Part 3
Vergeefs sleepten de overlevenden hun munitiekisten mede, zonder een enkel schot te kunnen afvuren, want geen spoor van wild komt in Mei en Juni op het eiland voor. Steeds kleiner werd het getal van hen, die de boot over sneeuw en ijs nog aan land konden trekken. Nu wachtten zij op open water om over de zeeëngte aan land te kunnen komen. In het begin van Juli pleegt het ijs te breken, en in elk geval zijn de overlevenden in dezen tijd daar overgezet, want de boot werd later in een bocht, die nu de „Doodenbaai” heet, aangetroffen. Indien men de boot daar later zou hebben gevonden, dan was het even goed mogelijk geweest, dat wind en golven ze daarheen hadden gedreven; maar de geraamten in de boot en aan het strand en allerlei voorwerpen van de uitrusting toonden aan, dat de boot bij de overvaart en het landen bemand geweest was. Vele oogenblikken van dezen noodlottigen tocht zijn voor eeuwig duister gebleven. Waarom sleepten zij de zware walvischbooten twee maanden lang mede, daar ze toch reeds het vorige jaar, op den tocht, kort voor den dood van den admiraal, het vasteland in het Zuiden moesten hebben gezien? De zeeëngte is op haar smalste plaats slechts tien kilometer breed, en ze hadden haar op elke plaats over het ijs kunnen overgaan! Nooit zal het raadsel opgelost worden, want allen stierven en geen blad uit het dagboek is gevonden!
Toen berichten van Franklin geheel uitbleven, werd reeds na twee jaar de eerste hulp-expeditie gezonden. In het najaar van 1850 waren vijftien schepen aan het zoeken; het dapperst en meest energiek was de vrouw van Franklin, die jaren lang de hoop op een weerzien niet opgaf! Zij offerde haar geheele vermogen aan de hulp-expedities en de regeering gaf in den loop van zes jaar, ruim negen millioen gulden voor hulpexpedities uit! Alles vergeefs! Want het ongeluk was reeds lang geschied. Een expeditie, die reeds in 1848 uittrok, bleef in het ijs steken, en kwam op een heel bijzonderen inval, om de in nood verkeerenden, waar zij zich ook mochten bevinden, van hun nabijheid in kennis te stellen. Men ving ongeveer honderd bergvossen, deed ze koperen halsbanden om, waarop een kort bericht omtrent de ligging van het hulpschip was ingekrast en liet ze dan weer loopen.
In het jaar 1854 werden de namen van Franklin, Crozier en de overige deelnemers uit de personeellijst der Engelsche marine geschrapt. In de geboorteplaats van Franklin werd een gedenkteeken voor hem opgericht en in de Westminster abdij, waar Engeland’s helden sluimeren, heeft men een marmeren gedenksteen voor hem opgericht, met de woorden van den dichter Alfred Tennyson:
„Niet hier! In den ijzigen arm verwijlt gij Van de Pool—Een man, een held. Naar een andere Pool gij ijlt, Daar boven in de hemeltent!”
Een beroemd poolreiziger, Julius Payer, die Frans-Jozef-land in het Oosten van Spitsbergen heeft ontdekt, heeft een schilderij geschilderd, die hij de „Doodenbaai” noemde. Aan een verlaten kust midden tusschen ijs en sneeuw ligt een aan land getrokken boot, tusschen hier en daar verspreide bagage rusten de lijken van verscheidene zeelieden. In de boot liggen andere lijken in de meest verschillende houdingen, de trekken verstijfd in wanhoop en ontzetting! Een ligt voorovergebogen op een open bijbel, de linkerhand omknelt krampachtig de saamgekreukelde bladeren. Aan den voorsteven der boot knielt een man, de laatst overgeblevene, kapitein Crozier. Met koelbloedige kalmte houdt hij zijn geweer gereed. Twee ijsberen naderen, tegen hen wil hij zichzelf en zijn doode makkers beschermen!
7. HET BERICHT DER ESKIMO’S.
Dertig jaren na den ondergang van de Franklin-expeditie begaf zich luitenant Schwatka naar het Noorden om de oplossing van het raadsel te zoeken. Verscheidene van de verongelukten zouden toch zeker een dagboek hebben gehouden; een was voldoende om alles te vernemen.
Schwatka zocht het allereerst de Eskimostammen op, die op hun zomersche jachttochten, het dichtst bij King-Williamland kwamen. Bij velen vond hij voorwerpen, die bij de expeditie hadden behoord. Maar het merkwaardigste waren de verhalen van oude Eskimo’s.
Een oude vrouw was met haar inmiddels gestorven man en twee andere families naar King-Williamland getrokken voor de robbenvangst. Vol verbazing en schrik hadden zij op een dag een troep vreemdelingen gezien, die een boot achter zich aantrokken. Eerst hadden zij op de vlucht willen gaan, maar toen een der vreemdelingen haastig op hen toe was gekomen, hadden zij niet kunnen wegloopen. Zij spraken met elkaar door teekenen en de Eskimo’s begrepen, dat de mannen blanke zeelieden waren van een gestrand schip. Zij hadden er ontzettend uitgehongerd en mager uitgezien, en zwarte kringen om oogen en mond gehad. De Eskimo’s bleven vier dagen bij hen, deelden met hen het vleesch van een zeehond en ontvingen als vergoeding een mes. De blanken brachten den nacht gedeeltelijk in een boot, gedeeltelijk in een kleine tent door. Levensmiddelen hadden zij niet. De Eskimovrouw vertelde, dat een der mannen lang was geweest, en een reeds grijzenden baard had, een ander werd „doklut”—dokter—genoemd, en had een witten bril gedragen, de anderen, allen een donkeren. De Eskimo’s werden door ijsgang verrast en moesten den geheelen zomer op het eiland blijven. In dien tijd verloren zij de vreemdelingen uit het oog.
Het volgend jaar keerden dezelfde Eskimo’s terug naar de zuidkust van het eiland en vonden daar voor een tent verscheidene lijken, slechts twee waren met zand en steenen bedekt, en ook in de tent lagen verscheiden dooden in hun bed, geheel aangekleed, met laarzen aan de voeten en toegedekt met hun dekens. De lijken, die buiten lagen waren door de nog levenden daarheen gedragen. Messen, lepels, horloges, papieren, werktuigen, en wat er nog meer in de tent lag, namen de Eskimo’s mede.
Andere Eskimo’s vertelden, dat zij op het vasteland een boot met verscheiden geraamten hadden gevonden, hoeveel waren zij vergeten, naast de boot hadden vier dooden gelegen, slechts een der dooden had nog huid en haren, en zijn haar was lichtblond geweest, hij kon pas eenige maanden dood zijn geweest. Hij had een ring aan den vinger en droeg oorringen, zijn horloge was met een ketting bevestigd geweest. Naast hem lag een blauwe bril. Alles van waarde namen de Eskimo’s mede, o.a. een zaag, aarden pijpen, zeildoek, kleedingstukken, een kompas, een tabaksdoos en een blikken doos met boeken. De boeken gaven zij aan hun kinderen om mede te spelen en in den loop der jaren waren zij verscheurd. Ongetwijfeld waren dat de kostbare logboeken met al de waarnemingen en kaarten welke gedurende de drie jaren waren opgeschreven en geteekend—papieren, voor welke Engeland vele millioenen zou hebben gegeven!
Eindelijk vertelde nog een oude man, dat hij en zijn stamgenooten voor ongeveer dertig jaren in de nabijheid der kust van het vasteland in een groot ijsveld een schip ingesloten hadden gevonden, ook hadden zij sporen van menschen in de sneeuw ontdekt. Het volgend voorjaar hadden zij zich weer naar het schip begeven, maar geen spoor van een bezetting meer gevonden en aan boord was het zoo stil geweest als het graf.
Waarschijnlijk was het dek nog hoog met sneeuw bedekt van den vorigen zomer, en hadden de Eskimo’s die nog nooit aan boord van een schip waren geweest, niet geweten hoe er in te komen. Op hun kloppen en leven maken hadden zij geen antwoord gekregen en de scheepsluiken hadden zij niet gevonden. Toen hadden zij met bijlen een gat in den zijwand gehouwen en waren hierdoor voorzichtig naar binnen gekropen. Het was binnen stikdonker en doodstil. Maar zij vatten moed en zochten rond in de gangen en hutten. Maar in één kooi hadden zij het lijk van een man gevonden. Naast hem, op een kleine tafel had een blikken kan met eenige stukken vleesch gestaan. Toen het ijs in den loop van den zomer verdween, vulde het schip zich door het gat in den romp en ging onder. Andere Eskimo’s bevestigden dit bericht. Maar welk van de twee schepen, de „Erebus” of „Terror” de „Onderwereld” of de „Schrik” zoo naar de diepte ging, dat weet men niet.
En wie was die eenzame in het binnenste van het schip? Men huivert bij de gedachte aan zijn lot, hij was de laatste van die vijftig mannen, die van de Terrorbaai naar het schip terugkeerden. Alle kameraden waren dood, hij alleen had de kracht behouden zich naar het schip te slepen. In de kajuiten lag alles nog even onordelijk verspreid als men het voor twee maanden bij het verlaten van het schip had achtergelaten. De laatste der manschappen, zocht proviand bijeen en droeg het in zijn kajuit, dekens waren er genoeg voorhanden, een geriefelijk bed kon hij nog voor zich inrichten. De zomerdag naderde zijn einde. Steeds langer bleef de zon onder den horizon. Hij vermoedde niet, dat buiten op het ijs Eskimo’s het schip gadesloegen maar niet aan boord dorsten te komen. En toch was hij nu en dan op het dek geweest en had vergeefs naar hulp van het land uitgezien. Toen kwam de schemering weer, gevolgd door den langen nacht. Nu bleef hij in zijn hut, luisterde ingespannen maar hij hoorde niets dan den wind in het takelwerk en in de bevroren rinkelende touwen of het op zuchten gelijkende knarsen van den scheepsromp, die door het ijs werd saamgeperst. Ontzettender dan welke kerker ook, moet dit geheel alleen zijn op het verlaten schip zijn geweest! En toch bracht het hem niet tot waanzin! De laatste der overledenen wachtte rustig zijn laatste uur af: een vierde winter was te veel voor hem, en de tijd tot den volgenden zonsopgang te lang. Toen de dag weer lichtte, het ijs smolt, en het schip uit zijn driejarige gevangenschap bevrijdde, zonk het met zijn held in de diepte.
8. AAN DE OOSTKUST VAN GROENLAND.
De Noordpool, het doel van zoovele ontdekkingsreizen, is door zulk een dichten krans van onopgeloste vraagstukken omgeven, dat elke expeditie, die bij den altijd durenden wisselenden toestand van het poolijs geheel van haar route wordt afgedreven, toch met een menigte wetenschappelijke resultaten terugkeert en al heeft zij de Noordpool ook niet bereikt, toch bij zorgvuldigen, wetenschappelijken arbeid, voor onze kennis der Poolstreek gewichtige bijdragen levert. Dat geldt ook van de Duitsche Noordpool-expeditie, die in de jaren 1869 en 1870 ondernomen werd op aandrijven van den beroemden Duitschen geograaf August Petermann, en die de verdienste heeft, aan de oostkust van Groenland, het grootste eiland van de wereld, het vaderland der Eskimo’s, dat op de kaart als een lange, witte, slechts aan de randen gekleurde landstrook van de Noordpool afhangt, ruime gebieden te hebben ontsloten. Groenland, welks eigenaardigheden van een eiland pas door de laatste ontdekkingsreizen, vooral die van den Amerikaan Peary, werden bepaald, dankt zijn ontdekking en eerste nederzetting tot in de tiende eeuw aan de Noren wier kolonies aan de westkust zich tot in de 14e eeuw in bloeienden toestand bevonden. Reeds in het jaar 1000 werd in Groenland van uit Noorwegen het christendom wettelijk ingevoerd en van 1126 tot aan den hervormingstijd kan men nagaan, welke bisschoppen er achtereenvolgens geregeerd hebben. Het levendig scheepverkeer dat in die vroege eeuwen tusschen Groenland, IJsland en Noorwegen bestond, verminderde echter met het verval der Noorweegsche kolonies, in de 13de eeuw, en in het midden der 15de eeuw was alle verbinding tusschen Groenland en de beschaafde wereld verbroken. Pas in den tijd der Noorsche ontdekkingsreizen, dus vanaf de 16de eeuw, moest dit ontzaglijke eiland weer stuk voor stuk ontdekt worden, en in de 17de eeuw werd de Groenlandsche kust vaak bezocht door Duitsche en Hollandsche walvischvaarders, de zoogenaamde Groenlandvaarders. Maar steeds was de westkust van Groenland het doel der walvischvaarders en ontdekkingsreizigers, daar de oostkust door den onmetelijken stroom van het voortdrijvende poolijs als achter een veilig bolwerk volkomen ontoegankelijk scheen. Pas aan het einde der 18de en vooral in de 19e eeuw drong de geografische onderzoeking ook hier zegevierend door en het succes der Duitsche expeditie lokte een groot aantal poolreizigers naar deze oostkust van Groenland, die tegenwoordig wel beschouwd mag worden als bekend te zijn in haar hoofdomtrekken.
Met twee schepen, de stoomboot „Germania” en het zeilschip „Hansa” stak de Duitsche expeditie den 15den Juli 1869 van Bremerhaven uit, in tegenwoordigheid van Koning Wilhelm van Pruisen, in zee. Maar reeds in het midden van Juli werden de beide schepen, toen zij juist de grens van het poolijs hadden bereikt, van elkaar gescheiden. Het gelukte aan de „Germania” zich tot aan de oostkust van Groenland door te werken; zij bereikte den 5den Augustus 1869 land en drong den 12den Augustus tot 75° 17′ breedtegraad door, waar het ijs den verderen doortocht verbood. Zij trok zich vooreerst terug naar de zuidzijde der Shannon-eilanden, teneinde die wetenschappelijk te onderzoeken en stootte daarbij op muskusossen, van welke het tot dusverre niet bekend was, dat zij zich op Groenland’s oostkust bevonden. Daar de toestand van het ijs ook verder ongunstig was begaf de „Germania” zich aan de zuidzijde der Sabine-eilanden in winter-kwartier, en daar ook de winterstormen geen beweging in het ijs brachten, bleef de expeditie tien maanden op die plaats, om op slede- en boottochten een reeks kuststreken, die tot nog toe niet waren onderzocht, te verkennen.
Zij hadden een uitstekende haven voor overwintering uitgezocht, die door vooruitstekende bergen voor de razende noorderstormen was beschut en geheel ongedeerd bleef van drijfijs en dank zij de vèrziende voorzorgen van den uitnemenden kapitein Koldewey en zijn vier wetenschappelijke medearbeiders, dr. Börgen, eerste luitenant Payer, dr. Copeland en dr. Pansch, werd deze arctische overwintering van tien maanden in de „Germania-haven” een zeer huiselijke idylle.
Op het nabijzijnd vasteland van de Sabine-eilanden werd het voornaamste deel van de proviand opgestapeld en twee observatoria opgericht, een astronomisch en een meteorologisch. Over het dek der „Germania” werd een dichte tent gespannen en die met een laag mos belegd, wat echter niet belette, dat bij dagenlangen heftigen storm, de sneeuw door alle spleten drong en het dek een voet hoog bedekte. De kajuiten werden met vilt, wollen stof en zeildoek bekleed, een vernuftige ventilatie voor de ruimten onder dek werd aangebracht en tijdig drinkwater uit de borrelende beken der nabijzijnde kust gehaald. Het schip werd omgeven door een borstwering van geweldige ijsblokken en een schutting eveneens van ijsblokken leidde naar de observatoria. Om den stand van den stroom gade te slaan en om bij brandgevaar veilig te zijn, werd steeds een gat in het ijsveld opengehouden, een voorzorg, die bij een brand, die in den loop van den winter in de kajuiten uitbrak, schitterend voldeed.
Tot in November werden deze voorbereidingen door prachtig helder winterweer begunstigd. Toen begon gaandeweg de vorst sterker te worden, de dagen werden korter, en den 6en November verdween de zon en de poolnacht van drie maanden daalde op de „Germania” en haar zeventien bewoners. Tot de terugkeer van het daglicht, was de bezetting beperkt tot het schip en de naaste omgeving er van. De bediening der observatoria, die veelvuldig te lijden hadden van het geweld der stormen en de nieuwsgierigheid der ijsberen, en de uitvoering der andere wetenschappelijke observaties was van uur tot uur precies geregeld en slechts aan de pijnlijke nauwgezetheid in het opvolgen dezer voorschriften, was het te danken, dat de hierboven genoemde brand in het achterdek bijtijds werd ontdekt. Om de manschappen bezig te houden, richtten de geleerden der „Germania” een zeevaartschool op, waar de nautische wetenschappen, geografie, astronomie en natuurkunde werden onderwezen, en zelden heeft men in een scheepslogis zooveel gehoord van plus en minus, van macht en wortel als in de kajuiten der Duitsche poolreizigers! Er werd zelfs een „Oost Groenlandsche Courant” opgericht. Zij verscheen elke veertien dagen in twee geschreven exemplaren, bevatte allerhande schertsen, gedichten, toespraken, „officieele bekendmakingen” en droeg niet weinig bij tot het wintervermaak. Voor het Kerstfeest bouwde de timmerman een kunstige denneboom; de takken werden sierlijk getooid met de groene uitspruitsels van de onder de sneeuw groeiende plant Andromeda. Oudejaarsavond werd met rijnwijn, muziek, gezang en dans op het ijs gevierd. Den 3en Februari keerde de jubelend begroete zon weer terug en spoedig had men weer volle werkdagen zonder het vermoeiende lamplicht. Maar daarmede kwam er ook een eind aan het gezellige leven aan boord, en de manschappen gingen in troepjes met sleden uit; tochten, die hun moed en volharding op de zwaarste proef stelden. Bij het volkomen onbewoond zijn der kusten, waren honden en rendierensleden niet te krijgen. Men moest de sleden met bagage en proviand dus zelf over de ijsbergen en sneeuwvelden trekken. Toch gelukte het aan de Duitsche pioniers op vijf zulke reizen met sleden bijna duizend zeemijlen in een onbekend gebied te doorkruisen. Het vreeselijkst waren daarbij de sneeuwstormen, die dikwijls dagenlang de deelnemers van een slede-expeditie in hun nauwe tent vast hielden en tijdverlies veroorzaakten, dat bij de beperkte proviand soms levensgevaarlijk werd.
Was de dagmarsch volbracht, meestal bij het invallen der duisternis, dan werd een geschikte plek op het strand of een ijsvlakte als kampement gekozen. Kleine sneeuwlagen werden met den voet weggeschopt, scherpgekante, vastgevroren blokken, met moeite terzijde geschoven, grootere menigmaal meer dan honderd schreden aangesleept om de touwen der tent er aan te bevestigen, een werk, dat bij storm en 20 graden koude eenige zelfoverwinning kost. Was de slaapzak in de tent uitgespreid, de bagage in orde gebracht, had de kok den ketel met sneeuw volgestopt, de lamp aangestoken en het avondrantsoen uitgedeeld, dan konden ook de andere makkers, die ondertusschen door de toenemende koude hoe langer hoe meer gekweld werden, het nachtkwartier betrekken. De openingen van de tent werden met haken gesloten en men trof de toebereidselen voor den nacht.
De stijve laarzen van zeildoek, die aan de kousen vastgevroren waren, moesten als hoofdkussen dienen, zij werden met de hand ontdooid en met moeite losgescheurd. Daarop de met sneeuw bedekte kousen uitgetrokken, afgekrabd en op de borst bewaard, om door de eenige warmtebron, de eigen lichaamswarmte voor den volgenden dag te worden gedroogd. Eindelijk hebben allen zich in den slaapzak gewrongen, ieder ligt gedeeltelijk op zijn buurman en men wacht, dicht opeengedrongen, op het avondeten. De wind drukt de wanden van de tent naar binnen en maakt de ruimte nog kleiner. Door het weefsel, uit elken naad, door de kleinste opening spat een fijne stroom sneeuwkorrels en valt onafgebroken als meel uit den molen op den slaapzak neer. Hoe dikwijls de sneeuwlaag ook met het mes wordt weggeschraapt, even snel vormt zij zich weer. Dikwijls gebeurt het ook, dat de sneeuw smelt door de verhooging der temperatuur in de tent en dan doordringt tot op de huid.
Met een onverschilligheid, grenzende aan stompzinnigheid, wachten de makkers, dicht op elkaar gedrongen, hurkend, met verstijfde handen handschoenen en kousen herstellend, den baard vol ijs, te midden van dezen chaos van bevroren kleedingstukken en laarzen. De kookpan is lek geworden; de spirituslamp druipt en dreigt de tent met brandgevaar; de vernieling ervan zou bij den woedenden storm het werk van een oogenblik zijn. De kok klaagt, dat hij vandaag zijn vingers verbrandt, die gisteren bevroren waren. Zijn werkzaamheid is aan voortdurende kritiek onderhevig, waartoe de algemeene honger prikkelt. Ieder wacht met ongeduld op het gereedkomen van het eten; rillend, in elkaar gedoken, roept de een of ander: „Peter, kookt het haast, je hebt zeker sneeuw in den spiritus gedaan!”
Waarop Peter dan antwoordt: „Houd je mond! Hebt ge niet leeren wachten?”
De levensmiddelen zijn steenhard bevroren, vleesch in bussen of ham wordt met de bijl stuk geslagen; boter kan men zonder eenige bedenking in het vestjeszakje opbergen, om onder den marsch bevroren te worden opgegeten, want de thermometer in den binnensten jas- of broekzak wijst gewoonlijk nog zes tot tien graden koude.
Eindelijk is na twee uur de maaltijd gereed en wordt gretig en zoo warm mogelijk verslonden. De damp, door het koken ontstaan, maakt, dat men, als in een dampbad, ternauwernood iets van zijn buurman ziet; de wanden der tent worden door en door nat; de vochtigheid der kleeren neemt toe, het opengaan der deur van de tent brengt dadelijk een sneeuwval te weeg, en nadat het koken is geëindigd, is alles bevroren of met een dikke korst sneeuw bedekt. Het kleine rantsoen van een uit rundvleesch en peulvruchten toebereide soep kan den dagelijks toenemenden honger niet stillen, de slaap moet dien, evenals den smachtenden dorst, doen vergeten.
Eindelijk heeft de kok, nadat hij den ketel heeft uitgekrabd, zich ook een plaats in den slaapzak veroverd, en nu kan er ook verder niemand meer in. Het is slechts mogelijk op de zijde te liggen. Vandaag liggen allen links, morgen allen rechts; persoonlijke begeerten, bijvoorbeeld den wensch op den rug te gaan liggen, wekken algemeen protest, evenals elke beweging, zoodra de toestand van verstijving is ingetreden. Uit acht menschen is één klomp geworden!
’s Morgens te 5 uur wordt weer opgebroken; de slappe, zwarte koffie is met ijskoud broodkruim tot een brei vermengd. De bevroren laarzen worden met de hand ontdooid, in de plooien en van buiten van sneeuw bevrijd; zoo ook de tent, die geheel stijf is geworden, en eerst door kloppen buigzaam gemaakt moet worden. Zoo ook de slaapzak, die door de dagelijks toenemende vracht van ijs den spotnaam van „Walrus” heeft gekregen. De doorweekte zeehondenkleeding bevriest buiten dadelijk en aan de haren vormen zich ijsbloemen. Enkelen wrijven hun gezicht met fijne sneeuw om do oogen te verfrisschen, een andere manier om zich te wasschen verbiedt het gebrek aan water. Sleden en tent worden uit de opgewaaide sneeuw uitgegraven en eindelijk kan ieder na twee uren de trekkoorden grijpen, de vurig verlangde verlossing van de pijn van het nachtleger! Het is nog een geluk als de brandstoffen tot het einde van zulk een sledevaart toereikend zijn. Indien de voorraad ten einde raakt, dan moeten de manschappen zich er aan gewennen, het rauwe, nog warme vleesch van gevelde muskusossen te verorberen, en de drang tot zelfbehoud walgde zelfs niet van bosjes haar en de wol der dekens, vermengd met broodkruim, peper en jeneverbessen!
Tot midden Juli werden deze sledevaarten langs de kusten ondernomen, en daarbij 77 breedtegraad bereikt. Toen het poolijs zich echter in beweging zette, moest de „Germania” trachten uit haar winterkwartier los te komen. Een nieuwe voortgang naar het Noorden bleek onmogelijk te zijn, de expeditie gebruikte den overigen tijd tot verdere onderzoeking van de kust; daarbij ontdekten zij den Keizer-Frans Jozeffjord, die diep tot in het binnenste van Groenland voert en aan grootschheid van natuurschoon met de meest romantische Alpenstreken kan wedijveren.
Averij aan den stoomketel maakte, vroeger dan men gedacht had, een eind aan den verderen ontdekkingstocht van de „Germania” en zij konden van geluk spreken, dat zij nog zooveel stoom hadden, om den pas ontdekten fjord te verlaten. Den 17den Augustus lichtte men het anker voor den terugtocht en na twee dagen moeitevol en opwindend heen en weer zeilen door een gordel van pakijs, hoorde de bemanning eindelijk met onbeschrijflijke vreugde de branding van de open zee weer tegen de ijsschollen klotsen. De 10den September liep de „Germania” gelukkig reeds weer den Wezer binnen en landde den 11den September aan haar uitgangspunt Bremerhaven.
9. DOOR IJSBEREN AANGEVALLEN.
Naast de muskusossen, die in tegenstelling van hun leelijk uiterlijk, evenals de schapen, tot wier familie zij behooren, zeer onschuldig bleken te zijn, waren voor de manschappen van de „Germania” de talrijke rendieren gedurende hun overwintering een zeer welkom wild. Daar de oostkust van Groenland geheel onbewoond was, toonden de dieren niet de minste schuwheid voor de voor hen vreemde menschen en liepen vaak regelrecht voor het geweer; zelfs de poolvossen, die dikwijls rondom het schip slopen, waren zoo tam, dat ze zich met de hand lieten streelen.
Bedenkelijk en met het vorderen van den winter steeds gevaarlijker werden echter de bezoeken van de ijsberen, en de bemanning van de „Germania” had ruim gelegenheid op te merken, dat deze roofdieren volstrekt geen winterslaap hielden, zooals men vroeger meende. Steeds meer lieten de ongenoode gasten zich in de nabijheid van het schip zien, vanwaar hun allerhande heerlijke geuren tegemoet stroomden en het kwam zoo ver, dat de „Germania” gewoon belegerd werd door een kring van deze gevaarlijke dieren, en niemand meer zonder geleide ook maar eenige schreden het schip kon verlaten.