Part 21
Vroeg in den morgen van 30 April bracht het opperhoofd Tschitambo zijn gast een bezoek, maar Livingstone was te zwak om met hem te kunnen spreken. Toen ’s avonds de mannen zich ter ruste hadden begeven, werd Soesi te elf uur bij zijn heer geroepen. Uit de verte weerklonk luid geschreeuw; Livingstone vroeg aan Soesi of zijn manschappen zulk een leven maakten. Toen hij hoorde, dat die sliepen, zeide hij:
„Ik hoor aan de kreten, dat de lieden een buffel uit hun durrhaveld verjagen.”
Na een poosje zeide hij:
„Is dat de Loeapoela?”
„Neen,” antwoordde Soesi, „wij zijn in het dorp van Tschitambo.”
„Hoeveel dagreizen zijn het nog tot de Loeapoela?”
„Ik geloof drie dagen,” antwoordde Soesi.
Na een poosje zuchtte Livingstone diep en zeide:
„O, lieve, lieve God!”
Daarna verloor hij het bewustzijn.
Te middernacht riep Majvara Soesi weer bij den zieke, die een poeder wilde innemen. Nadat Soesi hem daarmede had geholpen, zeide hij: „Nu kunt gij gaan.”
Te vier uur in den morgen van 1 Mei 1873 riep Majvara den bediende Soesi weer en verzocht hem dadelijk te komen. „Ik ben bang, ik weet niet of onze heer nog leeft.” Soesi riep Tschoema, en eenige anderen, en zij snelden naar de hut van Livingstone. Deze lag geknield naast zijn bed, het hoofd gebogen op de gevouwen handen. Zoo hadden zij hem dikwijls gezien, verdiept in het gebed, en daarom trokken zij zich in eerbiedig zwijgen terug. Maar het was er hen vreemd bij te moede, en toen niets zich bewoog, naderden zij zachtjes; Livingstone ademde niet meer! Een van de bedienden raakte de wangen van den knielende aan, zij waren koud. De apostel van Afrika was dood!
Diep bedroefd legden zijn bedienden hem op zijn bed en gingen daarna naar buiten om te beraadslagen.
Juist begonnen de hanen in het dorp te kraaien, en een nieuwe dag brak over Afrika aan. Zij gingen de hut van Livingstone weer binnen om zijn bagage te regelen. Allen die hem vergezelden, waren er bij tegenwoordig om gezamenlijk de verantwoording te dragen. Met bijzondere zorg legden zij de dagboeken en brieven van den dokter, zijn bijbel en zijn instrumenten in ijzeren kisten, om ze voor vocht en witte mieren, die anders alles vernielen, te beschermen.
Wat nu? Soesi en Tschoema wisten welk een ontzaglijke taak hen wachtte. Zij kenden den afschuw der inboorlingen voor een lijk; de inboorlingen meenen, dat de geesten in het doodenrijk aan niets anders denken dan aan wraak en slechtheid. Daarom beproeven zij door bezweringen deze geesten te kalmeeren, opdat zij de levenden niet door oorlog, misgewas of ziekte bezoeken. Maar Soesi en Tschoema, die gedurende de laatste zeven jaren de voortdurende metgezellen van Livingstone waren geweest, voelden hun verantwoordelijkheid ook zeer. Zij onderhandelden met de dragers, die Stanley van uit Zanzibar had gezonden. Dezen zeiden: „Gij zijt onder reizen en inspanning oud geworden, daarom moet gij onze opperhoofden zijn, en wij beloven u te zullen gehoorzamen.”
Soesi en Tschoema namen nu het opperbevel op zich over den troep. En zij volvoerden een heldendaad, die in de geschiedenis van alle ontdekkingsreizen haar weerga niet heeft.
58. DE LIJKSTOET VAN EEN HELD.
Vooreerst besloten de geleiders van Livingstone, dat de dood van hun meester een geheim zou blijven, want als Tschitambo er achter kwam, was te vreezen, dat hij de karavaan een bovenmatige groote schatting zou laten betalen, en daardoor den tocht naar de kust onmogelijk zou maken. Bovendien besloten de lieden hun gestorven heer, den geheelen weg naar Zanzibar te dragen! Intusschen zou er op eenigen afstand van het dorp een hut worden gebouwd, opdat men ongestoord voorbereidselen voor de lange reis zou kunnen maken. Tschoema vroeg aan het opperhoofd Tschitambo de toestemming voor den bouw en verkreeg die ook dadelijk.
In den loop van den dag verbreidde zich in het dorp het gerucht van den dood van Livingstone en Tschitambo kwam zichzelf overtuigen. „Waarom hebt gij mij de waarheid niet gezegd?” vroeg hij aan de mannen, „ik weet dat uw meester vannacht is gestorven. Gij waart bang het mij te zeggen, maar ik heb ook reizen gemaakt, en ben meer dan eens aan de kust geweest. Ik weet, dat gij bij uw bezoek in ons land slechts goede bedoelingen hebt gehad, en de dood overvalt vaak reizigers op hun tochten.”
Gerustgesteld door deze woorden, deelden zij aan het opperhoofd mede, dat zij plan hadden den doode tot aan Zanzibar te dragen. Dat was onmogelijk verzekerde Tschitambo en hij raadde hun dringend aan, Livingstone op de plaats zelf te begraven. Den volgenden dag bracht Soesi het opperhoofd een rijk geschenk en later kwam deze aan het hoofd van zijn geheelen stam naar de nieuwgebouwde hut. Met een rooden katoenen lap had hij zijn schouders versierd en om het lijf droeg hij een rok van zelf geweven linnen, die hem tot aan de enkels reikte. Zijn metgezellen droegen bogen, pijlen en speren. Nu weerklonken luide klaagliederen rondom de baar, en tromgeroffel weergalmde dof in de omgeving. Daarna werd de baar in een hooge en sterke omheining geplaatst, opdat geen wilde dieren aan het lijk zouden kunnen komen.
Livingstone was bij zijn dood zoo in elkaar geschrompeld, dat zijn lichaam nog slechts uit huid en beenderen bestond. Ingewanden en hart werden er uit genomen en in een blikken bus diep in de aarde begraven. Een christen onder de bedienden sprak de gebeden. Het lichaam werd met zout opgevuld en veertien dagen aan den zonnegloed blootgesteld, om te drogen en de verrotting te ontgaan. Daarna werden de beenen van af de knieën naar achteren gebogen en het lijk stevig in katoen genaaid. Een boom ontdeed men van den bast, en daarin schoof men het lijk, snoerde het geheel met koorden bijeen en bevestigde het pak aan een stang, om het gemakkelijker te kunnen dragen. In een boom werd de naam van Livingstone ingesneden en den datum van zijn dood, en de treurende bedienden verzochten Tschitambo de struiken rondom den boom te laten neerhouwen, opdat hij bij een grasbrand niet in vlammen zou opgaan.
Toen alles gereed was, hieven twee mannen den kostbaren last op hun schouders, de anderen namen hun bagage op den rug en zoo begon een tocht, die negen maanden zou duren; de eigenaardigste lijkstoet waarvan de geschiedenis vertelt! De weg ging nu eens door vriendelijk-, dan weer door vijandig-gezinde stammen, en eens moest de karavaan zich een doortocht afdwingen.
Ondanks alle vermomming snelde het gerucht van den dood van den grooten zendeling hen overal vooruit, en verbreidde zich door geheel Afrika. In eenige streken vluchtten de lieden uit vrees voor den griezeligen lijkstoet; in andere kwamen ze haastig aanloopen om deze zonderlinge karavaan te bekijken. De apenbroodboomen strekken hun takken over den weg uit, alsof ze een troonhemel wilden vormen boven de terugkeerende overwinnaars, en de palmen, de zinnebeelden van den vrede en de opstanding, hielden aan den weg trouw de wacht. De eene mijl na de andere trok men, zoo onder het groene loof, naar het Oosten.
In Tabora ontmoette de karavaan een Engelsche expeditie, die Livingstone hulp zou brengen, en de aangekomenen luisterden nu diep getroffen naar het bericht van de bedienden. Maar van het voorstel, den doode in Tabora te begraven, wilden Soesi en Tschoema niets weten. Eenige dagen later stieten de reizigers op ernstigen tegenstand; een stam verbood hen, omdat zij het lijk meedroegen, den doortocht. Zij hielpen zich met een list. Zij maakten een pak gereed, gelijk aan dat van het lijk en gaven voor naar Tabora te willen terugkeeren om hun heer daar te begraven. Eenigen trokken nu met het voorgewende pak af, namen het op zekeren nacht uit elkaar, verstopten het in dichte doornenstruiken en keerden daarna naar hun makkers terug, die intusschen aan het noodlottige pak een ander aanzien hadden gegeven, zoodat het nu op een baal goed geleek. Daarmede waren de inboorlingen tevreden en lieten hen nu ongehinderd verder trekken.
In Februari 1874 bereikte men Bagamoyo en de doode werd door een kruiser naar Zanzibar en van daar uit eindelijk naar Engeland gebracht. In Londen twijfelde men er echter aan, of deze doode werkelijk Livingstone was. De eene gebroken, weer slecht aangegroeide arm, die voor jaren door den leeuw in Mabotsa zoo was toegetakeld, moest daarom de identiteit van den doode bewijzen. Nu werd Livingstone onder de helden van de Engelsche natie in de Westminster Abdij, midden in het hoofdschip der kerk, begraven. Onder de dragers van het lijkkleed bevond zich ook Henry M. Stanley. Het graf is gedekt door een zwart granieten plaat met de woorden: „Hier rust, door trouwe handen over land en zee gedragen, David Livingstone, zendeling, ontdekkingsreiziger en menschenvriend, geboren den 19 Maart 1813 in Blantyre, gestorven 1 Mei 1873 in het dorp Tschitambos. Dertig jaren van zijn leven offerde hij in onvermoeiden arbeid aan de verbreiding van het Evangelie onder de inboorlingen, aan de navorsching naar niet ontdekte geheimen en aan de uitroeiïng van den verderfelijken slavenhandel in Midden-Afrika.”
Nu nog denken de inboorlingen met dankbare herinnering aan het Witte Hart, aan den Helper der menschen, zooals zij Livingstone noemden, en verheugen zich, dat zijn hart in Afrika’s aarde, onder den boom in het dorp Tschitambos rust. Livingstone’s droom, de bron van den Nijl te vinden en den verderen loop van de Loealaba vast te stellen, werd niet vervuld. Maar daardoor is zijn verdienste niet geringer. Hij ontdekte het Ngami-, het Nyassa- en andere meren, den Victoria-val en den bovenloop van de Zambesi en heeft van ontzaglijke uitgestrektheden onbekend land kaarten geteekend. Het werk der wetenschap en der menschelijkheid heeft sedert Livingstone’s leven reusachtige vorderingen in het werelddeel der zwarten gemaakt. Maar aan deze vorderingen zou niet te denken zijn geweest, zonder den zelfverloochenenden voorarbeid en de bewonderenswaardige volharding van dezen man.
59. DOOR HET DONKERE WERELDDEEL.
Succes moedigt aan! Reeds in het najaar van 1874 was Stanley weer in Zanzibar om nog eens in het donkere werelddeel zijn geluk te beproeven! Hij rustte een karavaan uit met driehonderd dragers, met proviand, kralen, koperdraad, wapenen, opvouwbare booten, tenten, werktuigen en al datgene wat men op een reis van verscheidene jaren noodig heeft en sloeg de richting in naar het Victoria-Niansa meer. Hij zeilde het geheele meer om, bezocht Oeganda en Oedjidji, waar de hut van Livingstone reeds lang met den grond was gelijk gemaakt, en zeilde toen nog het Tangajika-meer om.
Twee jaar na zijn vertrek bereikte hij den oever van de Loealaba, waaraan Dr. Livingstone zijn leven had gewijd om de raadselen er van op te lossen. Na twee jaren inspannend reizen stond nu Stanley op de westelijkste punt, tot waar ooit een Europeaan vanaf de Indische kust van Afrika was doorgedrongen en voor hem lag een geheel onbekend land, dat op de kaarten van dien tijd slechts door een groote, witte vlek was aangegeven. Van alle kanten waren reizigers den rand van dit gebied genaderd, maar niet een was verder gedrongen; men wist niet eens waar de Loealaba bleef en vergeefs had Livingstone getracht daar inboorlingen en Arabieren uit te vragen. Hier te Njangwe hadden de Arabische slavenhandelaars hun westelijkste markt. Groenten, vruchten, graan, visch, vee, metaaldraad, bogen, pijlen en speren werden hier verkocht en een ruilhandel met ivoor en slaven uit het binnenland gedreven. Maar ofschoon van alle kanten wegen in Njangwe samenliepen waren de Arabieren al even weinig van het binnenland op de hoogte.
Maar moeielijkheden waren er voor den ijzeren wil van Stanley niet. Zijn besluit stond vast in geen geval weer naar het Oosten terug te keeren; hij wilde naar het Westen, naar de Atlantische kust doordringen, al kostte het zijn eigen leven; zijn lijfspreuk was: „Waag te winnen en te verliezen!” Zoo brak hij dan den 5den November 1876 in gezelschap van het machtig en rijk Arabisch opperhoofd Tipoe Tip op en ging in noordelijke richting naar een groot woud. De troep van Tipoe Tip bestond uit zevenhonderd mannen, vrouwen en kinderen; Stanley had honderd vier-en-vijftig manschappen met geweren, revolvers en bijlen gewapend. Dus een groote karavaan, die in lange rijen het oerwoud naderde en onder de geweldige boomen verdween. Als zuilen stonden hier de stammen naast elkaar. Palmen en rotangs worstelden met de wilde wijnranken om de plaats. Varens en riet woekerden op den grond en doornstruiken vormden ondoordringbaar struikgewas. Klimplanten kropen tegen de stammen op en hingen als netten van de takken. Uit het bladerengewelf druppelde dauw als motregen neer; de lucht was zwaar en zwoel, en verzadigd van den geur der planten en van de aarde. Slechts zelden drong een koeltje in de diepte van het woud. Hoog boven de toppen der boomen konden stormen woeden, maar daar beneden in de schemering van het bosch bewoog zich geen blad. In den lossen, van water doortrokken bodem behoefden de wortels zich dus niet zoo diep in te boren om aan boomen en struiken kracht en steun te geven; dikwijls lagen de geweldige wortels van oeroude woudreuzen bijna geheel bloot.
Met bijlen moest de karavaan zich voetje voor voetje een weg door het tropisch oerwoud, door zijn nooit door een zonnestraal getroffen kreupelhout, banen. Mieren, duizendpooten, kevers en andere insecten kropen hier in groote volksverhuizingen rond; tusschen de wortels der boomen loerde de pythonslang op haar buit. Op de takken der boomen klauterden apen en slingerden zich schommelend en met handige sprongen van den eenen boomstam op den anderen. Rijen bavianen maakten geraas en brulden en hier en daar hoorde men de geluiden van den chimpansee, en ontdekte men tusschen een forschen tak zijn gevlochten nest.
Langzaam ging het op den slibberigen bodem en door het struikgewas vooruit. De pakken droeg men op het hoofd, om de armen vrij te hebben en takken en jonge boomen op zij te kunnen schuiven. De kleeren hingen weldra aan flarden, bij de naakte zwarten moest de huid het ontgelden. Voor de dragers van de opvouwbare boot, moest, dikwijls een apart pad met moeite worden uitgehouwen. Daarbij steeds dezelfde zwoele, verstikkende broeikaslucht en de diepe, drukkende schemering! Men tastte als door een donkere gang; nergens een licht, steeds een eeuwige schemering, die door pikzwarte nachten werd afgelost. Evenals de Poolvaarders in den langen winternacht, verlangde ieder naar den terugkeer der zon en naar het daglicht.
Op eenigen afstand van den oostelijken oever van de Loealaba ging de tocht noordwaarts. Stanley klauterde in een boom, die vrij en eenzaam op een heuvel stond. Welk een wondervol gezicht hier, over de toppen der boomen van het woud. In het rond een enkele zee van bladeren, de door de zon bestraalde oppervlakte der dicht in elkaar gevlochten groene kronen der boomen. Hier boven ruischten de bladeren in den wind en de storm veroorzaakte geweldige golven over de groene vlakte. Zelfs voor den moed en de volharding van een Stanley was dit oerwoud een beproeving van zijn energie. Ziekte, verveling en ongehoorzaamheid werd merkbaar in zijn schaar. De groote Tipoe Tip was van oordeel, dat in zulk een land verder doordringen onmogelijk was; hij wilde daarom met zijn zwarte bende omkeeren. Na veel heen en weer praten liet hij zich eindelijk overhalen nog twintig dagreizen verder mede te trekken, en na ontelbaar veel moeite bereikte de karavaan eindelijk weer den oever der Loealaba.
Zonder geluid en majestueus gleed de geweldige watermassa den oever langs. Dik en bruin door de verrotte planten wentelde de rivier zich naar een land, van welks tallooze negerstammen de Europeanen nog in het geheel niets wisten en dat nog nooit door den voet van een blanke was betreden. De olifanten in het duistere woud voelden zich nog niet verontrust door de Europeesche jagers en het nijlpaard lag nog onbezorgd tusschen lotusbladeren en riet. En deze geheimzinnige rivier over welke geleerden met elkaar streden, wilde Stanley overwinnen, het koste wat het wilde.
Tenten en omheiningen werden aan den rechteroever opgericht. Ginds aan den linkeroever werden hutten zichtbaar van onbekende stammen. Stanley liet zijn boot in elkaar zetten om de rivier over te gaan en met de wilden te spreken. Intusschen lag hij peinzend in zijn tent. Door deze eeuwige wouden te voet te gaan, was op den duur niet mogelijk. Waarom den breeden weg niet gebruiken, dien de Loealaba zelf aanbood! Het woud stond vol groeiende booten! Uit deze stammen kon een geheele vloot bruikbare vaartuigen worden gehouwen.
Snel besloten liet Stanley zijn karavaan door trommelslag bijeenroepen, om zijn plan mede te deelen. Met aarzelende schreden naderden de mannen, Tipoe Tip en de overige Arabieren vooraan. Zij verwachtten niets anders dan dat de marsch door het geheele bosch voortgezet zou worden. Toen allen bij elkaar waren, zei Stanley:
„Arabieren, mannen uit Oenjamwesi en Zanzibar! Gij ziet deze rivier, die sedert onheuglijke tijden stil en onbekend naar de zoute zee stroomt, waar mijn blanke vrienden wonen.” En nu zette hij hun zijn plan uiteen, om met een sterke vloot de Loealaba te willen afroeien.
Eerst klonk als antwoord een onwillig gemompel, maar Stanley liet zich niet van zijn stuk brengen. Hij verzekerde hen rondweg, dat hij dezen tocht zou doen, ook al vergezelde hem niemand anders dan Frank Pocock, de eenige overlevende, der drie uit Zanzibar medegenomen blanken. Daarna wendde hij zich tot de bootslieden: „Gij, die met mij over de groote zeeën zijt gezeild, wilt gij nu mij en mijn blanken broeder in het woud laten omkomen?” Reeds kwamen eenigen naar voren en tenslotte verklaarden twee-en-dertig man zich bereid mede te gaan. Tipoe Tip en zijn Arabieren verzekerden echter dat zoo’n tocht reine krankzinnigheid was, men zou in handen vallen van oorlogzuchtige wilden en menscheneters of omkomen in bruisende watervallen. Stanley verzocht aan de Arabieren, tenminste door hun gepraat niet hen af te schrikken, die reeds beloofd hadden te zullen meegaan.
Juist kwam nu van den linkeroever een boot met twee roeiers en een van Stanley’s tolken riep den inboorlingen toe:
„Bezorgt ons booten, opdat wij u ginds kunnen bezoeken.”
„Vult de booten met schelpen en dan kunt gij komen!”
„Gij kunt ieder tien schelpen krijgen,” antwoordde de tolk.
Maar de wilden antwoordden:
„Neen, jelui zijn slechte menschen, keert terug, keert terug!” En daarbij hieven zij een akelig, vreemd lied aan, en van den anderen oever klonk een onheilspellend „o-hoe, o-hoe-hoe!”
„Ginds schijnt een strijdlustig opperhoofd te wonen,” zeide de tolk van Stanley.
„Onzin,” antwoordde Stanley, „waarom zouden zij strijd met ons zoeken?”
„Het zijn wilden en daarom strijdlustig als de dieren.”
„Ik zal je bewijzen, dat je ongelijk hebt,” antwoordde Stanley, stapte met Tipoe Tip, eenige Arabieren en alle tolken in een boot en roeide met snelle slagen naar den anderen oever.
Hier krioelde het van zwarte krijgslieden, en een vloot van twintig booten lag aan den oever.
Op behoorlijken afstand riep de tolk de wilden toe, dat de blanke man hun land wilde zien, men zou niets van hun eigendom aanraken en hen geen kwaad doen. Het antwoord was, dat de blanke man den volgenden morgen naar een klein, nabijgelegen eiland moest roeien; hun opperhoofd zou daar eveneens met tien krijgslieden heengaan. Zoodra men daar broederschap gesloten zou hebben, mochten de vreemdelingen de hutten der zwarten bezoeken!
Daar Stanley een overval vreesde, zond hij in den nacht twintig gewapenden naar het eiland, die zich in het kreupelhout moesten verbergen. Pocock en tien man roeiden den volgenden morgen naar de plaats van samenkomst, terwijl Stanley zelf in de nabijheid in zijn boot wachtte. Stanley had het goed voorzien, een geheele zwerm van booten der wilden verliet den linkeroever, en toen zij het eiland naderden, hieven de zwarten hun oorlogskreet aan: „o-hoe, o-hoe-hoe!” en stormden met gespannen bogen en opgeheven speren aan land. Maar daar waren de twintig in hinderlaag liggenden ook op hun post, en na een korte schermutseling snelden de wilden hals over kop naar hun booten, om zoo gauw als mogelijk naar hun dorpen terug te roeien.
Stanley bracht nu al zijn manschappen naar een beschutte plaats op den linkeroever. Den volgenden morgen waren de inboorlingen gevlucht en hun dorpen stonden leeg. Slechts twee rijen grijnzende schedels van opgegeten vijanden en gevangenen sierden de dorpsstraten.
60. OORLOGEN MET DE INBOORLINGEN.
Ondanks deze onvriendelijke houding der inboorlingen gaf Stanley het besluit niet op met zijn boot de Loealaba af te varen. Met ongeveer dertig man scheepte hij zich eindelijk in, terwijl Tipoe Tip en Pocock met de overigen den oever langs zouden trekken.
Het eene dorp na het andere werd aan den oever zichtbaar, maar overal hadden de inboorlingen zich teruggetrokken en uit de verte hoorde men hun oorlogskreet: „O-hoe, o-hoe-hoe!”
Op een eiland tusschen de hoofdrivier en een zijrivier ging Stanley met zijn boot aan land om de karavaan af te wachten en ze bij den overtocht over de rivier behulpzaam te zijn. Rondom de legerplaats werd een omheining opgericht. Daarna roeide hij een eind de zijrivier op, het water was door de donkere boomwortels, die van den oever tot aan den bodem reikten, zoo zwart als inkt. Bij zijn terugkomst vond hij het eiland door vijandelijke booten omringd; maar zoodra zijn boot naderde, roeiden de wilden pijlsnel weg.
Eindelijk kwam Tipoe Tip met zijn troep hijgend aan, en nu kon men verder trekken. Stanley bleef nu met zijn boot steeds dicht bij den oever, zoodat de twee afdeelingen door een teeken met de trom met elkaar in verbinding konden blijven. Weer waren alle dorpen verlaten, maar toch sloegen de inboorlingen de vreemdelingen gade en lagen overal in hinderlaag; maar toen op zekeren dag eenige van Stanley’s manschappen in twee geroofde booten op verkenning uitgingen, werden zij overvallen en geraakten op hun vlucht in draaikolken en stroomversnellingen. Hun booten sloegen om en zij verloren vier geweren; maar zij zelf werkten zich op de gekantelde boot en bleven daarop zoolang, totdat zij door hun makkers werden gered. Uit het groote dorp Ikondo waren alle inwoners gevlucht. Maar tusschen de kooivormige rieten hutten, die zich in twee lange rijen uitstrekten, hingen nog de gevulde wijnkruiken aan de palmen, meloenen en bananen geurden, en overal stiet men op maniokaanplantingen, aardnoten- en suikerrietvelden. In de nabijheid van Ikondo lag een groote boot, maar die was gebarsten en lek; ze werd hersteld, in het water gelaten en als hospitaal gebruikt, want pokken en buikloop waren in de karavaan uitgebroken en dagelijks moesten twee à drie dooden in de rivier worden begraven.
Toen op zekeren dag de kleine vloot langs den oever roeide, slaakte eensklaps een man in de ziekenboot een luiden kreet. Een vergiftige pijl was hem in de borst gedrongen en op deze eerste volgde een regen van pijlen. Snel werd uit de gevaarlijke streek geroeid en gekampeerd op een plaats, waar vroeger markt was gehouden. De gewone haag van rijshout werd rondom de tent opgericht, en voor alle zekerheid werden posten in het kreupelhout uitgezet.
Het duurde ook niet lang of geweerschoten en geschreeuw werden vernomen. De wachten kwamen hals over kop aanloopen en riepen van verre: „Houdt jelui gereed, zij komen!” En voordat men er op bedacht was, suisden pijlen en speren tegen de verschansingen en de wilden kwamen aanstormen onder het zingen van hun akelige krijgsliederen. Arme duivels! Wat hielpen hun pijlen en speren tegen kogels en kruit! Zij werden teruggeslagen, maar keerden steeds weer met nieuwe versterking terug. Pas na een strijd van twee uur en bij het invallen der duisternis trokken zij terug.
Onder zulke gevechten bereikten Stanley en Tipoe Tip een dicht bebouwde streek aan den westelijken oever en ook hier kwamen de inboorlingen hen vijandig tegemoet. Bij het eerste treffen werden zij teruggeslagen, roeiden toen echter naar een lang en smal eiland, waar zij hun booten aan palen vastbonden, blijkbaar met het plan den volgenden dag weer te beginnen.