Chapter 1 of 32 · 3948 words · ~20 min read

Part 1

GERMANIA

DOOR BERNARD CANTER.

DEEL I.

Amsterdam. Vennootschap „Letteren en Kunst”. 1905.

GERMANIA.

HOOFDSTUK I.

Tegen den morgen zag Sigbert, de Bataaf, de vader der drie mannen, die nog bij het vuur sliepen, dat zij aan den rand van ’t bosch waren gekomen. De zon was opgegaan ver achter de takken, waar een groote vlakte scheen te liggen. Hij voelde zich daardoor wat vroolijker gestemd, dan gisteravond, toen hij en zijn drie zonen, moedeloos waren geweest omdat er aan het groote bosch van eiken en beuken geen einde scheen te komen. Vier dagen waren ze er nu al in verdwaald en dat zonder water, zonder ander voedsel dan de gezoden paddestoelen. Zij waren alle vier dood op. Twintig dagreizen waren ze nu al geloopen, altoos in de tegengestelde richting van de ster Brendel, die staat boven de zee, waarover de godin Nehalennia gebiedt. Brendel is een goede geleidstar voor den nachtwandelaar, want hij staat altoos op dezelfde plaats, één van de zeven minnaars van de godin Nehalennia, die allen begeerig naar de hand der jonkvrouw, hun plaats aan den hemel niet verlaten durven, uit angst dat een der medeboelers daarvan gebruik zal maken om zich haar gunst te verwerven.

In de laatste dagen was de hemel dicht bewolkt geweest en als Tjeerd, zijn oudste zoon, die ’t beste klimmen kon, ’s nachts in een boom was geklauterd om boven uit te zien, waar Brendel nu stond, dan was hij telkens met een ander bericht beneden gekomen. Zij waren aan ’t dwalen geraakt en konden den weg niet terugvinden. Herebaeld, zijn jongsten zoon, die mee was gegaan hoewel hij zwak en teeder was, maar door den ouden priester Kigrold was onderwezen in de kennis der voorteekenen, der wonderen en der offers, had al zijn kennis beproefd om den wil der goden na te speuren en gisteren had hij, ten einde raad, de veronderstelling geuit, dat Brendel hun wellicht met een boos oog aanzag, omdat zij naar de vrouwe Harimona trokken om raad te vragen, waardoor aan Nehalennia afbreuk werd gedaan. Zouden ze dan terugkeeren en weder naar Nehalennia gaan? Reri, de oudste der broeders, de groote zwemmer en zeeman, was er zeer op tegen geweest. Nehalennia was een slechte godin. Hoeveel keeren had hij haar nu al offers gebracht, hij en zijn makkers en telkens bedroog zij en hield haar beloften niet. Marizjan, de Massiliaansche koopman, had haar drie purperen kleederen en een gouden beker gebracht, behalve nog de twee vaarzen die geofferd waren en toch was zijn skig, zoodra hij den mond van de Skalde had verlaten, door een kwaden zeegeest omgetrokken en in de diepte verdwenen.

Hij, Reri, was dadelijk te water gesprongen en was naar den ongelukkigen schipper gezwommen, die vlak voor zijn oogen wegzonk. Met open oogen had Reri gedoken en hij had Marizjan gepakt en hem aan land gebracht. De Massiliaan was als een doode blijven liggen en zou gestorven zijn, zonder de hulp van een markt-kaninefaat, die hem met het lauwe bloed van pasgeslachte konijnen wreef, door eerst het konijn den strot door te snijden en nadat het bloed op de borst van den schijndoode was uitgeloopen met het gedoode konijn, dat bloed op de borst krachtig uit te wrijven. Twaalf konijnen moesten zoo aan den kwaden geest geofferd worden voor hij in den Massiliaan weder het leven deed terugkeeren. En Horand, de groote zeevaarder, in wiens dienst Reri had gestaan, had verboden, dat een zijner schippers ooit Nehalennia eenig offer zou brengen of tot haar eenigerlei bede zou richten sedert zij, ondanks de offers, het schip had laten zinken, waarop Welisunk, zijn eenige zoon was uitgevaren om naar het Paarden-eiland te zeilen. Spil, de stuurman op de skig van Horand, die ’s nachts, toen het stormde, Nehalennia ondanks het verbod, had aangeroepen om hem voor zijn vrouw en kinderen te behoeden en haar een mes met barnsteenen heft had beloofd, was nog in dien zelfden nacht overboord geslagen en verdronken. En als Nehalennia geen macht meer had over de zee-geesten, wat wel te begrijpen was wegens haar hoererij met Brendel en zijn mede-boelers, dan zou zij eerst in ’t geheel niets meer te zeggen hebben over de land-geesten. En van de land-geesten moest Sigbert het hebben. Dat was nu al de derde maaitijd, dat de oogst geheel mislukte. De geheele Bat-ouw begon te verarmen. Zij waren een rijke en vredelievende bevolking in de Bat-ouw al sedert de verste tijden, ja al in de tijden, toen de voorvaderen de ware goden nog niet kenden en het vuur en de zon aanbaden als de éénige goden en de ever voor heilig werd gehouden. Zoolang waren zij al in de Bat-ouw rijk en vredelievend hoewel zij allen sterke kerels waren, breed van schouders, kort van hals en sterk van borst. Hij Sigbert, was nu al niet jong meer, maar had hij niet, nog geen zes manen geleden, met de vijf zonen van zijn buurman Darrewald grafsteenen, die op de graven van vuuraanbidders lagen en die ongeluk brachten, omdat de echte goden die niet graag zien, weggedragen naar het Darantsche landschap, buiten de palen van de Bat-ouw. En de vijf zonen van Darrewald hadden moeten rusten, telkens en telkens weer, maar hij, die toch ook een zwaren steen droeg, had hem stevig op zijn nek gehouden en hem vóór de anderen bij de Daranters neergelegd. Neen... Reri was er vóór hem geweest. Reri ook... zijn Reri! Tjeerd, de middelste, dat was óók een kaerel, die kon klimmen en paardrijden en springen; hij sprong uit een boom op den grond zonder de beenen te breken, maar Reri was toch eigenlijk meer een kaerel van ’t echte slag, niet zoo knap in ’t klimmen en ’t paardrijden en springen deed-ie nooit... maar Reri nam een mijlsteen in zijn rechterhand en wierp ’m tot midden in de Issel-stroom en sprong in ’t water en bleef onder, zoolang dat je dacht, hij was voorgoed bij den stroomgod en dan hoorde je aan den weer-oever zijn „Hier... óóó!” en daar stond ie, met den mijlsteen en was onder het water door geloopen, zoo met den mijlsteen naar den kant. Dat deed Reri. En toen de Darrewalders waren aankomen varen met een wagen om graan te stelen en veel misbaar hadden gemaakt met hun voorvechter, die op een paard zat en uitdaagde om op te komen, éérst één saks tegen één saks en toen één saks tegen twee saksen, was die drommel van een Reri, die booze ever, die haloendersche auwer, zoo maar zonder wapen op ze aangeloopen, hij alleen tegen de heele troep Daranters en toen zij riepen, „wo ist di waffe, wo ist di waffe!” had hij zich omgekeerd en gedaan of hij ze vergeten had en hij had zijn arm wijd gezwaaid naar zijn moeder, die bang was voor haar jongen en hardop had hij gelachen en een gerste-aâr geplukt en gezegd, dat hij daarmee wou vechten omdat het toch daarom ging. En dicht bij den voorvechter, daar had zijn Reri, die saltermaansche wotanszoon, bij den draak van Sigbold, zich gebukt en zijn kop onder ’t peerd gestoken en zijn armen om de pooten en daar droeg-ie man en paard omhoog, dat de man er schuin afviel en bleef liggen en hij, zoo met den paarderomp om zijn nek, vroeg of er nog meer trek in gerst hadden, dan de knol alleen en bij bracht de knol thuis, een zwaar hooglandsch edel-ros, zoo op zijn schouders en de Daranters hadden gijzelaars gestuurd en gevraagd of zij een burenbond wilden vormen, wat dan ook gebeurd was.

Sigbert keek naar zijn zonen, zooals ze daar nog slapend om ’t versmeulende nachtvuur lagen. Reri was wel de beste van zijn drie, met zijn zware armen en zijn schorsige handen, die boven het berevel lagen, dat hij als dek had gebruikt. Tjeerd, lang en mager, had zich ’s avonds doodmoe maar zoo neergegooid in zijn runderleeren hes en zijn lange Friesche broek, zijn hoofd gesteund op zijn bovenarm. Die twee zouden wel spoedig de ouden zijn als ze straks drinken en eten vonden. Maar voor Herebaeld was hij bang. De arme jongen was zwak en als ’t niet de moeder geweest was, die hem had verzorgd met boschkruiden en meelpappen en varsche melk, dan was-ie niet geworden wat-ie geworden was. Sterk was-ie niet, neen dat mocht-ie niet zeggen, éér was-ie een meid gelijk, met zijn lange blonde haren en zijn fijne, dunne armen en witte handen en zijn slanken bouw. Maar Kigrold, de priester had gezegd, dat-ie van den grooten geest bewoond was en al bij zijn geboorte voorspeld, dat-ie heerschen zou over velen, omdat-ie de dubbele kruin had en spreken zou met de goden en weten de toekomst en den gang van het lot en van den oogst en van den krijg, omdat hij overtogen was geweest met het helmvlies. En wáár was het tot nu, want hoewel zwak, zoodat hij geen juk met twee melkemmers kon dragen en geen boog spannen, was er niemand in de Ouw, die Herebaeld niet ’t eerst zou begroeten als hij hem voorbijkwam en hem gehoorzaamheid zou weigeren en kwaaddoen zou niemand hem durven, want hij was heilig gesproken bij het feest der opstanding door de drie Druïden in den heiligen haag van Balgo. Arme jongen.... hij was medegegaan op den verren tocht naar de groote priesteres omdat hij haar woorden beter zou kunnen duiden dan Tjeerd of Reri, en hij Sigbert zelf, als ’t moest zijn om te zeggen, dat is grond voor spelt en dat is grond voor gerst en dat is grond voor rogge, dan wist hij het als de beste. En om, als ’t moest, wat de goden verhoeden, zijn mannen te zetten in de horde van de saks, met den aanvoerder aan de spits, dan konden ze opkomen tegen hem, tegen de saks van Sigbert, die nooit verloren had. Maar van de voorteekenen en de godenspraak en de droomduiding en van ’t kennen van de geesten en de reuzen en de dwergen, daar wist hij niet veel van, dat erkende hij graag.

En met bewonderende liefde in de oogen, de driehoekige, grijze oogen onder forsche, rosse, altijd gefronsten wenkbrauwen, keek hij nu naar zijn jongste, die in een slaapzak van dichtgevlochten, donkerbruine wol was gekropen, het hoofd alleen er buiten, rustend op zijn tot een hoofdkussen saamgevouwen, hemelsblauwe, fijn-wollen overkleed. Hij keek naar het hooge voorhoofd, den langen, fijnen neus, den kleinen meisjesmond en de ronde kin met een kuiltje.

De vogels begonnen te schuchtelen; een roofdier brulde in de verte, vóór het in zijn hol ging en een roode glans begon in ’t dichte, ruischende loover te gloeien. De vader wilde zijn drie jongens nog een poosje laten uitslapen, toen hij opeens zijn beide handen hoog hief, ten teeken van angst en eerbied en snel bad: „Groote Vasolt, machtige Vasolt!...” Maar nog had hij het gebed niet uitgesproken of het groote everzwijn, dat tusschen het hooge varen-gewas was opgesprongen, rende op de drie slapende mannen af, door ’t gedoofde vuur niet meer teruggehouden en sprong boven op Tjeerd. Sigbert nu van den schrik hersteld, hoewel zonder wapen, wierp zich op ’t dier de beide handen worgend om diens strot onderwijl roepend: „Reri! Reri! Reri!”

De reus ontwaakte en zonder schrik, zonder onrust, stond hij met een sprong recht en kalm zich weer bukkend vatte hij het dier bij de achterpooten, zwierde het met een ruk opwaarts, knikte het in den zwaai door een korten ruk, zoodat de beide achterpooten met een knakje in den sprong achterwaarts braken, alsof een dorre tak op de knie werd doorgeslagen en toen het dier, dat brulde van pijn, weer met een ruk naar voren zwierend, sloeg hij het met den onderkaak plat op den grond neer, zoodat een slagtand met een vaart uit de kaak geslingerd werd.

„Grendeldebliksem, da’s een knaap vaâr!” zei de zwemmer met zijn kleine groene, diepstaande oogjes lachend, kijkend naar ’t reutelende dier, dat de verlamde achterpooten in doodstuipen optrekkend, zijn bloedende snuit met rukjes schuivend in de nog warme asch van ’t wachtvuur, stierf.

Tjeerd was nu ook opgestaan en van den schrik bekomen. Het dier had zijn tanden in zijn kuit gezet, maar de lederen broek had voldoende weerstand geboden en hij was niet gewond. Herebaeld, ook wakker, had zich alleen opgericht en nog wat slaapdronken, begreep hij niet goed wat in dat korte oogenblik gebeurd was, wist nog niet of hij wellicht droomde.

Maar de vreugde van vader en de broers, die nu ’t dier als kenners beschouwden, bracht hem spoedig op de hoogte.

„Zoo temet stond ik en dacht de slaap sterkt en wilde wachten met den waak tot de zon boven de hand stond, daar hoor ik net-an achter den eik daar een roepen, maar van een mensch niet van een dier... of ’t moest zijn, daar was een nikker of een dwerg of een reus, die daar gejaagd had, en ik roep Grendel aan en denk, daar zal di ’t hebben omdat du Nehalennia ontrouw bent en zij stuurt een reck op di af en du zult verslagen worden met dijn zoons, daar krek springt de iever op dijn been Tjeerd en ik op den iever en toen Reri...”

Sigbert staande naast den reus was, hoewel een rijzig man, van denzelfden breeden, stevigen bouw als Reri, zoodat het scheen of alle leden door een kracht van buiten opelkaar geperst waren tot grootere stevigheid, een hoofdlengte kleiner en hij keek op naar Reri, met in de driehoekige oogen een fier stralen van geluk.

„Ik sliep en ik droomde, een boschdwerg zat op mijn borst en stak zijn hand er in en haalde mijn maag er uit, daar voel ik mijn been lam en zwaar en word wakker en daar leit-ie op mij en vaêr op den iever en ik voel de tanden in mijn kuit, door ’t leer heen...”

„’t Was me een stuk! Grendeldebliksem jong, ’t was me een stuk...”

„’t Is ’m niet daarom vaêr, want als ik in mijn kracht ben sla ik er toch een, driemaal zoo zwaar in den knik. Maar niet gegeten te hebben, Grendeldebliksem vaêr, hij zal smaken!”

Tjeerd, die dat ook al gedacht had, begon gebukt over ’t wegsmeulende vuur, ’t zachtjes aan te blazen, ’t ophoopend met dorrende bladeren, die al dik in ’t herfst-woud lagen.

Herebaeld had nu zijn nachtzak afgestroopt en zich moede aankleedend zei hij zwak:

„Vaêr, er is een tand opgesprongen?”

„Ja, jongen.”

„Goed... dat is de richting voor vandaag. En nog wat, vanwaar kwam de menschenstem?”

„Van daar af!”

„Was ’t één lang geluid of een kort?”

„’t Was één lang geluid...”

„Hoelang duurde het?”

„Om te zeggen als den eersten roep tot een offer.”

„Dan vaêr is het geen geest geweest. Want een geest geeft altijd eerst een korten roep, daar hij anders niet mag aanvallen.”

„Gelijk heb di..” zei Tjeerd gul. „Ik heb ook al gedacht, de iever is opgejaagd en hier in angst toegesprongen.”

„Du hoeft mij geen gelijk te gevent” zei Herebaeld streng. „Ik weet, wat ik weet. Vaêr, denk er aan. Er komt van dien kant onheil. Ik zie veel mannen met korte zwaarden en een groote er onder. Hij alleen rijdt te paard, een wit ros met gevlochten manen, waarin gouden schelletjes hangen. Zij zoeken denzelfden weg als wij en wij moeten ons haasten hun vóór te zijn. Want anders zullen zij ons verslaan, niet uit vijandschap maar opdat wij Harimona niet zullen spreken. Want die op het ros is één van de minnaars.”

HOOFDSTUK II.

Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.

Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en de ree was de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide: „Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.

De raad der priesters doopten nu het kind met den naam Harimona en Maresag werd tot wereldsche vader benoemd en Anertha tot wereldsche moeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.

Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.

En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.

De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhond Whridlo en de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.

Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oude Maresag.

En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.

En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der Chatten had een eenig kind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:

„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”

Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.

„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”