Part 12
Van Genève uit voert ons de spoorbaan oostwaarts langs den noordelijken oever van het meer. Als een nevelachtige streep teekenen zich de Alpen van Savoye aan den horizon af. Voorbij Lausanne verdwijnen de nevelen, en weer verheffen zich in verblindenden glans de Alpen als geweldige torens en piramiden. Langs den oever strekt zich temidden van tuinen en parken een eindelooze rij van internationale hotels uit. Uit alle oorden der wereld komen reizigers hierheen om zich te verzadigen aan het natuurschoon en om hun longen te versterken door het inademen der reine Alpenlucht. Bij iedere bocht ontrolt zich een nieuw panorama, en in de herinnering smelt alles tezamen tot één onvergetelijk geheel.
We verlaten thans het meer en volgen tusschen woeste rotsgevaarten de Rhône stroomopwaarts. Naarmate we hooger stijgen, wordt het dal nauwer. De Rhône is thans een bruisende bergstroom, haast onbeduidend in vergelijking met de breedte van den stroom bij Genève. In het dal breiden zich vlakke velden uit, op de hellingen verheffen zich donkere pijnboomen uit de sneeuw, en boven dat alles tronen de sneeuwtoppen der Alpen.
Eenige minuten voorbij Brieg suist de trein in volle vaart het gebergte in. De electrische lampen branden, en alle raampjes zijn gesloten; de tunnel vult zich met rook, en de duizendvoudige echo maakt ons bijna doof. Hoezeer verlangt men naar de vrije lucht; door alle spleten dringt de rook naar binnen; maar hier heet het geduld oefenen, want de Simplon-tunnel met zijn lengte van 19731 meter is de langste der wereld. Ze is eerst enkele jaren oud. Van weerszijden werd tegelijkertijd begonnen, en toen men bij elkaar gekomen was, en een ontploffing de laatste scheidsmuur opruimde, bleek het dat men zich bij de berekeningen geen duimbreed vergist had!
33. DE LAGUNENSTAD.
Wie voor het eerst Italië bezoekt, moet steeds met Venetië, de geboortestad van Marco Polo beginnen, en wel moet hij het zoo inrichten, dat hij er des avonds aankomt. Dan zal zich een tooverwereld voor zijn oogen ontsluiten, en hij zal meenen in een sprookje van de „Duizend en een Nacht” verplaatst te zijn!
Reeds de aankomst is wonderbaar. De trein heeft de vruchtbare vlakte in snelle vaart doorsneden en rolt nu voort over een smallen, maar 3600 meter langen dam, die de Lagunenstad met het vasteland verbindt. Rechts en links niets dan een donkere, onmetelijke watervlakte; slechts vooruit, heel in de verte, duiken tallooze lichten op. Ongeveer tien minuten lang rijdt men over dezen langen dam; dan stopt de trein in een ruime, hel verlichte hal, het station van Venetië.
We zien vooralsnog niets bijzonders. Zoodra we echter het station verlaten, treft ons een zoo eigenaardig schouwspel, dat we sprakeloos een poos blijven staan, verbluft van den ongewonen aanblik.
Geen groot, open plein, zooals men dat zoo vaak voor stations aantreft, geen geratel van rijtuigen en gebel van trammen, dicht voor ons kronkelt als een breed, donker lint een water waaruit de huizen steil opsteken, en rechts en links doorsnijden zijkanalen de stad. En op al deze waterwegen een ontelbare menigte Venetiaansche gondels, die er nog precies eender uitzien als vijfhonderd jaren geleden met hun zwanenhalzen en uitgesneden spitsen, die in het nachtelijk duister aan zeemonsters doen denken. Voor ons ligt het Canal Grande, de voornaamste verkeersweg die zich S-vormig door de stad heen slingert.
We huren een der gondels. De gondelier staat aan het eind van zijn vaartuig, den eenen voet een weinig naar voren geschoven; met bewonderenswaardige handigheid hanteert hij zijn roeispaan. Een doodelijke stilte omgeeft ons: geruischloos glijdt de gondel voort en door het Canal Grande. Hoe verder we komen, des te beter begrijpen we waarom de Italianen deze Lagunenstad zoo liefhebben. Het eene paleis na het andere glijdt ons voorbij, het eene nog prachtiger dan het andere. Daar is het prachtige Palazzo Vendramin Calergi waarin een van Duitschland’s grootste toondichters, Richard Wagner, overleed; daar, aan de overzijde het beroemde Fondaco dei Turchi, in de 17de eeuw bekend als de verblijfplaats der Turken die Venetië bezochten. Verderop het sierlijke, in gothische stijl gebouwde Ca’ d’Oro, waarvan de marmeren gevel, spookachtig in den duisteren nacht uit het water schijnt op te stijgen. Ook het Fondaco dei Tedeschi, de voormalige stapelplaats der Duitsche kooplieden, glijden we voorbij, en komen dan onder den wereldberoemden Ponte di Rialto door, een prachtige brug met marmeren boog, bezet met een dubbele rij winkels.
De gondelier stuurt het vaartuig in een der kleine zijkanalen. Wederom andere beelden: nu eens stille, duistere hoeken, vol spookachtige geheimzinnigheid, dan weer smalle bruggen, waarover men gestalten ziet voortglijden, dan weer een prachtig paleis, waarvan de terrassen tot aan het water reiken. Nu klinkt uit een zijkanaal het smachtende lied van een gondelier. Kortom, tal van indrukken volgen elkaar op, en verlevendigen tevens de herinnering aan de avontuurlijke geschiedenis dezer wonderbare stad. We denken aan de macht en den rijkdom der dagen, aan de pracht en praal die Venetië’s roem over de geheele wereld verspreidden, aan de schitterende optochten over het water, aan het met de grootst mogelijke pracht vertoonde huwelijk van den Doge met de zee. Maar tevens denken we aan den gruwel der inquisitie, aan de folteringen der politieke gevangenen. Juist waren we onder de „Brug der Zuchten” door; een donker gat in den muur toont nog heden den weg dien de ter dood veroordeelden moesten nemen, welke hier in duistere diepte moesten sterven. Ginds, voor ons, verheft zich het Dogen-paleis, van welks kwellingen onder de looden daken de avonturier Casanova zulk een levendige schildering heeft gegeven. Hoevelen zijn daar niet in de verzengende hitte versmacht, die niet, zooals hij, aan hun boeien wisten te ontsnappen?
We stijgen aan de Piazzetta uit. Voor ons liggen twee eilanden en verscheidene trotsche kerken; daarachter de zee, de wonderschoone Adriatische Zee. In de verte zien we een smalle kuststrook. Dat is Lido, de voornaamste badplaats van Italië, die jaarlijks duizenden, zoowel Italianen als vreemdelingen, tot zich trekt.
Na eenige schreden bevinden we ons op het San Marco-plein, in het Noorden en Zuiden begrensd door de zoogenaamde „Procuraziën”, oorspronkelijk de woonplaatsen der negen procuratoren, die aan het hoofd van het stadsbestuur stonden. Het zuidelijke paleis dient tegenwoordig tot residentie van den koning wanneer deze Venetië bezoekt. Het indrukwekkendst is echter de oostelijke zijde van het plein. Hier staat de Marcuskerk, gebouwd in Byzantijnschen stijl, met een heerlijken rijkdom aan mozaïeken, zoowel van binnen als van buiten. Men aanschouwt er niet minder dan vijfhonderd marmeren zuilen. Onder het hoogaltaar rust het gebeente van den heiligen Marcus, den schutsheilige van Venetië, door Venetiaansche burgers in het jaar 829 uit Alexandrië meegebracht. Niet minder indrukwekkend is het Dogenpaleis, naast de San Marco gelegen; met zijn ruime, prachtige zalen herinnert het nog heden ten dage aan de roemrijke Venetiaansche republiek. Maar niets is heerlijker dan ’s avonds bij maanlicht vanaf het balcon van dit paleis neer te zien op het Marcusplein. Duizende menschen, van allerlei stand en van verschillende natiën wandelen hier onder de tonen der muziek heen en weer. Slanke Venetiaansche vrouwen, de zwarte doeken bevallig over de schouders geworpen; zongebrande visschers uit Chioggia, patricische dames met trotsche trekken en aschblond haar, daartusschen Duitschers, Engelschen, Russen, Franschen, Turken, in een bont gewemel. Het vroolijke gebabbel en gelach vermengt zich met de smeltende Italiaansche melodieën, en over dat alles giet de maan een tooverachtig licht, dat de mozaïeken van San Marco verzilvert.—Als een betooverde prins, die tot het leven teruggeroepen is, staat men urenlang tegen de balustrade van het balcon geleund, en niet zonder weemoed neemt men van dit sprookjesachtige tafereel afscheid.
34. DWARS DOOR ITALIË.
Wel moeten de verwachtingen hooggespannen zijn van hem, die van Venetië zijn eerste indrukken van Italië ontving, toen hij door de poorten der Lagunenstad zijn intrede in dit land deed. Wij echter komen op onze reis, van Zwitserland’s hemelhooge bergen in een heerlijk dal aan de oevers van het Lago Maggiore. Door steile bergen omringd, bevat dit donkerblauwe meer een groep kleine eilandjes, bezet met witte huizen, fraaie paleizen en groene parken. Een dezer eilandjes draagt den beroemden naam „Isola Bella”, het „mooie eiland”.
Dan snelt de spoortrein de Lombardische vlakte in, die het grootste deel van Noord-Italië omvat, en waardoor de Po heenstroomt, alvorens in de Adriatische Zee uit te monden.
De eerste groote stad, die nog geen bepaald Italiaansch karakter draagt, is Milaan. De straten zijn breed en goed geplaveid, de huizen modern gebouwd; men zou kunnen wanen zich in een groote Duitsche stad te bevinden. Ook van fabrieken, die in de kleinere Italiaansche steden nagenoeg geheel ontbreken, is Milaan ruimschoots voorzien.
Maar twee wonderen herbergt de stad. Het eene is de Dom, een der prachtigste Gotische bouwwerken. In het middelpunt der stad verheft zich dit indrukwekkende Godshuis op een ruim plein. Eerst wanneer men de vijfhonderd treden, deels binnen in het gebouw, deels aan de buitenzijde van den toren bestegen heeft, kan men zich een voorstelling maken van de reusachtige afmetingen. Niet minder dan acht en negentig spitsen, versieren als een woud van marmer het dakwerk, en het aantal marmeren beelden dat aan de buitenzijde is aangebracht, moet ongeveer tweeduizend bedragen. Geen andere kerk is met pulk een kwistigen rijkdom van marmer voorzien. De oogverblindende schittering van al dit marmer, vormt een wonderbare tegenstelling met het mystieke schemerlicht dat daarbinnen, door de beschilderde glazen, heerscht; daglicht en schemering hebben hier een verbond gesloten, om dit meesterwerk van architectuur, waarover meer dan twee eeuwen gebouwd werd, een bijzondere bekoring te verleenen.
Het tweede wonder van Milaan is het Heilige Avondmaal van Leonardo da Vinci. Deze schat bevindt zich in het refectorium van een klooster, dat tegen de kerk Santa Maria delle Grazia aangebouwd is; jammer is ’t dat de jaren slechts te duidelijk hun sporen op dit beroemde schilderstuk hebben achtergelaten. Maar nog steeds verkondigen de omtrekken en verbleekte kleuren het genie van Leonardo.
De vruchtbare, dicht bebouwde vlakte van Lombardije biedt den reiziger geen bonte verscheidenheid van tafereelen. Eerst bij Piacenza, waar wij de Po oversteken, en waar reeds de noordelijke uitloopers der Apenijnen in ’t gezicht komen, wordt het terrein heuvelachtig. De trein voert ons langs den noordelijken rand der Apenijnen naar Bologna. Wij snellen de oude universiteitsstad Parma, waar de beroemde schilder Corregio arbeidde, voorbij evenals het overoude Reggio, de geboorteplaats van den dichter Ariosto. Dan volgt Modena, met zijn bijna duizendjarigen Dom en ten slotte bereiken we de vijftienhonderd jaar oude universiteitsstad Bologna.
Gedurende de middeleeuwen, en ook tijdens de Renaissance, was Bologna de verzamelplaats van alle naar wetenschap, dorstende jongelieden. Hier heeft ook Ulrich von Hutten zich aan de bron der kennis gelaafd. Bologna’s geschiedenis reikt ver in het verleden terug. Reeds in de vijfde eeuw voor onze jaartelling werd een heftige strijd gevoerd om het bezit der stad, totdat het door de Romeinen tot een hunner koloniën gemaakt werd. Ook keizer Frederik Barbarossa had menigen harden kamp om Bologna te voeren. Zijn zoon Enzio werd in 1249 in den bloedigen slag van Forsalta gevangen genomen, en werd langen tijd als gijzelaar door de Bolognesers gehouden. Het paleis waar hij in gevangenschap zuchtte, en, volgens het verhaal, door de schoone Lucia Biadagola vertroost werd, is nog heden ten dage te zien. Bologna is rijk aan kerken en paleizen. Een der mooiste is de onvoltooide kerk San Petronio. Hier werd Karel V door Paus Clemens VII gekroond.
De stad die op Bologna volgt, Ravenna, is het Pompeji uit den tijd der eerste Christenheid. Oorspronkelijk was Ravenna, evenals Venetië, een lagunen-stad. Ten tijde van keizer Augustus was het de oorlogshaven voor de vloot der Adriatische zee. Maar tegenwoordig ligt de stad op een afstand van tien kilometer van de zee verwijderd; zoozeer is in den loop der eeuwen de kustlijn veranderd! Talrijke monumenten verkondigen nog heden ten dage den glans der vroegere Germaansche heerschappij over Italië. Weliswaar zijn er van het trotsche paleis van Theoderik nog slechts enkele zuilen over, maar nog altijd verheft zich in indrukwekkenden eenvoud zijn grafmonument. Hier is ook de laatste rustplaats van Italië’s grootsten dichter, Dante. Bij Bologna begint de spoorweg naar Florence de Apenijnen te doorsnijden. Het landschap verliest nu zijn eentonigheid. Diepe dalen en ravijnen wisselen af met steile rotsgevaarten, watervallen en wilde bergstroomen. Alvorens Florence te bereiken komen we door meer dan 20 tunnels, want deze stad, de kroon van Toscane, ligt diep in het dal van den Arno verscholen.
„La Bella”, de schoone, zoo noemen de Italianen Florence. Maar haar schoonheid springt niet dadelijk in het oog, zooals die van Venetië, ze is een schoonheid die slechts geleidelijk haar bekoorlijkheden tentoonspreidt.
De aantrekkelijkheid der stad ligt in de kunstschatten die binnen haar muren besloten zijn. Men hoeft nog niet de Uffiziën of het Palazzo Pitti bezocht te hebben, men behoeft nog niet op de Piazza della Signoria met het burchtachtige Palazzo Vecchio gestaan te hebben, om deze bijzondere bekoorlijkheid van Florence op te merken. Bijna op elken hoek der straat, bij elke fontein worden wij door een kunstwerk getroffen, en worden we herinnerd aan de namen van een Leonardo, Michel Angelo of Rafaël.
Niet ver van het station ligt een eenvoudige kerk, San Lorenzo genaamd, gebouwd door de Medici en andere Florentijnsche families. Deze kerk biedt weinig aantrekkelijks voor het oog, maar ze bevat de mooiste en zinrijkste grafmonumenten ter wereld. Ze zijn vervaardigd door Michel Angelo. Het was zijn plan om in deze kleine kapel nog meer van zulke meesterwerken op te richten, maar verstoordheid over het omverwerpen der republiek benam hem hiertoe den lust. Zoo hebben deze grafmonumenten, behalve hun oorspronkelijk doel, den roem der Medici door alle tijden heen te verkondigen, nog een tweede beteekenis; ze zijn de laatste getuigenissen der Florentijnsche kunst, die met den val der republiek uitstierf. Nauwelijks een eeuw had dit bloeitijdperk geduurd, maar gedurende dezen tijd zijn er binnen de muren van Florence zoovele kunstschatten opgehoopt, dat de stad voor altoos „La Bella” zal blijven heeten.
Zuidelijk van Florence komen de sporen der antieke wereld duidelijker voor den dag dan die der Renaissance. Reeds het Trasmeensche meer, langs welke Westelijken oever we voorbij sporen, wekt de herinnering aan het oude Rome. Hier versloeg Hannibal in 217 v. Chr. het leger van den onvoorzichtigen Romeinschen consul Flaminius. Van af de bergtoppen der Apenijnen zien nog trotsche, ommuurde burchten uit de middeleeuwen op ons neer, en de een of andere bergvesting als Perugia of Siena herinneren ons aan de Renaissance; maar hoe meer we het dal van den Tiber naderen, des te talrijker worden de overblijfselen uit de oudheid, om eindelijk in de Campagne, en in Rome zelf, uit tal van ruïnes te verhalen van een wereld waaraan ook wij, bewoners van noordelijke gewesten, het grootste deel van onze beschaving te danken hebben. Daar ligt de eeuwige stad voor ons! Beschenen door de stralen der zon, schittert de vergulde koepel van den St. Pieter als een hemelsch vuur boven Rome!
35. DE EEUWIGE STAD.
Rome is onuitputtelijk. Het groeit onder de voeten van den bezoeker. In 2600 jaren zijn steeds nieuwe bouwwerken boven de ruïnen van een vroegeren tijd verrezen. Van wat in de diepste lagen verborgen ligt, het Rome uit den tijd der koningen, heeft men nog nauwelijks eenig vermoeden. Daarop volgde het Rome der republiek, en vervolgens het Rome van den keizertijd, de wereldstad, toen vanuit het Palatinum de Caesaren hun scepter zwaaiden over de geheele, toenmaals bekende wereld; van het nevelachtige Brittannië, en de duistere wouden van Germanië, tot aan de gloeiende zandvlakten van Afrika, van de bergen van Spanje, tot aan Galilea, het land der Joden. Talrijke overblijfselen uit deze tijden van Rome’s wereldheerschappij zijn nog heden temidden van het moderne straatgewoel overgebleven. Monsters op den troon der Caesaren hebben de stad verwoest, teneinde de herinnering aan hun voorgangers uit te wisschen, en slechts hun eigen roem aan het nageslacht over te leveren. Vandalen, Gothen en andere barbaren hebben Rome geplunderd. „Rome is niet op één dag gebouwd”—maar ook hebben tweeduizend jaren Rome’s heerlijkheid niet kunnen vernietigen!
Op het Rome van den keizertijd volgen nieuwe lagen, de christelijke tijd, de middeleeuwen en de nieuwere tijd met hun tallooze kerken, kloosters, musea, en machtige paleizen. Het christendom bouwde op de bouwvallen van het heidendom, het verleden en het heden gaan onmerkbaar in elkaar over. Op het Kapitool staat de Romeinsche keizer Marcus Aurelius, en op den anderen Tiber-oever staart Garibaldi, de vrijheidsheld van het jonge Italië over de eeuwige stad heen. Men rijdt door een moderne straat met prachtige winkels, en in weinige minuten staat men op het Forum Romanum, het Romeinsche marktplein, het hart van het oud-Romeinsche rijk, het tooneel van volksverzamelingen, gerechtszittingen en handelszaken. Het Forum geleek op een marmeren zaal in de open lucht, waardoor de triumfators omstuwd van wapenbroeders en gevangenen zich naar het Kapitool begaven, om daar hun offer te brengen aan Jupiter. Heden zijn nog eenige zuilen en bouwvallen overgebleven van al de pracht waarmede Julius Caesar en keizer Augustus het plein versierden. Zoo juist dwaalde men nog als een vroom pelgrim door de St. Pieterskerk rond, en reeds bevindt men zich onder den triomfboog van Titus, die opgericht werd ter herinnering aan de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n. Chr.!
Zoo dwaalt men in Rome rond, tusschen gedenkzuilen en triomfbogen, tusschen tempel en theater, en vergeet bijna dat bijkans tweeduizend jaren verloopen zijn, sedert de stemmen van krijgers, priesters en tooneelspelers onder al deze geweldige bogen, voor het laatst weerklonken. Op de trappen die naar het Kapitool voeren, wordt men herinnerd aan de stichting van Rome; in een door een ijzeren hekwerk omsloten grot loopen twee wolven heen en weer, vruchteloos een uitweg zoekend; en boven op den heuvel zien we het bronzen beeld der wolvin die Romulus en Remus zoogde. Volgens de sage werden beide knapen aan den oever van den Tiber te vondeling gelegd, maar door de wolvin gevonden en in het leven gehouden. Romulus grondvestte 750 jaar voor het begin onzer jaartelling de eeuwige stad, en werd Rome’s eerste koning.
Tal van gangen en gewelven bedekken den Palatijnschen heuvel, het zijn de overblijfselen der paleizen van de Romeinsche keizers. Op de hellingen groeien sinaasappelen tusschen de varens en klimopranken, en door de oude pijnboomen en cypressen ruischt een wegstervende echo uit lang vervlogen tijden.
36. PAUS PIUS X.
Italië’s koning heerscht over 35 millioen onderdanen. Zijn hoofdstad Rome is echter ook de zetel van een ander machtig vorst, wiens rijk niet van deze wereld is. Zijn troon is de stoel van den heiligen Petrus, zijn wapens zijn de drievoudige kroon, de Tiara, en de gekruiste sleutels die de poort van het hemelrijk openen en sluiten. Aan hem zijn de 270 millioen Katholieken over de geheele wereld onderworpen! Hij is een vrijwillige gevangene in het Vatikaan, een groep van hooge paleizen, dat wel tienduizend zalen en vertrekken omvat. Hier zijn musea, bibliotheken en handschriftenverzamelingen van onschatbare waarde bijeengebracht, alleen de beeldengalerij van het Vatikaan is de rijkste der wereld. De Sixtijnsche kapel is door Michel Angelo met reusachtige schilderstukken versierd; de prachtige plafondschildering stelt de schepping, de zondeval en de zondvloed voor; een muurschildering toont ons het jongste gericht.
Aan de westzijde van het Vatikaan liggen de tuinen van den paus, en zuidelijk daarvan verheft zich de St. Pieterskerk, het geweldigste bedehuis der christenheid.
Het Vatikaan, met alles wat er bij behoort, vormt een stad op zichzelf, en wel de machtigste stad op de geheele wereld, een zetel van kunst en geleerdheid, en bovenal, is het ’t brandpunt van een machtig kerkgenootschap. Van hieruit slingert de Paus zijn banbliksem over ketters en zondaren, en van hieruit bewaakt hij de geloovigen van zijn werk volgens het driemaal herhaalde woord van den Heiland tot Petrus: „Weidt mijne lammeren!”
Toen den 20sten Juli 1903, de vorige Paus, Leo XIII stierf, kwamen de kardinalen bijeen om zijn opvolger te kiezen. Onder deze bevond zich ook de bejaarde patriarch van Venetië, kardinaal Giuseppe Sarto. Toen deze zijn geliefd Venetië verliet, om voor de Pauskeuze naar Rome te reizen, nam hij aan het station een retourkaartje! Maar, daar hij het was, die tot Paus gekozen werd, zal hij zijn Venetië, en het landhuis waar hij als kind gespeeld heeft, nimmer weer zien; want als heerscher in het Vatikaan, heeft hij van zijn vrijheid afstand moeten doen.
Op zekeren Februaridag van het jaar 1910 bevond ik me op weg naar het Vatikaan. Een vriend uit Italië vergezelde me. We reden over de Engelen-brug, en voor ons verhief zich de statige Engelen-burcht, door keizer Hadrianus 1800 jaar geleden opgericht als zijn eigen grafmonument. Na links afgeslagen te zijn, kwamen we aan het St. Pietersplein, dat, begrensd door St. Pieterskerk, Vatikaan en zuilengangen, een der indrukwekkendste pleinen ter wereld is. Tusschen de ruischende fonteinen, staat een obelisk, op bevel van keizer Caligula uit Egypte hierheen gebracht. Reeds lang vóór den tijd van Mozes zag deze obelisk neer op Egypte’s woestijn. Aan zijn voeten hebben de kinderen Israël’s in hun gevangenschap hun liederen gezongen. Ten tijde van Nero, zag hij duizenden Christenen den marteldood sterven. Nog heden verheft hij zich, vijf en twintig meter hoog, bestaande uit een enkel stuk steen, ongedeerd door den tijd en onaangetast door menschenhanden. Aan de noordzijde van het plein bevindt zich de poort van het Vatikaan. Hier houdt de Zwitsersche Garde in middeleeuwsche uniform, de wacht. In prachtige, met roode zijde behangen vertrekken wachten talrijke pelgrims, monniken en prelaten het oogenblik af, waarop ze tot Zijne Heiligheid zouden worden toegelaten. Een voornaam priester, gekleed in violet gewaad, ging ons voor, om ons aan te dienen, en door de geopende deur zag ik, hoe hij nederknielde terwijl hij met den Paus sprak.
Spoedig was het mijn beurt om toegelaten te worden. In een ruim, rood behangen vertrek zat Pius X aan zijn schrijftafel. Bij mijn binnenkomst stond hij op, en reikte mij zijn fijngevormde doch krachtige hand. Daarop namen wij plaats. De Paus leunde met de ellebogen op de schrijftafel, en hield het hoofd op de handen gesteund; hij begon over Tibet te spreken. Hij vroeg of de zending in dat land eenige kans op succes had. Ik moest antwoorden dat Tibet tegenwoordig voor alle Europeanen gesloten is, maar dat vroeger Italiaansche monniken er als zendelingen werkzaam geweest waren. Toen ik onder anderen Odorico uit Pordenone noemde, die in de 14de eeuw Tibet bereisd had, luisterde de Paus vol belangstelling; want die naam was hem goed bekend, immers Pordenone is een dorp uit zijn eigen geboortestreek!
Pius X geeft den indruk van grooten christelijken deemoed, van eenvoudige, vriendelijke zachtmoedigheid, en zijn stem klinkt week en ernstig. Ook zijn uiterlijk komt, door de witte kleeding die tegen het roode behangsel van het vertrek afsteekt, uitstekend tot zijn recht. Hij droeg een langen dichtgeknoopten priesterrok met een breeden gordel en een schouderkraag, en op het witte haar droeg hij een wit kapje. Om zijn hals fonkelde een gouden ketting met een groot kruis.
Tusschen het Vatikaan en de St. Pieterskerk liggen slechts enkele schreden. We betreden het prachtige voorportaal en komen door een der vijf gewelfde bronzen deuren in de kerk zelf. Eerbied en bewondering overweldigen ons, zoo indrukwekkend zijn hier alle afmetingen! Nu eens verlustigt zich onze blik in de bonte, hemelhooge gewelven, dan weer in de eindelooze zuilenrijen, nu eens worden we geboeid door een mozaiekwerk, dan weer door een grafteeken. Hoe lang zou men hier niet moeten ronddwalen om aan al deze heerlijkheid eenigszins recht te doen wedervaren! Rome is niet in één dag gebouwd, luidt het spreekwoord. Voor het bouwen van de St. Pieterskerk waren alleen al honderd en twintig jaren noodig, gedurende welken tijd twintig Pausen elkaar opvolgden! Italië’s grootste meesters waaronder Rafaël en Michel Angelo hebben het beste van hun scheppingen gewijd aan dezen tempelbouw, die het graf van den apostel Petrus omsluit. De kosten bedroegen twee honderd en vijftig millioen.
37. „BROOD EN SPELEN”.