Part 27
Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.
„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”
„Vertrouw op mi, heer.”
Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.
„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.
Maar waar waren Harimona en Haun?
Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.... Dat iets.... wat was dat geweest... Wellicht Harimona? Of Haun?
Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.
Een boschje van tien boomen stond daar.... nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur....
Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.
En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.
„Norigeensche schippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.
Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.
Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:
„Dood dengeen, die zich beweegt.”
De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.
„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.
„Een Nerigoonschen zeeman.... Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”
„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.... hij was een manke stuurman niet waar?...”
De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.
Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.
„Waar is Haun?” vroeg Sogol.
„Ik weet het niet... Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”
„Zij hebben gelijk...” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”
De vier mannen keken elkaar aan.
„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”
„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”
De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.
„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”
Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.
„Heer, ik ben dijn man....”
En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:
„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”
„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.
„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”
Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.
De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.
„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.
„Bent di de meester?” vroeg Sogol.
„Ja heer, ik ben skigvoerder.”
„Hoe is dijn naam?”
„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen. Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”
„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”
De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.
„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”
„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”
Sogol haalde de schouders op.
„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”
„Neen heer... daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maar getwaas heb ik er nooit gezien.”
„Heb di dan wel getwaas gezien, ginds in dijn vaderland?”
„Ik zelf niet heer.... maar anderen hebben er velen gezien....”
„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”
„Neen heer... zelf niet. Maar anderen...”
„Ik zal di wat zeggen, opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi...”
Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.
„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol „om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”
Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.
„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”
„Neen heer... wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”
„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”
„Neen heer en niet aan Odin ook.”
„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.
„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.
Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.
„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”
„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”
Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.
Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger. Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.
De zeeman, korte metten makend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.
Rytzell, de vrouw die Sogol torschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.
Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.
„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur....”
Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:
„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”
De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.
„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.
Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.
Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.
„Zult di antwoorden?”
„Heer.... mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”
„Een fraai leven, dat di voert.”
„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”
„Vervloekt getwaas!”
Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.
Harimona wendde het hoofd af.
Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.
„Waar is de knaap, die bij ons was.”
Zij begon opeens schril te lachen....
„Waar is de knaap, wijf?”
Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.
Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.
„Zult di spreken, luizenwijf.”
Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.
De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.
De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.
„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”
Sogol hief zijn zwaard op.
„Ach heer, vergeef mi.... ach heer, dood mi niet....” kermde het wijf.
„Waar is de knaap?”
„Ach heer... dood mi niet... ik heb het niet gedaan... De andere vrouwen.... Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.... en die daar.... die minneclîche maide, zou verlost worden.... want velen beminden haar.... maar de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood....”
„Waar is ’t kleine zand?”
„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”
„Komt mee Rytzell... en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”
Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat... bij de borst... Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was... Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.
„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen...”
Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.
„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona...
Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven. [20] Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.
In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers. Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.
Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.
HOOFDSTUK XV.
In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!
De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.
Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.
„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.
In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.
Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.
Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.
Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.
De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.
De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.
De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.
De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.
Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.
Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.
De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.
Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden, die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.
„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.
De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:
„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”
Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.
„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.
„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.
Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.
„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”
De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.
Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:
„Heer, vergeef mi!”
Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.
De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.
De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd. Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:
„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”
De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.
De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.
Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.
Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.
De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand, die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.
Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.