmoedig gekrijsch deden hooren.
Nansen en zijn metgezel namen hun nieuw domein in bezit, deden een onderzoekingstocht over het eiland en keerden toen naar hun ijsbeergebraad terug dat hun een ongekend gevoel van verzadigdheid verschafte.
Den volgenden dag zochten ze een geschikt verblijf om te overwinteren. Maar, daar ze nergens een hol ontdekten, bouwden ze uit steenen een kleine hut, waarvan het dak gevormd werd door hun sneeuwschoenen en de zijden tent. Aan alle kanten hadden het licht en de wind vrijen toegang; maar toch was ’t binnen heel behaaglijk, en de ketel pruttelde boven een vuur, gestookt van rauw walrussenspek. Nansen besloot op dit eiland te overwinteren.
17. EEN OVERWINTERING.
De eilanden, die Nansen en zijn tochtgenoot tot nog toe gezien hadden, geleken echter in ’t geheel niet op het bekende gedeelte van het Frans Jozefs-land, zoodat Nansen niet meer precies wist, waar hij zich eigenlijk bevond. Bovendien was ’t onmogelijk zich op de kajaks in het open water te wagen: ’t was dus beter om voor het verzamelen van mondvoorraad te zorgen. Want de poolnacht stond voor de deur, en binnenkort zou al het wild verdwenen zijn.
Het eerste, waarvoor ze moesten zorgen, was een goede, bewoonbare hut. Steenen en mos waren als bouwmateriaal genoeg voorhanden; een aangespoelde balk, die ze aan den oever vonden, zou dienst doen als dakvorst en toen men op een goeden keer weer eens twee walrussen buit maakte, was de bedekking van het dak ook in orde.
Reeds spartelde daarbuiten een groote walrus in het open water. In een ommezien waren de saamgebonden kajaks in het water geschoven en van daaruit werd nu de kolos bestookt. De walrus dook in de diepte, maar kwam onder de eene kajak weer naar boven, en ’t scheelde maar een haar, of de geheele geschiedenis was omgeslagen. Eindelijk kreeg het dier een doodelijke wond, maar juist, toen Nansen hem den harpoen in het lijf wilde stooten, verdween hij in de diepte.
Bij twee andere, die zich op het ijs in slaap brulden, hadden ze meer geluk. Nansen vertelde later, dat hij zich als een moordenaar gevoeld had, toen hij ze moest doodschieten, en dat de smeekende, treurige blik van hunne stervende oogen, toen ze, als zwaar zieke menschen, onder het opgeven van bloed den laatsten adem uitbliezen, hem zijn geheele leven zou bijblijven.
Daarna moesten de dieren gevild, het spek er af gesneden, en de buit naar de hut gebracht worden. Maar welk een geluk, dat Nansen zoo voorzichtig geweest was, om de kajaks mee te nemen. Want terwijl ze als slagers met de dieren bezig waren, stak er een sterke landwind op, zoodat de ijsschots waarop ze zich bevonden, los geraakte, en ze naar de zee afdreven. Reeds waren ze omringd door de donkergroene, witbekuifde golven. Er was geen oogenblik te verliezen, met razende snelheid dreven ze af. Maar, om met leege handen weer naar de hut te moeten terugkeeren, dat zou toch al te jammer zijn. Daarom sneden ze de eene in tweeën en droegen de helft met het spek naar hun kajaks. Doodmoe kwamen ze na een gevaarvollen tocht eindelijk in behouden haven terug.
In den nacht kwam een ijsberen-mama met haar beide groote jongen eens een kijkje nemen in de hut. Ze werd neergeschoten; de beide jongen draafden naar de kust, plompten in het water, en zwommen naar een ijsschol. Daar stonden ze te brommen op de menschen, en verwonderden zich er over, waarom moeder zoo lang aan land bleef. Het eene jong viel over den rand in het water, maar kroop weer naar boven, terwijl het zoute water hem van den pels afdroop. Beiden dreven met de ijsschol door den wind gedreven weg, en waren in korten tijd nog slechts als twee witte stippen op het donkere water zichtbaar. Maar, Nansen en Johansen hadden vleesch noodig, want de drie dieren hadden hun geheelen voorraad walrussen-vleesch opgegeten; dus werden de kajaks weer te water gelaten, en spoedig bereikten ze de schol, waarop zich de jonge beren bevonden; ze dreven hen in ’t water en vervolgden ze tot aan het land, waar eenige schoten een einde aan hun leven maakten.
Er was nu aan vleeschvoorraad geen gebrek. Drie beren tegelijk! En bovendien kwam nog de walrus, die ze het eerst geschoten hadden aan de oppervlakte, en terwijl deze gevild werd, kwam een tweede uit nieuwsgierigheid kijken, en moest daarvoor met zijn leven boeten. Bij dit onsmakelijk werk werden de kleederen der beide mannen zoo met bloed en traan besmeerd, dat het kleverige vuil tot op hun huid doordrong. Van alle kanten kwamen de meeuwen krijschend aangevlogen om gulzig den afval te verslinden, voordat ze naar het Zuiden trokken, en de poolnacht een aanvang nam.
Met het bouwen van het winterverblijf ging een week heen. Het schouderblad van een walrus, aan den stok van een sneeuwschoen gebonden, diende als schop, terwijl een walrussentand, aan de lat van een slede bevestigd, als houweel dienst deed. Zoo verhieven zich binnen korten tijd de muren van de nieuwe hut. Van binnen werd de grond uitgegraven, en van steenen een gemeenschappelijke slaapplaats gebouwd en met berenvellen bedekt. Twee buitgemaakte walrussen leverden het materiaal voor dakbedekking. Wel is waar kwam er een beer die het geheele dak naar beneden haalde, maar hij moest deze euveldaad zwaar boeten, en later werd het dak door een laag steenen tegen dergelijke gebeurtenissen beschermd. Een schoorsteen van ijs diende voor den afvoer van den rook uit den open haard. Nu betrokken de beide mannen de nieuwe hut, die hun gedurende den geheelen langen winter een veilig en behagelijk onderkomen verschafte.
Den 15den October 1895 zagen ze de zon voor ’t laatst, en hun derde poolnacht nam een aanvang. De beren verdwenen, om zich voor het volgende voorjaar niet meer te laten zien. Slechts de vossen bleven, en deze waren even brutaal als roofzuchtig. Ze stalen touw en staaldraad en harpoenen, en vergrepen zich zelfs aan een thermometer, die buiten was blijven liggen. Den geheelen winter liepen ze over het dak, al huilend en knorrend en brommend en onderling vechtend. Deze teekenen van leven vormden echter voor de bewoners een zoo welkome afwisseling, dat ze die wilde bezoekers voor geen geld van de wereld zouden hebben willen missen.
Of de dagen langzaam voorbij gingen? Dat nu juist niet: de geheele winter was immers slechts één enkele nacht! Daarbuiten was ’t stil en verlaten: een plechtige stilte heerschte in de windstille nachten. De maan scheen helder, en de hut lag in de schaduw van een klip, het maanlicht bedekte land en ijs als met een witte lijkwade. Vaak vlamde het noorderlicht als een geheimzinnig vuur aan het inktzwarte uitspansel, en de sterren fonkelden in onbeschrijflijken glans.
Slechts zelden was het stil weer. Gewoonlijk huilde de wind over de kale rotsen, die reeds gedurende onafzienbaren tijd milliarden stormen hadden getrotseerd, en de sneeuwstormen gierden er loeiend omheen en vormden om de hutten der reizigers een geweldigen muur.
Zoo verliep de eindeloos lange nacht. Nansen en Johansen aten en dronken, liepen in het donker rond om wat beweging te nemen, en vierden in hun hut het Kerstfeest. Ze knapten het inwendige van de hut op: verwijderden allen afval, en hielden een feestmaal van de laatste delicatessen van de „Fram”. Naderhand bleef Nansen nog lang liggen luisteren, alsof hij verwachtte in het vaderland de kerkklokken te zullen hooren luiden. Toen kwam Nieuwjaarsdag, met een zoo felle koude dat ze alleen om te eten hun neus buiten den slaapzak staken, en vaak vier en twintig uur aan een stuk bleven voortdommelen, evenals de ijsberen in hun hol.
Den laatsten Februari zagen ze eindelijk weer de zon, die met haar stralen ettelijke kleine vogels aanlokte. Maar de beide mannen schrokken, toen ze elkaar weer bij het daglicht zagen: haren en baard waren ongestoord gegroeid; ze hadden zich al dien tijd niet gewasschen en hun gezicht was roetzwart. De anders zoo blonde Nansen had pikzwart haar; maar aan een bad viel natuurlijk bij een temperatuur van veertig graden vorst niet te denken!
Spoedig verscheen ook de eerste beer. Hij krabbelde tegen de hut, aangelokt door allerlei verlokkelijke geuren; maar hij werd met een kogel ontvangen en ging op den loop; een tweede kogel velde hem neer: van zijn vleesch leefden beide mannen zes weken lang.
Nu werden de dagen besteed voor de toebereidselen tot het voortzetten van de reis. Er werden uit vachten lappen genaaid om de beenen te beschutten, schoenen geflikt, touwen gesneden uit de huiden van walrussen, nieuwe bovenstellen voor de sleden getimmerd, de proviand opgeladen en den 19den Mei 1896 verlieten Nansen en zijn makker hun veilig winterkwartier om in zuid-westelijke richting hun onzekeren tocht voort te zetten.
18. HET AVONTUUR IN DE KAJAK.