Part 24
Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.
„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.
„Daar binnen staan er verscheidene...”
„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.
„Waarom niet?... Of hebt di weder voorgevoelens?”
„Neen, nu niet...”
„Kom mee Haun!” beval Sogol... Maar hij bedacht zich.
„Neen... ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”
Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.
„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt...” waarschuwde Sogol.
Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van het onderaardsche meer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.
Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.
„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever... „Ziet di de worsteling...”
„Ik zie het, Sogol... maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man... Het droombeeld duurde een oogwenk... en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”
Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.
„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn...”
„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.
Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.
Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.
„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten...” meende Sogol.
Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.
Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.
Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.
„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”
„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.
„Ik weet het niet.... ik weet het niet.... De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.... Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten... Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.... Het zullen doodshoofden zijn geweest... Wilt di eens hooren.... maar schrik niet....”
Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.
„Hoordt di.... dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.... En toch is het niets, een leeg geschal.... de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.... een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt zooals het doodshoofd hier.... Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.... Kom mijn liefste.... wij hebben haast... laat ons deze urn medenemen....”
Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.
„Er ligt iets in....” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”
Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.
„Dan zullen wij een anderen nemen....”
Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.
Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.
„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.
„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.... Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”
Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.
„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”
„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden dat Scandia, bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”
Haun stond bij den doovenden brandstapel.
„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.
„Ja heer.... de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.... Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg....”
„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.
Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.
„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.
Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.
„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.... in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.... En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.... Weten wij iets meer?.... Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.... Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.... Leegheid is er rondom ons.... een afgrond zonder bodem.... een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.... noch hier noch elders.... Daar, in dit vaasje ligt een mensch.... een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.... Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.... En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.... Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”
„Ik weet het niet prins... Du zegt, du twijfelt niet... maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren... In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde... waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen... Leegte prins?... Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte... maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld... mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?...”
Hij sloeg zijn armen om heur hals, kuste haar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:
„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen... o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel... Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst... Want ik weet niet... ik weet niet... o Wot! Wot!... ik weet niet... ik weet niet!”
Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:
„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn... hij weet.... Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.... Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”....
Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.
„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.... Ik ben bang Harimona.... o, ik ben zoo bang voor den dood!”
„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”....
„Ja Harimona.... ik ben bang.... Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.... Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.... Ziet di daar den ingang van de grot.... Zoo is de dood.... En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.... Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.... Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.... dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.... en die waarheid zelf een ontnuchtering....”
Hij stond op en leunde op zijn zwaard.
„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.... Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.... kom.... kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.... Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen... De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.... Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.... Zoo zal de dood wel zijn.... een schaduw van het leven.... zoo zal het zijn.... geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken....”
Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.
„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”
Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.
Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:
„Braaf zoo mijn jongen.... Braaf zoo!....”
En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.
HOOFDSTUK XII.
De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.
Dadelijk werd toen een gezantschap naar koning Tjilbard gezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.
Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.
„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.
Dat wisten de afgezanten niet.
Tjilbard wierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.
„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”
„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”
„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”
„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet, begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”
„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”
„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken... en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen... Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven...”
Koning Tjilbard liet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.
De koning bekeek de saks [16] en vroeg:
„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”
„Ja heer.”
„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”
„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”
Nu zond koning Tjilbard verspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.
Koning Tjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.
Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.
Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.
Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?
Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar....
Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.
Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.... dat was alles zijn made.... mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.
Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.
Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.... en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?...
Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand....
Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep....
„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.... laten ze dan maar opkomen, de Frisen.... Batouwers waren ook hun man weerd.... Hij en Reri en Tjeerd.... Ze moesten niet aan hun akkers komen.... al waren ze duizend maal Frisen.... Grendeldebliksem.... Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.... dat was bekend.... zij hadden vredige harten.... maar van hun land moesten ze afblijven.... dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en de Brukteren en de Kaninefaten en de Dantubaren.... die allen waren al slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.... de Batouwer was als zijn vee.... harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst....”
Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.... hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.... als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.... niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.
En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.... Gegild hadden de wijven en geschreid de kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.... Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden....
Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.... Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.... omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog....
Grendeldebliksem.... wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.... Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden....