Part 6
Het opperbevel der tweede boot, die elf man bevatte, voerde Melville. Gelukkig allen, wie het lot trof, bij hem ingedeeld te worden! De derde en kleinste boot, waarin maar acht mannen plaats vonden, stond onder commando van luitenant Chipp, een bijzonder bekwaam zeeman.
Voor de afvaart werd streng bevel gegeven bij elkaar te blijven. Melville en Chipp mochten de boot van De Long nooit uit het oog verliezen.
Spoedig greep de wind de drie booten en dreef ze in snelle vaart over de zee. Allen was de zeetocht welkom, daar men tenminste kon uitrusten in de booten. Het was daarom een des te hardere slag voor hen, toen het ijs hen weer tien dagen insloot. Maar zij kwamen weer los en landden op het eiland Fadschejew, dat tot de groep der Nieuw-Siberische eilanden behoort. De oever was bedekt met veel bruikbaar drijfhout en eenige hutten en gereedschap bewees dat het eiland nu en dan door menschen werd bezocht.
Daarna ging het verder, nu eens zeilend, dan roeiend, langs de zuidelijke kust van de Kesseleilanden. Het weer was stormachtig en op zekeren dag had men Chipp uit het oog verloren. De twee andere booten wachtten daarom bij een ijsschol, totdat de vermisten weer opdaagden en al de manschappen landden op de Kesseleilanden, om hier een kamp op te slaan.
Na twee rustdagen ging het onder de rotsen van den oever door, vanwaar nu en dan een steenuiltje op de zeelieden neerzag, verder. Den 10den September kwamen zij aan het eiland Semenorn, dat twee jaar te voren door de bemanning van de „Vega” was gezien; hier schoten zij een rendierkoe, die hen weer van versch vleesch voorzag.
De Long besloot hier verscheidene dagen te blijven, opdat allen hun krachten konden verzamelen, voordat zij de ruime zee zouden trotseeren. Helaas gaf hij toe aan den aandrang van Melville om snel verder te gaan, ofschoon hemel en wind een orkaan voorspelden. De Lenadelta het meest nabij liggend deel der kust van het Siberisch vasteland, die men moest trachten te bereiken, lag op een afstand van tweehonderd kilometer.
De boot met kapitein De Long zeilde vooruit. Ze was echter nog niet ver gekomen, of ze werd met zulk een kracht tegen een blok drijfijs gedreven, dat ze lek werd. Weer moest men bij een ijsveld landen, om het lek te stoppen, de beide andere booten wachtten hier ook een poos. Dit was de laatste keer dat de mannen der expeditie bij elkander waren. Daarna zeilden zij bij gunstigen wind zuid-westwaarts.
De zee ging hoog. Tegen den avond verhief zich een storm en de golven rolden met schuim bedekte kammen langs de open booten. Melville gaf het bevel zijner boot over aan een zeevaardig officier, die met het vaartuig voortreffelijk manoeuvreerde. Wie niet bezig was aan zeil of stuur moest water scheppen, want de eene golf na de andere sloeg over de reeling. In de schemering waren de booten van De Long en Chipp nog in zicht. Maar daarna werd het donker: tot op de huid nat, verstijfd van koude worstelden de mannen in de boot van Melville met verstijfde handen om hun leven. De storm dreef hen in het donker voor zich uit naar de kust. Niets was te zien, men hoorde slechts het geloei van den storm en het ruischen der golven, welker kammen in kokend schuim omlaag sloegen. Toch hielden allen dapper stand. Maar toen de dag over de woeste zee aanbrak, was van de beide andere booten niets meer te zien!
Den ganschen dag en den daarop volgenden nacht ging de strijd met wind en golven verder. Toen de boot van Melville tenslotte gelukkig in het oostelijk deel der Lenadelta landde, hadden de manschappen honderd acht uren achter elkaar ineengehurkt aan de riemen gezeten. Eenigen waren zoo stijf bevroren, dat ze zich aan land ternauwernood naar het vuur konden sleepen, dat hun makkers aanmaakten en waaromheen nu allen zich neerwierpen in een vasten slaap. Maar het geluk diende hen; twee dagen later ontmoetten zij visschers, die hen den weg naar Boeloen, het eerste dorp aan den Lena-oever, wezen. Waar was kapitein De Long gebleven?
14. DE DOODENMARSCH VAN DE LONG.
Ofschoon verscheidene jaren verloopen zijn, sedert den tocht over de ijszee, weet men nu nog niet, wat er geworden is van de boot van Chipp. Ongetwijfeld heeft hij nooit land gezien en is in den storm ten gronde gegaan. Maar De Long heeft zijn manschappen tenminste op vast land gebracht. Wel verloor zijn boot in den eersten stormnacht mast en zeilen, maar die werden door drie riemen vervangen. Den morgen van den 13den September zag hij de andere booten niet weer, maar daarvoor kwam den volgenden dag land in het gezicht. Het was een vlak strand en nieuw gevormd ijs maakte het aan land komen moeielijk. Twee dagen later roeiden zij, halfdood van koude en afmatting zoo dicht langs het strand als maar eenigszins mogelijk was en boegseerden toen de boot zoover op het ijs, dat ze niet meer van de plek ging. Den volgenden dag droegen zij hun zaken aan land, waarbij zij eenige honderden meters ver, op den langzaam stijgenden oever, door het water moesten waden.
Hier bleven zij twee dagen, om uit te slapen en hun bagage te regelen. Drijfhout, dat de Lena uit de wouden van Siberië naar de zee sleept, lag overal in het rond. De voeten van den matroos Erikson waren bevroren, hij moest op een handslede worden getrokken. Er waren nog levensmiddelen voor vijf dagen, waaronder de laatste der veertig honden. Nog altijd waren de vrachten voor ieder afzonderlijk te zwaar, want De Long kon zijn logboeken niet achterlaten, en behalve hun ransels moesten zij nog tenten, geweren en munitiekisten meesleepen.
Toen de eerste vijf dagen voorbij waren en de troep eenige mijlen in zuidelijke richting had afgelegd, schoot de Indiaan twee rendieren, die de manschappen voor den eerstvolgenden tijd redden. Nu marcheerden zij negen dagen, totdat een breede rivierarm hen tot staan bracht. De toestand van Erikson verergerde en op zekeren nacht bevroor zijn hand. Daarom moest men den marsch afbreken en zich den 6den October een rustdag gunnen. De nood was reeds tot het hoogste gestegen. Om den honger der lieden te stillen, moest reeds de hond geslacht worden. Den volgenden dag stierf de zieke matroos en was nu niet meer tot last zijner kameraden. Door een wak in het ijs werd hij in de rivier neergelaten. De Long sprak boven het graf de voorgeschreven gebeden en drie geweersalvo’s werden afgevuurd. Het sneeuwde hevig, en zoo spoedig mogelijk snelde men weer voor den heftigen stormwind in de tenten terug. Het was onmogelijk bij dit weer te loopen, daarom moest men opnieuw wachten, en de rest van het vleesch van den hond werd ’s avonds uitgedeeld. Dan rolden zij zich allen als egels in elkaar, om beter warm te kunnen blijven.
Den volgenden morgen besloten zij toch liever den sneeuwstorm te trotseeren dan stilliggend te verhongeren! Een geweer en een schriftelijk met zorg ingepakt bericht over de lotgevallen der „Jeannette” werden achtergelaten. De bagage bestond nu behalve kleeren, die men droeg, slechts uit de logboeken, een tent en twee geweren.
Maar de krachten der reizigers namen snel af, daar zij verder niets meer hadden om te gebruiken dan ’s morgens, ’s middags en ’s avonds warm water met een paar druppels spiritus. De nood was tot het uiterste gestegen. Na de godsdienstoefening op den Zondag van 9 October, riep De Long de twee sterkste matrozen, Nindermann en Noros bij zich en vroeg hun of zij vooruit wilden gaan om hulp te zoeken. Zij verzochten dadelijk te mogen gaan. De kapitein gaf hun een kaart van den benedenloop van de Lena, opdat zij zich konden oriënteeren en ried hen aan op den linker oever te blijven, omdat er daar slechts dorpen en drijfhout waren. Het eene geweer en vijftig patronen mochten zij medenemen. Indien het hun gelukte binnen anderhalven dag een rendier te schieten, moesten zij daarmede terugkeeren. Na een aandoenlijk afscheid begaven zij zich op weg, een driewerf hoera werd den padvinders door de achterblijvenden nageroepen.
Het was niet de eerste keer dat de matroos Nindermann op zulk een avontuur uittrok. Hij was een der deelnemers van de Polaris-Expeditie geweest, in de zeeëngte van Noord-West-Groenland. Het schip „Polaris” was ook in het ijs bekneld geweest en in een donkeren nacht van het jaar 1873 hadden twee geweldige schotsen het uit het ijs opgeheven. Daar men het ergste kon verwachten, werden boeken en levensmiddelen op een drijvende ijsschol gebracht, die in den heftigen storm scheurde. Negentien menschen, waaronder negen Eskimo’s en de matroos Nindermann dreven nu op grootere en kleine schotsen in de ondoordringbare duisternis op de verwoede zee rond. Veertien mannen waren nog aan boord. Tot hen terug te keeren, daaraan viel niet te denken en toen de „Polaris” uit het gezicht der schipbreukelingen was verdwenen, verzamelden zij zich op een groot ijsveld, waar zij hutten uit sneeuw en ijs bouwden, en hun voorraden opstapelden. Op dit ijsveld dreven zij acht maanden lang in zuidelijke richting. Maar met ontzetting bemerkten zij in den loop van het voorjaar hoe de bodem onder hun voeten in omvang afnam; de branding brak heele stukken uit het ijs en knaagde er aan, aan alle kanten. Reeds waren zij langs Kaap Farewell naar het Zuiden gedreven, toen zij geheel uitgeput door een schip werden gered! Ook de veertien op de „Polaris” mochten hun vaderland terugzien.
Nu jaren later, stond weer het leven op het spel. Met zijn kameraad Noros snelde Nindermann in zuidelijke richting. Een kudde rendieren, die zij op een heuvel staande, zagen, speurden de vreemdelingen echter en gingen in wilde vaart op de vlucht. De sneeuwstorm joeg hen juist in het gezicht en ’s avonds moesten zij, daar er geen beschutte plek te vinden was, met de hand een gat in de sneeuw graven, waar zij inkropen. Gedurende den nacht hoopte de sneeuw zich zoo voor hun schuilplaats op, dat zij er ’s morgens ternauwernood meer uit konden komen!
In hetzelfde stormweer ging het verder. Stap voor stap drongen zij, tegen den wind vooruit, zonder te kunnen opzien. Tegen den avond zagen zij een kleinen heuvel voor zich, die een verlaten hut bleek te zijn; hier staken zij vuur aan. Den volgenden nacht brachten zij in een onoverdekt hol door, waar zij bijna bevroren. Een dag later stieten zij op een tentvormige hut, waar twee rottende visschen en een paling lagen. Hier bleven zij zes en dertig uur om krachten te verzamelen. Den 15den October kwamen zij door den storm niet verder, brachten den nacht in een hol door en gebruikten voor ontbijt bast van wilgen en reepen van de broek van robbenvel van Noros. Daarna gingen zij de bevroren Lena over en overnachtten in een kloof om den volgenden nacht weer naar den westelijken oever terug te keeren en voor den nacht in een grot beschutting te zoeken, waar zij echter geen hout vonden om vuur aan te steken. Zij waren geheel wanhopend. Met loome schreden vervolgden zij den 19den October hun tocht op het ijs van de Lena, vast besloten om op handen voeten te kruipen, als zij niet meer zouden kunnen loopen. Zij hadden tweehonderd kilometer afgelegd zonder hulp te vinden. Den avond van dien dag ontdekten zij drie hutten en vonden hier niet alleen onderkomen maar ook redding. In de eene hut lag een kleine voorraad gedroogde visch, en een slede, die voor de deur stond, leverde brandhout. Nadat zij twee dagen rust hadden genomen, wilden zij verder trekken, maar zij waren nog te vermoeid, zoodat zij nog een paar dagen moesten blijven. Den 22sten October, toen zij juist op het punt waren eten te koken, klonk buiten voor de deur een ongewoon geraas. Nindermann keek tersluiks naar buiten en kwam dadelijk terug om zijn geweer te halen. Hij had twee rendieren gezien. Toen hij zacht de hut wilde verlaten, stond op den drempel—een mensch, een Toengoes!
Toen de inboorling de twee uitgemergelde vreemdelingen zag en het geweer in de hand van den een, geloofde hij, dat zijn laatste uurtje was geslagen, viel op de knieën en smeekte om genade. Nindermann wierp het geweer in den hoek, klopte den man vriendelijk op den schouder en beproefde hem te kalmeeren; spoedig begreep de Toengoes ook, dat de twee niets tegen hem in het schild voerden. Hij zag, dat zij in den grootsten nood verkeerden, en zij beproefden hem door teekens duidelijk te maken, dat zij schipbreukelingen waren, dat zij dringend voedsel noodig hadden, en verder noordelijk kameraden hadden achtergelaten. De Toengoes kon hen echter niet meer geven dan een paar laarzen van vellen en de huid van een rendier!
Na een poosje stak hij drie vingers in de hoogte en ging naar zijn rendierslede. Dat moest zeker beteekenen, dat hij na drie dagen terug komen en hulp brengen zou. Voordat de twee matrozen er aan dachten, was hij met zijn voertuig vertrokken en zij hadden weldra spijt, dat zij hem hadden laten gaan. Maar den volgenden dag kwam hij al weer terug met twee stamgenooten en verscheidene sleden en bracht pelzen, laarzen en bevroren visch mede. De half uitgehongerde mannen aten nu eindelijk weer, trokken de nieuwe, warme kleeren aan en waren nu buiten gevaar.
En toch was het voor hun nagedachtenis in de dikwijls treurige, bijna altijd roemrijke en nu en dan schitterende geschiedenis der poolreizen, misschien beter geweest, als zij dien Toengoes niet meer teruggezien hadden. Dan zouden zij toch gedwongen zijn geweest, hun marsch naar het Zuiden voort te zetten en waren er waarschijnlijk levend afgekomen. Want tot het naaste Toengoesche dorp waren nog slechts vijftig kilometer. De Long en zijn kameraden waren weliswaar verloren geweest, maar Nindermann en Noros hadden dan tenminste alles gedaan, wat van hen verwacht had kunnen worden. Hadden zij zich, in het ergste geval door bedreigingen, een slede met een half dozijn rendieren, die buiten in de sneeuw voor de hut stonden te trappelen, toegeëigend, om den weg, dien zij gekomen waren terug te rijden, dan waren zij nog ter rechtertijd gekomen, om de meeste makkers van De Long te redden! Zij wisten, dat hun kameraden, toen zij veertien dagen tevoren hen verlieten, leer en bast van wilgen aten, en het werd hoog tijd hun rendierenvleesch te brengen! Maar ze keerden niet terug, doch vergezelden de Toengoezen op hun weg naar het Zuiden—en daarna was het te laat!
Maar toch moet men zich wachten de beide dappere matrozen maar kortweg te veroordeelen. Zij hadden in elk geval wonderen verricht en zij waren door den langen strijd voor hun levensbehoud gedurende vier maanden, sedert den dag waarop de „Jeannette” in de diepte wegzonk, uitgehongerd en geheel uitgeput. Daarbij de voortdurende spanning dag en nacht! Een derde winter naderde, dien zij nog dichter bij de Noordpool hadden moeten doorbrengen dan de twee vorige. Onverschilligheid en stompheid van geest moeten zich van hen hebben meester gemaakt, en dat moet hun ter verontschuldiging strekken. Uit zulk een toestand herstelt men niet in een dag en juist de onbeperkte voorraad levensmiddelen was voor hen een gevaar. Na zoo lang hongerlijden konden zij het eten niet meer verdragen en werden daardoor nog meer uitgeput.
Genoeg, te middernacht namen zij, goed ingepakt, plaats op de sleden en joegen met de Toengoezen naar een dorp, dat uit twee groote tenten en tien bewoners bestond. Deze bezaten 75 rendieren en 30 sleden. In de eene tent stond een ketel met versch rendierenvleesch te koken en de mannen werden uitgenoodigd toe te tasten. Houten schalen werden voor hen gevuld met vette vleeschpap, waarbij thee werd gedronken. Daarna spreidden de vriendelijke Toengoezen warme, zachte rendiervellen op den grond uit; zulk een nacht hadden de twee sinds maanden niet beleefd!
Den volgenden dag reden de Toengoezen en hun beide gasten in een aantal sleden naar een ander dorp, waar zij den 25sten October aankwamen. Nu pas dacht Nindermann aan den kapitein en zijn ongelukkige makkers en ofschoon hij geen woord met de Toengoezen kon spreken, beproefde hij toch, hun den stand van zaken duidelijk te maken. In een tent lag een kleine boot, een stuk speelgoed. Hij zette er masten op. Daarna sneed hij drie kleine booten, die de drie booten der „Jeannette” moesten voorstellen. Met twee brokken ijs wees hij nu hoe het schip in elkaar was gedrukt en vergaan en de manschappen zich in de kleine booten aan land hadden gered. Zestien maal strekte hij zich op den grond uit, sloot de oogen en stond weer op, om de Toengoezen te doen begrijpen, dat zestien nachten verloopen waren, sedert hij zijn makkers had verlaten!
De inboorlingen knikten bij deze gebarentaal, en wisselden met elkaar onverstaanbare woorden. Maar hoe ijverig de matrozen hen dezelfde geschiedenis telkens ook weer voordroegen, men scheen ze niet te begrijpen of wilde ze misschien ook niet begrijpen, omdat de Toengoezen de woeste toendra in den wintertijd ook vreesden. Eindelijk begon Nindermann in zijn wanhoop te schreien. Zij beproefden hem te troosten, klopten hem op de schouders en trokken een medelijdend gezicht.
Den volgenden dag verscheen een banneling, Kusma genaamd. Hij was intelligenter dan de Toengoezen en werd door Nindermann goed ondervraagd. Elf verdwaalde mannen! Dat scheen hij te begrijpen en beproefde nu van zijn kant Nindermann te doen begrijpen, dat zij reeds gered waren! Maar Kusma dacht, dat Nindermann sprak over den troep van Melville, die eveneens uit elf man bestond en zoo nam hij de twee matrozen mede naar Boeloen, waar zij den 2den November weer samenkwamen met Melville en zijn manschappen.
Toen Melville hen naar De Long vroeg, begonnen zij hard te snikken en smeekten hem, hen weer naar het Noorden te laten trekken. Maar hij vond er hen te zwak voor en begaf zich alleen op reis. Hier en daar vond hij achtergelaten voorwerpen van de manschappen van De Long, een vlag, instrumenten en de apotheekkist. Hij was dus op het juiste spoor, maar kon door de hooge sneeuw en den onwil der Toengoezen zijn nasporingen niet vervolgen. Hiermede werd het lot van De Long en zijn makkers beslist!
Een half jaar later, in Maart 1882, werden verschillende afdeelingen naar de Lenadelta gezonden, om nasporingen in het werk te stellen. Melville begaf er zich ook weer heen, en nu vond men spoedig acht man van den troep van De Long, die door honger en koude waren omgekomen. De laatste kampplaats lag geheel onder de sneeuw; de hand van den kapitein zag men slechts uit de sneeuw steken, alsof hij de zoekenden de juiste plaats had willen wijzen! Hij zelf, dr. Ambler, Collins, de Chinees en de matrozen waren gedeeltelijk bedekt door de tent. Tot het laatste oogenblik hadden zij blijkbaar beproefd het kampvuur aan te houden. De koude moet hen ontzettend hebben gemarteld; van twee waren handen en kleeren geschroeid, zoo dicht waren zij bij het vuur gekomen. Gemarteld door den honger, hadden ze hun laarzen van vellen stuk gesneden en de stukjes in gloeiende kolen geroosterd. Het gelaat van Collins was met een doek bedekt, welke De Long en dr. Ambler daar stellig nog over hadden gelegd. Het dagboek van den kapitein lag naast een potlood op den grond; hij had het gebruikt, tot het oogenblik, waarop hij de kracht miste het in den zak te steken!
Dit dagboek vertelde, dat men op 9 October het spoor van Nindermann en Noros was gevolgd. De krachten begaven de manschappen echter hoe langer hoe meer. Voetje voor voetje sleepten zij zich voort. Zij kookten soep van wilgentakken.
„Ik hoop toch nog op Gods hulp en geloof niet, dat het Zijn plan is, ons van honger te laten omkomen,” schreef De Long nog in zijn dagboek.
Tweemaal teekende hij op, dat de Indiaan een sneeuwhoen had geschoten, dat zij onder elkaar hadden verdeeld.
Op een andere plaats staat: „Niets te eten, maar wij zijn nog vol moed. O God, help ons!”
Den 11den October: „Onmogelijk verder te komen, geen brandhout.”
Den 13den October: „Wij kunnen niet tegen den wind op, en hier blijven, wil zeggen van honger omkomen.”
Een matroos bezweek. De kapitein bidt het Onze Vader bij het lijk. „Een nacht van ontzettenden sneeuwstorm!”
Zondag, den 16den: „Alexis (de Indiaan) kan niet meer, is aan het einde zijner krachten. Godsdienstoefening.”
Den 17den: „Alexis ligt op sterven. De dokter doopt hem. Ik houd met den zieke een godsdienstoefening. Collins wordt vandaag veertig jaar. Alexis stierf bij zonsondergang van honger en uitputting. Wij dekten hem onder de tent toe met een vlag.”
Twee dagen later snijden zij de halve tent stuk om met de reepen hun voeten in te wikkelen.
Den 21sten lag een der matrozen dood tusschen hen. In den middag stierf een tweede matroos. Niemand had de kracht meer de lijken te begraven; ze werden naar buiten gebracht, opdat men hen niet meer behoefde te zien.
Den volgenden Zondag was de godsdienstoefening heel kort, daarna werd brandhout gezocht voor den nacht.
Den 24sten October: „Een grimmig koude nacht.”
Daarna twee dagen geen woord.
Den 27sten schrijft De Long over een matroos, die op sterven ligt en den volgenden dag, dat hij dood is.
Den 29sten sterft weer een matroos.
Den 30sten October, 140 dagen na den ondergang der „Jeannette”, wordt geen godsdienstoefening meer gehouden.
De laatste woorden, die De Long schreef, voordat het potlood aan zijn hand ontglipte, luidde: „Boyd en Cortz stierven vannacht, Collins ligt op sterven.”
15. FRIDTJOF NANSEN.
Drie jaren na den ondergang der „Jeannette” vond men in de nabijheid van Kaap Farewell, de zuidelijkste punt van Groenland een menigte voorwerpen, die aan het verongelukte schip moeten hebben behoord. Zij zaten vast gevroren in ijsblokken, maar er kon geen twijfel bestaan omtrent hun herkomst, want er was een proviandlijst bij met de handteekening van De Long, een afzonderlijke opgave der booten van de „Jeannette”, een klep van een pet met den naam Nindermann en eindelijk—een paar oliebroeken, die het merk „Louis Noros” droegen! Zonder twijfel hadden deze voorwerpen met het ijs den geheelen weg afgelegd van de Nieuw Siberische eilanden naar het zuidelijk voorgebergte van Groenland en waren daarbij juist over de Noordpool gedreven! Men wist ook, dat veel drijfhout, dat aan de oevers der Siberische rivieren gegroeid was, aan de kusten van Groenland placht te landen.
Uit deze en andere teekenen, aan het Noordelijk halfrond der aarde maakte een jonge Noor, Fridtjof Nansen genaamd, op, dat zich van de Behringstraat een zeestroom moest bewegen naar de oostkust van Groenland. Nansen besloot deze strooming te benutten. Vele Noordpoolreizigers waren van de zijde der Atlantische Oceaan de IJszee ingegaan en werden door de strooming terug gedreven; hij wilde nu van de tegenovergestelde zijde beginnen en zich door deze strooming laten drijven!
Anderen hadden dat pakijs gevreesd en vermeden; hij wilde het juist opzoeken en er zich vrijwillig aan overgeven. Anderen waren met ondeugdelijke schepen, die als notendoppen door de ijsvelden werden verpletterd, uitgevaren; hij wilde een schip bouwen welks naar binnen gebogen zijden niet door het ijs gepakt zouden kunnen worden. Hoe erger het ijs perste, des te zekerder moest zulk een schip uit het ijs omhoog geheven worden, en dan kon het op het ijs met den stroom verder drijven! Zoo’n reis zou echter lang moeten duren, daar de overblijfselen der „Jeannette” drie jaren onderweg waren geweest. Maar men had daarbij gelegenheid nieuwe streken der aarde, diepten der zee, weer en wind te onderzoeken. Het kleine puntje, dat men de Noordpool noemde, te bereiken, vond Nansen minder gewichtig dan de wetenschappelijke resultaten.
Onder de velen, die zich aanboden hem te vergezellen, koos Nansen de twaalf besten uit; zij waren aldus met hun dertienen; het getal dat bijgeloovige vrees verwekt, werd het gelukscijfer van Nansen!
Het nieuwe schip doopte men „Fram” (Voorwaarts). Sverdrup werd de kapitein. Deze was vroeger reeds een keer de metgezel van Nansen geweest op een avontuurlijke onderneming. Zij hadden te zamen Groenland van de west- tot de oostkust doorkruist.
Alles werd zoo goed het kon ingericht en proviand voor vijf jaar medegenomen. Den 24sten Juni 1893 vertrok de „Fram” naar de Siberische IJszee.