Part 11
Maar Parijs! Klinkt dat niet als een zegelied, als een fanfare, opstijgend te midden eener jubelende menigte? Het klinkt als het luiden van zilveren klokjes te midden van witte paleizen. Het roept en lokt den vreemdeling naar de vroolijkste aller steden; het toont hem theaters waar de kunst als een godsdienst wordt beleden, het herinnert hem aan de fijnste beschaving, het tintelendste vernuft en de diepste wijsheid, die ooit een stad heeft tentoongespreid. De naam Parijs roept de herinnering te voorschijn aan roemrijke oorlogen, schitterende triomftochten; maar ook aan belegeringen, bestormingen en bloedige omwentelingen, aan onuitputtelijke kracht en rijkdom, zelfopoffering en geestdrift, wanneer het ging om de verdediging van het vaderland. Nog steeds schijnt de zon over Parijs te stralen, ook op sombere dagen viert er de levensvreugde hoogtij. En zoo is Parijs eeuwig jong, hoewel het reeds ten tijde van Ceasar een stad van beteekenis was.
Het moge zoo zijn dat Londen in zekeren zin het middelpunt der aarde is; het moge zijn dat de Engelsche taal heerscht op de zeeën en in de havens; maar toch was steeds Parijs de hoofdstad der wereld, en was het Fransch de wereldtaal, en nog heden is ’t de taal der diplomatie. Naar Parijs trekken de kunstenaars, beeldhouwers en schilders om zich te vormen; in Parijs hebben kunsten en wetenschappen een buitengewone hoogte bereikt; na Bologne bezit Parijs de oudste academie ter wereld. Op het punt van verfijnden smaak en weelde, ook in de kunst zijn de Franschen ongeëvenaard, en wat kleeding, kookkunst en wijnkelder betreft, daarin schreven zij de andere volken de wetten voor!
Vanaf Calais reist men zuidwaarts door een der vruchtbaarste streken van Frankrijk. Steden en dorpen, akkers en boomgaarden en gehuchten volgen elkaar op in bonte afwisseling. Als een geweldige zeshoek ligt Frankrijk tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee; ver in het Westen strekt zich het eeuwenoude Normandië uit, het land dat herinnert aan de strooptochten der Noormannen en de veroveringen op de kusten van Europa der Vikingers in overoude tijden; zelfs bedreigden ze Parijs, maar de stad werd voor een losprijs voor verwoesting bewaard.
Vier eeuwen lang beheerschten de Romeinen Frankrijk, totdat de West Gothen, de Bourgondiërs en de Franken het land veroverden. Onder de Bourbons werd het de kweekplaats der vreeselijke revolutie, die de maatschappij met al haar misstanden omver wierp, en die den grondslag legde voor een nieuwen tijd; van hieruit verspreidde zich over de geheele beschaafde wereld het streven naar „Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap”. Voorwaar, we betreden hier een belangwekkenden historischen bodem.
30. EEN WANDELING DOOR DE SEINESTAD.
We bevinden ons nu in de wereldstad waar de Seine een wijden boog beschrijft, om verder noordwestwaarts langs Rouaan te stroomen en bij Le Havre in de zee uit te monden. Het eerste wat ons opvalt zijn de boulevards, prachtige straten, met schaduwrijke boomen beplant, met aan weerszijden groote paleizen, theaters, café’s en winkels. De naam boulevard beteekent bolwerk, en de oudste boulevards waren dan ook niets anders dan vestingwallen. Lodewijk de XIII liet in de 17e eeuw ter verfraaiïng en uitbreiding der hoofdstad, deze bolwerken slechten, en in de plaats daarvan de eerste moderne boulevards aanleggen. Zij vormen noordelijk van de Seine een doorloopende reeks met verschillende namen: Boulevard de la Madeleine, des Capucines, des Italiens en Montmartre, en deze boulevards vormen een der hoofdaderen van Parijs. Hier bevindt men zich temidden van het gewemel van automobielen, omnibussen, huurrijtuigen, equipages en een onophoudelijken menschenstroom.
Later werden ook daar, waar oorspronkelijk geen vestingwallen waren, boulevards aangelegd; onder Lodewijk XIV en diens opvolgers nam Parijs aan grootte en luister toe, en ten tijde van Napoleon I was het ’t hart van het machtigste rijk ter wereld. Na den val van Napoleon werd het tweemaal door Frankrijk’s vijanden veroverd. Napoleon III verfraaide en verbeterde de stad, als nooit te voren geschied was. In 1871 namen de Duitschers Parijs in, en in hetzelfde jaar werd het door de oproerige benden der Commune bezet. Het gepeupel verwoestte tal van prachtige paleizen, musea en gedenkteekenen. Ook de reusachtige Vendôme-zuil, een herinnering aan Napoleon’s overwinningen werd bij deze gelegenheid omvergehaald.
Sedert dien tijd is Parijs voor verwoestingen gespaard gebleven. Maar nog steeds gaat het levendig toe in die stad, waar koningen, keizers en presidenten elkaar afwisselen en waar ministers nooit langen tijd achtereen hun post behouden. Nog heden is Parijs de stad der verrassingen, en dagelijks volgt de geheele wereld met gespannen aandacht de nieuwtjes die van daaruit bericht worden.
We moeten ons met een snelle wandeling door Parijs tevreden stellen. We kiezen daarvoor den noordelijken oever der Seine en doorkruisen de stad van het zuidoosten naar het noordwesten. We beginnen onze wandeling waar eertijds de Bastille, tegelijk vesting en staatsgevangenis, stond. Deze werd bij het begin der groote revolutie den 14den Juli 1789 bestormd en verwoest en sedert is die dag de nationale feestdag der Franschen gebleven. Tegenwoordig verheft zich in het midden van het plein de Juli-kolom, opgericht ter eere van hen die in de Juli-revolutie van 1830 op de barricade gevallen zijn.
Van hieruit volgen we de Rue de Rivoli, een der grootste en mooiste straten van Parijs. Links is het stadhuis, een grootsch bouwwerk in renaissance-stijl, in welks prachtige zalen schitterende feesten gehouden worden. Het bevat vele schilderstukken van beroemde meesters.
Iets verder verheft zich het grootste openbare gebouw van de stad, het Louvre, van de middeleeuwen af, tot aan de dagen van Napoleon III, de residentie van Frankrijk’s koningen en keizers, het schitterendste paleis der wereld; tegenwoordig bevat het twee groote ministeriën en een der grootste musea. Om alles wat het bevat nauwkeurig te bezien, heeft men, evenals in het Britsch museum, dagen en weken noodig, zoo niet maanden en jaren! Kolossale verzamelingen zijn hier opgehoopt, niet slechts herinneringen aan de groote rijken der oudheid, van Azië en Europa, maar ook het beste en kostbaarste wat Europa door alle tijden heen aan kunst heeft opgeleverd.
In noordwestelijke richting gaan we door het park der Tuilerieën, en vertoeven een oogenblik op de Place de la Concorde, om te genieten van het prachtige uitzicht dat men hier naar alle kanten heeft, de rivier met haar kaden en bruggen, de parken en lanen, de machtige gebouwen, wonderen van bouwkunst, de talrijke pleinen en de onafgebroken stroom van levenslustige mannen en elegante vrouwen, die naar de laatste mode gekleed zijn.
In dit deel van Parijs vormen de pleinen, plantsoenen en parken een onafgebroken reeks.
Van de Place de la Concorde komen we thans in de Champs Elysées, een twee kilometer lange allée. Op de breede paden verzamelt zich de voorname wereld in schitterende equipages en prachtige automobielen, te paard of te voet. Des avonds zijn al deze pleinen, straten en parken schitterend electrisch verlicht, zoodat ook dan het oog overal door prachtige vergezichten geboeid wordt. Aan de noordzijde der Champs Elysées woont in het Elysée-paleis de president der republiek. Den 14den Juli ontvangt hij ieder, die in het bezit is van een visitekaartje en een rok.
Wanneer we de breede straten in noordwestelijke richting vervolgen, komen we aan de Place de l’Etoile, waarop twaalf avenue’s of groote straten uitkomen. Een daarvan, het vervolg der Champs Elysées is genoemd naar het leger van Napoleon, en voert naar het Bois de Boulogne. In het midden van de Place de l’Etoile verheft zich een vijftig meter hooge triomfboog, opgericht ter herinnering aan de overwinningen van den Corsicaan. Vanaf dezen triomfboog overziet men de twaalf straten die aan den voet samenkomen; vanaf die hoogte lijkt het gewoel daar beneden op het gekrioel in een mierenhoop.
We begeven ons thans naar de Pont d’Iéna waar tegenover, op den anderen oever der Seine de Eiffeltoren zich driehonderd meter boven Parijs verheft. De Eiffeltoren is het hoogste bouwwerk dat ooit door menschenhanden werd opgericht; met zijn driehonderd meter is deze toren ongeveer tweemaal zoo hoog als de dom te Keulen en als de hoogste pyramide van Egypte. Op het tweede platform zijn we al meer dan honderd meter boven de stad; maar de heuvels rondom Parijs beletten nog het vrije uitzicht. Wanneer de lift ons echter op het derde platform gebracht heeft, bevinden we ons op een hoogte van 276 meter boven den grond, en in de diepte zien we de Seine met haar talrijke bruggen en we overzien de stad met haar tallooze straten en haar 140 pleinen en parken. Langs een trap komen we nog tot heel boven in den toren, en in de spits straalt des nachts een licht dat zeventig kilometer ver zichtbaar is. Alleen zij, die geen last hebben van duizeligheid kunnen het wagen om over de borstwering naar beneden te zien, naar de pijlers van het ijzeren gevaarte; en vooral niet wanneer het hard waait en de groote toren merkbaar heen en weer schommelt. Men behoeft niet in een luchtballon op te stijgen om Parijs in vogelvlucht te zien; vanaf den Eiffeltoren ziet men de geheele stad als een uitgerolde kaart aan zijn voeten liggen.
31. HET GRAF VAN NAPOLEON.
Van de duizelingwekkende hoogte van den Eiffeltoren zijn we gelukkig weer beneden aangeland, en we begeven ons over het Marsveld naar het Invalidenhuis. Vroeger bewoond door duizenden invaliden van het Fransche leger, herbergt het thans slechts historische herinneringen.
Onder den vergulden koepel der Dôme des Invalides, die bijna vanaf elk punt der stad zichtbaar is, komen we in een ronde zaal; waarvan het midden bestaat uit een crypta. Deze is eveneens rond, heeft een diepte van eenige meters en is naar boven toe open. Op den bodem leest men in mozaïek de beroemde namen: Rivoli, Pyramiden, Marengo, Austerlitz, Jéna, Friedland, Wagram en Moskou. Twaalf marmerbeelden, die even zoovele overwinningen voorstellen, houden de wacht om de machtige sarcophaag uit rood Siberisch porfier, die de asch van Napoleon bedekt. Een zacht blauw licht beschijnt de crypta. Ook het levendigste Fransche gesprek verstomt bij het betreden van Napoleon’s grafkamer. Diepe stilte omgeeft het stoffelijk overschot van hem, die tijdens zijn leven de wereld vervulde van het gedonder van zijn geschut, en het wapengekletter zijner legioenen, en die binnen verloop van enkele jaren de kaart van Europa volkomen veranderde.
De plechtige stilte, de verheven bouwstijl, en het schemerachtige licht oefenen een aangrijpenden invloed uit op het gemoed van den toeschouwer. Hoevele beelden worden niet voor ons geestesoog te voorschijn geroepen! Onwillekeurig verwacht men de echo te hooren weerklinken der commando’s, die eertijds van den grooten keizer uitgingen!
We zien een blauwoogig kind spelen aan den schoot zijner moeder te Ajaccio. Dan hooren we hoe de jonge revolutionnair geestdriftige redevoeringen houdt in de geheime clubs te Parijs. Bleek en ernstig zien we de gestalte van den zes-en-twintig jarigen generaal voorbij schrijden; na tal van roemrijke overwinningen komt hij terug uit Italië, waar hij als een stormwind was komen neerstrijken in de vlakte van Lombardije, waar hij als overwinnaar zijn intocht hield te Milaan, en waar hij de overoude republiek Venetië voor altoos van de onafhankelijkheid beroofde.
Ginds voor het altaarvenster verheft zich het beeld van den gekruisten Heiland. Het leidt onze gedachten naar den tocht van het keizerlijke leger naar Egypte en het Heilige Land. Frankrijk’s grootste generaal voert de vloot uit de haven van Toulon. Hij ontkomt aan de oorlogsschepen van Nelson, verovert Malta, vaart langs Kreta en Cyprus en landt met 40000 man in Alexandrië. Op den weg naar Kaïro versmachten de soldaten in de dorre woestenij. Bij den Nijl komt het tot een treffen met het Egyptische leger, en aan den voet der pyramiden moet het Oosten zich buigen voor den held van het Westen.
In oostelijke richting vervolgt het leger zijn weg naar Syrië. Vijf eeuwen waren voorbijgegaan sedert de kruisvaarders gepoogd hadden het Heilige Graf aan de ongeloovigen te ontrukken. Nu kletteren wederom de wapenen van het avondland in het Jordaandal en aan den voet van den berg Tabor, en voor de poorten van Nazareth worden de Turken door den Franschen generaal verslagen. Maar, intusschen heeft Nelson de Fransche vloot vernietigd, de keur van het republikeinsche leger heeft den dood gevonden. Napoleon’s droom van een rijk in het morgenland, is in den rook van het laatste wachtvuur verdwenen. Met twee fregatten verlaat hij Egypte, zeilt langs Tripolis en de kusten van Tunis, en komt met gedoofde lichten, behouden door de straat van Gibraltar heen. Bij zijn aankomst te Parijs begroet hem het volk met stormachtigen jubel.
Geleidelijk raakt het oog gewend aan het schemerduister in den koepel der Invaliden en de witte zuilen en marmeren beelden geven onze gedachten een andere wending. De Alpen passen, de St. Bernard, de St. Gothard, de Mont Cenis en de Simplon, de hoogste bergtoppen van Europa, worden door Napoleon met zijn vier armeecorpsen getrotseerd! Soldaten trekken de kanonnen door de sneeuwvelden; en eerst op Italiaanschen bodem scharen ze zich weer in ’t gelid. Bij Marengo oogsten de vanen van Frankrijk nieuwe lauweren, en het lot van geheel Europa berust in handen van Frankrijk’s grootsten held.
„Austerlitz” lezen we in het mozaïek der crypta. Frankrijk’s keizer is opgetrokken naar Mähren, en zijn legioenen strijden onder den vergulden adelaar. De garde-cavalerie rijdt de Russische garde onder den voet, en Napoleon’s leger vernietigt de vereenigde strijdmachten van Oostenrijk en Rusland; de Fransche artillerie beschiet de bevroren oppervlakte van een meer, zoodat de vijand met kanonnen, wagens en paarden omkomt.
Welke nieuwe echo stijgt thans uit de crypta omhoog? „Jena!” Waar de Pruisen verslagen werden, waar hun land tusschen Elbe en Oder onder het vreemde juk gebracht, hun vestingen geslecht werden; Erfurt, Maagdeburg, Stettin en Lübeck geven zich over, terwijl de overwinnaar zijn intocht houdt in Berlijn, de residentie van Frederik den Grooten!
Dan dreunen de voetstappen der scharen door Poolsche straten, op de bloedige slagvelden bij Pultusk op den oostelijken oever van den Weichsel en bij Eylau in West-Pruisen, waar de lijken opgehoopt in de diepe sneeuw liggen. Napoleon zelf snelt op zijn schimmel voort na den slag bij Friedland in Oost-Pruisen, waar de Russen verslagen werden. Met getrokken sabel defileeren garde-cavalerie en huzaren, en nog heden trilt de naklank van hun geestdriftigen jubel om de vaandels van de sarcophaag, en langs de heirwegen van Europa weerklinkt het hoefgetrappel der paarden: het zijn de boden, die de gemeenschap onderhouden tusschen het hoofdkwartier en Parijs.
Napoleon trekt op Weenen aan, en dreigt Oostenrijk te verpletteren. Hij overwint in den bloedigen slag bij Wagram, noord-oostelijk van Weenen; hij maakt zelfstandige rijken tot provinciën van Frankrijk, hun beheerschers tot Fransche vazallen, en deelt koningskronen uit onder zijn bloedverwanten, vrienden en generaals. Zijn rijk strekt zich thans uit van Danzig tot Cadix, van de Elbe tot aan den Tiber, als eertijds het rijk van Karel den Grooten! De macht van den Corsikaan is uitgebreid, en zijn rijk is gevestigd zooals van geen sedert de helden van het oud Romeinsch rijk.
Bajonetten en sabels, kurassen en helmen flikkeren in het zonlicht—Napoleon’s onoverwinnelijke heirscharen trekken over den Njemen, een half millioen soldaten rukt op tegen Moskou, Rusland’s oude hoofdstad. Onafzienbare scharen, tallooze kanonnen en een eindelooze legertros trekt voort over de Russische wegen van Wilna naar Witebsk en Smolensk. De Russen weten het: het gaat om hun vrijheid. Ze verbranden hun eigen steden en dorpen; ze verwoesten hun land, en trekken zich terug naar het binnenland, zooals ze het reeds een eeuw vroeger deden, toen Karel XII van Zweden in Rusland binnendrong. Eindelijk komt het tot een slag aan de Moskowa, en het Fransche leger bezet de stad. Maar dan verlichten de vlammen van het brandende Moskou ver in het rond de Septembernachten!
Op een der terrassen van het Kremlin staat een kleine man in grauwe wapenrok, de handen op den rug staart de keizer nadenkend in de vlammen en de rookwolken, die over de stad heen rollen. In een week is het oude heiligdom der Moskovieten in vlammen opgegaan.
Daarbuiten, in de straten van Parijs, is de schemering neergedaald, en de schaduwen tusschen de zuilen rondom Napoleon’s graf worden dichter. Maar uit deze schaduwen doemen menschelijke gedaanten op, die worstelen met honger, koude en uitputting. De tijden van tegenspoed zijn aangebroken! Het groote leger bevindt zich op den terugtocht. Aan den kant der wegen liggen de lijken, weggeworpen wapenen en achtergelaten bagage. De kanonnen blijven steken in de diepe sneeuw, en de soldaten storten bij geheele regimenten neer als rijpe aren onder de sikkel. Scharen hongerige wolven volgen hun spoor, ze vergenoegen zich met de lijken, terwijl de kozakkenbenden de overlevenden neerhouwen. Bij den overtocht over de Beresina, een zijrivier van den Dnjepr, komen 30.000 man om! Alle gehoorzaamheid en discipline is verdwenen.
Gekleed in een pels, een stok in de hand marcheert de overwonnen keizer als een gewoon soldaat in ’t gelid mee. Het barre klimaat is de sterkste bondgenoot der Russen, en hun voorzichtige taktiek doet het overige om het Fransche leger geheel te vernietigen.
Nu heerscht bijna duisternis om ons heen. Bij Leipzig staan Russen en Oostenrijkers, Pruisen en Zweden tegenover Napoleon. Hier stort zijn trotsch rijk als een kaartenhuis ineen; zelfs Parijs wordt veroverd, en de kroon wordt aan zijn hoofd ontrukt! Als gevangene voert men hem door het Rhônedal over Lyon naar de zee, en per schip naar Elba.
Maar nog is de kracht van dezen man niet uitgeput. Nog eenmaal vervult zijn naam de wereld met angst. Vergezeld van zeven kleine schepen zet hij koers naar Frankrijk’s kusten! Hij trekt over de West-Alpen; in Lyon wordt hij begroet als keizer, en Parijs opent hem de poorten.
Thans staat alles op het spel; in België zal de beslissende slag plaats vinden. Wederom vereenigen zich aan Frankrijk’s grenzen de vijandelijke legers. Europa is eindelijk den voortdurenden krijg moede, het besluit tot een beslissenden slag. Bij Belle-Alliance (Waterloo) strijdt Napoleon voor het laatst, hier wordt zijn lot voor immer bezegeld.
Nog eens verlaat de keizer zijn hoofdstad—nu voor altijd. In de haven Rochefort, tusschen de monden van Loire en Garonne gaat hij aan boord van een Engelsch fregat. Na een zeereis van zeventig dagen wordt hij op St. Helena, een klein eiland in het zuidelijk deel van den Atlantischen Oceaan, aan land gezet, om daar zijn zes laatste levensjaren in harde gevangenschap door te brengen! Onder de wilgen in een dal delft men zijn graf.
Nu heerscht volslagen duisternis in de Dôme des Invalides. Duister ontwaakt de werkelijkheid rondom ons. Negentien jaren na zijn dood vordert Frankrijk het stoffelijk overschot van zijn held op. Het eenzame graf op St. Helena wordt geopend, de viervoudige lijkkist wordt ontsloten in tegenwoordigheid van eenige getrouwen, die gedurende zes lange jaren des keizers gevangenschap gedeeld hebben; in de groen-witte uniform der garde ligt de overwinnaar van Marengo en Austerlitz, onveranderd als op zijn sterfbed voor hun oogen!
Dan brengt men het lijk op een Fransch fregat, de kanonnen donderen, de vlaggen waaien halfstok. In Cherbourg, in Normandië wordt de lijkkist aan land gebracht, en nog eenmaal houdt de veroveraar van Europa, onder militair eerbetoon, ten aanschouwe van geheel Frankrijk zijn intocht in Parijs. Door zestien met rouwfloers bekleede paarden getrokken, begeleid door de oudgedienden uit zijn veldtochten, rijdt de lijkwagen met keizerlijke pracht tusschen dichte rijen van soldaten onder den triomfboog der Place de l’Etoile door langs de Champs Elysées naar de Dôme des Invalides, om daar in de sarcophaag van porfier te worden bijgezet.
Zoo werd de laatste wil van den wereldveroveraar, neergeschreven op St. Helena, vervuld: „Ik wensch dat mijn stof moge rusten aan de boorden der Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoozeer heb liefgehad.”
32. AAN DEN OEVER VAN HET MEER VAN GENEVE.
Slechts noode verlaat de vreemdeling Parijs, maar de gedachte op weg te zijn naar het zonnige Italië, maakt hem het afscheid minder zwaar, wanneer hij op zijn tocht oostwaarts door het venster van zijn spoorwegcoupé, de heuvels en dalen van Champagne, het land vanwaar de bekende wijn komt, aanschouwt. Overal bebouwde velden, dorpen en boerderijen, waar de bodem ongeschikt is voor den akkerbouw, daar grazen groote kudden vee. Allerwege ziet men arbeiders op het veld; het bedrijf der kleine grondbezitters, boeren en burgers vormt de bron van Frankrijk’s welvaart.
Thans naderen we de grens. De sterke vesting Belfort is de laatste Fransche stad, kort daarop zijn we in den Elzas. Nauwelijks een menschenleeftijd geleden waren deze streken het tooneel van gewichtige gebeurtenissen. Het was de tijd van den Fransch-Duitschen oorlog; na een dappere verdediging moest Frankrijk het onderspit delven. Het verloor hierbij twee van zijn bloeiendste provinciën. Nog heden ten dage doet men goed de namen dezer provinciën: Elzas en Lotharingen, in Fransche kringen niet te noemen. Ze wekken smartelijke herinneringen op. Deze beide provinciën zijn echter in 1919 bij den vrede van Versailles weder aan Frankrijk toegewezen. Frankrijk was niet voor een oorlog toegerust, en had zijn leger en vestingwerken verwaarloosd. In een staat die ten strijde toegerust is, bloeit de vrede. Zoodra daarentegen een volk luistert naar de inblazingen van idealistische droomers die de leuze van ontwapening en eeuwigen vrede prediken, dan is zijn lot beslist, en dan zal vroeg of laat het volk zich bukken onder het juk van vreemde tyrannen. Zoo was het steeds, en zoo zal het ook immer blijven. De tijd van het duizendjarig rijk is nog lang niet aangebroken!
Wederom passeeren we de grenzen, en wel van Zwitserland, het nijvere Alpenland. De trein houdt stil in Bazel, de stad die den Rijn in tweeën splitst. Van den „Bodensee” komend, stroomt het heldere water onder Bazel’s bruggen door, om vervolgens in een rechten hoek naar het noorden af te buigen en zijn loop tusschen Vogezen en Scharzwald te vervolgen. Onze plaats van bestemming is Genève. De spoorweg loopt door een nauw dal langs een zijrivier van den Rijn, de Birs. Het is winter, en het landschap is met een effen kleed van sneeuw bedekt, nauwelijks ziet men de kleine dorpjes die in de dalen verspreid liggen. Aan weerszijden verheffen zich de dennenbosschen; een dikke sneeuwlaag buigt de takken der boomen naar omlaag. Wanneer het dal niet zoo nauw was, en zich in het Westen niet een bergketen verhief, zou men zich in Zweden verplaatst wanen. Die bergketen is de Jura, die de scheiding vormt tusschen Zwitserland en Frankrijk.
Hier liggen na elkaar drie meren. Het kleinste heet het Bieler-meer; het volgende is grooter en heet naar de stad Neuenburg; het laatste is het groote meer van Genève dat we bij Lausanne bereiken.
Hier houdt de sneeuw op, en in het Zuiden schitteren de Alpen van Savoye, terwijl de zonnestralen door het heldere watervlak weerspiegeld worden. Deze aanblik behoort tot het schoonste wat de aarde te aanschouwen geeft, en men blijft in bewondering verzonken, terwijl de trein langs het meer voortsnelt. Het meer gelijkt in vorm op een dolfijn die op het punt staat onder te duiken; bij den kop van den dolfijn ligt Genève, en hier verlaat de Rhône het meer, die verder naar Lyon stroomt om vervolgens vlak ten westen van de groote havenstad Marseille in de Middellandsche Zee uit te monden.
Genève is een der sierlijkste en schilderachtigste steden der wereld. Tusschen de noordelijke en zuidelijke helft der stad wordt het kristalheldere water, als door een trechter in de Rhône gestuwd, de stroom is sterk, en wordt door een langwerpig eiland in tweeën gedeeld. Het geheel herinnert levendig aan Stockholm; in ’t bijzonder ’s avonds wanneer overal het electrisch licht door den voortglijdenden stroom weerspiegeld wordt.
Het prachtigst is echter het uitzicht naar het zuidoosten bij helder weer. Daar verheffen zich de Alpen van Savoye met hun schitterende, met sneeuw bedekte kruinen en bergruggen. Daar troont boven de Alpen, ja boven geheel Europa in trotsche majesteit de Mont-Blanc, die den grenspaal vormt tusschen Zwitserland, Frankrijk en Italië. Tegen den avond krijgen we den „Witten Berg” even te zien, maar spoedig hult zich de reus weder in een ondoordringbaren mantel van nevel.